﻿<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?>
<urlset xmlns="http://www.sitemaps.org/schemas/sitemap/0.9" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xsi:schemaLocation="http://www.sitemaps.org/schemas/sitemap/0.9 http://www.sitemaps.org/schemas/sitemap/siteindex.xsd https://e-justice.europa.eu/ecli https://e-justice.europa.eu/ecli/ecli.xsd">
<url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RBROT:2025:11474</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2025:11474</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RBROT:2025:11474"><country>NL</country><court>RBROT</court></isVersionOf><creator lang="nl">Rechtbank Rotterdam</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2025-09-22</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Burgerlijk recht</subject><abstract lang="nl">Kort geding. Inzage persoonsgegevens. AVG. Geen misbruik van inzagerecht. Geen beroep op de beperking die voortvloeit uit de Maltese UItvoeringswet.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: C/10/703288 / KG ZA 25-729</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Kort geding</description><contributor lang="nl">Rechter(s): mr. Th. Veling</contributor><issued>2025-10-02</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RBDHA:2022:7462</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2022:7462</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RBDHA:2022:7462"><country>NL</country><court>RBDHA</court></isVersionOf><creator lang="nl">Rechtbank Den Haag</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2022-07-20</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Burgerlijk recht</subject><abstract lang="nl">Incident; zekerheidstelling proceskosten en vaststelling toepasselijk recht.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: C/09/621323 / HA ZA 21-1041</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Bodemzaak, Eerste aanleg - enkelvoudig, Tussenuitspraak</description><contributor lang="nl">Rechter(s): mr. A.C. Bordes</contributor><issued>2022-08-02</issued><reference type="ECLI" relation="followedBy" lang="nl">ECLI:NL:GHDHA:2026:2903</reference></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RBDHA:2023:17263</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2023:17263</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RBDHA:2023:17263"><country>NL</country><court>RBDHA</court></isVersionOf><creator lang="nl">Rechtbank Den Haag</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2023-11-15</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Burgerlijk recht</subject><abstract lang="nl">Otjiaha B.V. en haar bestuurder niet aansprakelijk voor gevolgen Iraakse mosterdgasaanvallen, Forafina Beleggingen I B.V. wel Het Nederlandse bedrijf Otjiaha B.V. en haar bestuurder zijn niet aansprakelijk voor letselschade van vijf Iraniërs als gevolg van gifgasaanvallen tijdens Irak-Iranoorlog in de jaren ‘80. Een ander Nederlands bedrijf, Forafina Beleggingen I B.V., is bij verstek wel tot betaling van een nog nader te bepalen schadevergoeding veroordeeld. Dat blijkt uit een uitspraak van de rechtbank Den Haag in twee bodemprocedures die vijf Iraanse staatsburgers hadden aangespannen. Gifgasaanvallen Tijdens de Irak-Iranoorlog (1980-1988) zijn chemische wapens waaronder mosterdgasmunitie ingezet. In de procedures stellen vijf Iraanse staatsburgers dat zij bij Iraakse aanvallen met mosterdgas nabij de Iraanse steden Jofeyr (1984), Sumar (1986) en Abadan (1986) gewond zijn geraakt en blijvende gezondheidsschade hebben opgelopen. Volgens hen hebben de Nederlandse bedrijven Forafina (voorheen KBS Holland) en Otjiaha (voorheen Melchemie) in de periode 1982-1984 grondstoffen geleverd waarmee Irak het mosterdgas heeft geproduceerd dat is gebruikt bij de voornoemde aanvallen. Omdat Forafina, Otjiaha en haar bestuurder wisten, althans hadden moeten weten dat Irak de door hen geleverde chemicaliën daarvoor zou gebruiken, stellen de vijf Iraniërs hen aansprakelijk voor de (letsel)schade die zij als gevolg van de inzet van mosterdgasmunitie hebben geleden. Otjiaha en bestuurder niet aansprakelijk Otjiaha en haar bestuurder betwisten dat zij aansprakelijk zijn voor de schade die de vijf Iraniërs hebben geleden. Zij weerspreken onder andere de stelling dat Otjiaha onrechtmatig zou hebben gehandeld door thionylchloride aan Irak te leveren. Otjiaha en haar bestuurder voeren aan dat zij toen de leveringen van thionylchloride plaatsvonden (uiterlijk tot medio 1984) niet wisten of hadden moeten begrijpen dat Irak deze chemische stof voor de productie van mosterdgas zou gebruiken. De rechtbank oordeelt dat dit verweer slaagt. De vorderingen tegen hen zijn dan ook afgewezen. De rechtbank vindt onder meer van belang dat toen Otjiaha thionylchloride aan Irak leverde, nu bijna 40 jaar geleden, nog niet in brede kring bekend was dat het Iraakse regime mosterdgas inzette in de oorlog tegen Iran, laat staan dat Irak voor de productie van dat gas thionylchloride gebruikte. Die stof kan ook voor vreedzame doeleinden worden gebruikt, bijvoorbeeld als bestrijdingsmiddel in de landbouw of voor de vervaardiging van plastics. De rechtbank weegt ook mee dat de Nederlandse overheid, die de handel met Irak begin jaren tachtig stimuleerde, er in 1984 voor heeft gekozen thionylchloride niet op een lijst van stoffen te zetten waarvoor (omdat deze voor chemische oorlogsvoering konden worden gebruikt) een exportvergunning vereist was. Dit zou pas jaren later gebeuren. De rechtbank heeft al met al niet kunnen vaststellen dat Otjiaha en haar bestuurder in de relevante periode wisten of hadden moeten begrijpen wat met de kennis van nu een feit is, namelijk dat Irak in de oorlog met Iran mosterdgas heeft gebruikt en dat voor de productie daarvan thionylchloride is gebruikt. Forafina wel aansprakelijk Forafina is niet in de procedure verschenen en voerde geen verweer tegen de aansprakelijkheidsstelling. Dat betekent dat de rechtbank de vorderingen van de eisers tegen Forafina slechts had kunnen afwijzen in het geval deze haar ongegrond of onrechtmatig zouden zijn voorgekomen. De rechtbank oordeelt dat die situatie zich niet voordoet en wijst de vorderingen tegen Forafina dan ook toe.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: C/09/621323 / HA ZA 21-1041 + C/09/624251 / HA ZA 22-93</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Bodemzaak, Eerste aanleg - meervoudig</description><contributor lang="nl">Rechter(s): A.C. Bordes, M.A. van De Laarschot, S. Derksen</contributor><issued>2023-11-15</issued><reference type="ECLI" relation="followedBy" lang="nl">ECLI:NL:GHDHA:2026:2903</reference></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:GHDHA:2026:35</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2026:35</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:GHDHA:2026:35"><country>NL</country><court>GHDHA</court></isVersionOf><creator lang="nl">Gerechtshof Den Haag</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-01-27</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Burgerlijk recht</subject><abstract lang="nl">Tussenarrest. Aanbestedingszaak. Incident tot tussenkomst in een inzage-incident en tot voeging in de hoofdzaak.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 200.359.981/01</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Hoger beroep</description><issued>2026-02-03</issued><reference type="ECLI" relation="precededBy" lang="nl">ECLI:NL:RBDHA:2025:11370</reference></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RBDHA:2025:11370</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:11370</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RBDHA:2025:11370"><country>NL</country><court>RBDHA</court></isVersionOf><creator lang="nl">Rechtbank Den Haag</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2025-06-25</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Burgerlijk recht</subject><abstract lang="nl">Overheid/aanbesteding: wezenlijke wijziging in raamovereenkomst bemiddeling vertaaldiensten?</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: C/09/674082 / HA ZA 24-889</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Eerste aanleg - enkelvoudig</description><contributor lang="nl">Rechter(s): mr. D.R. Glass</contributor><issued>2025-06-27</issued><reference type="ECLI" relation="followedBy" lang="nl">ECLI:NL:GHDHA:2026:35</reference></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RBROT:2023:8913</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2023:8913</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RBROT:2023:8913"><country>NL</country><court>RBROT</court></isVersionOf><creator lang="nl">Rechtbank Rotterdam</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2023-09-15</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Bestuursrecht</subject><abstract lang="nl">Wet dieren. Boete van € 1.500,- vanwege het laten vervoeren van kuikens op zodanige wijze dat het de dieren letsel en onnodig lijden berokkent (overschrijding beladingsnorm). Overtreding deugdelijk vastgesteld. Overtreding kan eiseres worden verweten. Het vangen van kuikens is ook een met de verplaatsing samenhangende activiteit is waarop de Transportverordening van toepassing is. Minister hoefde niet te volstaan met een waarschuwing. Overschrijding termijn van dertien weken van artikel 5:51, eerste lid, Awb leidt niet tot het vervallen van de bevoegdheid een boete op te leggen. Hoogte van de boete is evenredig. Beroep ongegrond.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: ROT 22/1637</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Eerste aanleg - enkelvoudig</description><contributor lang="nl">Rechter(s): mr. J. Fransen</contributor><issued>2023-10-04</issued><reference type="ECLI" relation="followedBy" lang="nl">ECLI:NL:CBB:2026:468</reference></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RBDHA:2025:12341</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:12341</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RBDHA:2025:12341"><country>NL</country><court>RBDHA</court></isVersionOf><creator lang="nl">Rechtbank Den Haag</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2025-06-25</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Burgerlijk recht</subject><abstract lang="nl">In geschil is de aanzegging van het einde van de huurovereenkomst door verhuurder, de verschuldigdheid van stookkosten door huurder, de redelijkheid van de huurprijs na uitspraak van de Huurcommissie en de ontstane huurachterstand. De kantonrechter is van oordeel dat niet tijdig is aangezegd, dat de gevorderde stookkosten niet verschuldigd zijn en dat de aanvangshuurprijs redelijk is omdat de kantonrechter de redelijkheid van de huurprijs moet toetsen aan dezelfde regels als de Huurcommissie en door de Huurcommissie uitspraak is gedaan. De vordering tot betaling van de huurachterstand wordt toegewezen.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 11295139 \ CV EXPL 24-2910</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Eerste aanleg - enkelvoudig</description><contributor lang="nl">Rechter(s): I.F. Dam</contributor><issued>2025-07-17</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:CBB:2026:468</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CBB:2026:468</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:CBB:2026:468"><country>NL</country><court>CBB</court></isVersionOf><creator lang="nl">College van Beroep voor het bedrijfsleven</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-09-29</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Bestuursrecht</subject><abstract lang="nl">Overtreding Transportverordening. Boete voor pluimveehouder wegens overbelading van transportcontainers met kuikens. Het College volgt de pluimveehouder niet in zijn betoog dat hij niet verantwoordelijk is voor de overbelading en dat hem daarvan geen verwijt kan worden gemaakt. Ook als het zo zou kunnen zijn dat de vangmachine een storing had en dit ertoe heeft geleid dat meer kuikens in de lades zijn terecht gekomen dan is toegestaan, dan betekent dat niet dat de verantwoordelijkheid van de pluimveehouder eindigt op het moment dat de te volle containers uit de donkere stal worden gereden om te worden geladen op de vrachtwagen. Onder die omstandigheden lag het op de weg van de pluimveehouder om buiten de stal, in het daglicht of zo nodig met kunstlicht, op de plaats van vertrek de containers met lades te controleren. In de omstandigheid dat de pluimveehouder pas bij het boetevoornemen van 7 september 2021 op de hoogte is gesteld van de controlebevindingen van 22 februari 2021 door toezending van het rapport van bevindingen, ziet het College geen grond voor vernietiging van het bestreden besluit wegens strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel. Het College volgt de pluimveehouder ook niet in zijn betoog dat de staatssecretaris aanleiding had moeten zien om af te wijken van het Specifiek interventiebeleid dierenwelzijn tijdens transport, door te volstaan met het geven van een waarschuwing. Ambtshalve matiging van de boete wegens overschrijding van de redelijke termijn.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 23/1883</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Hoger beroep</description><contributor lang="nl">Rechter(s): S.C. Stuldreher</contributor><issued>2026-09-29</issued><reference relation="citing" lang="nl">Wet dieren</reference><reference type="ECLI" relation="precededBy" lang="nl">ECLI:NL:RBROT:2023:8913</reference></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:GHDHA:2026:2898</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2026:2898</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:GHDHA:2026:2898"><country>NL</country><court>GHDHA</court></isVersionOf><creator lang="nl">Gerechtshof Den Haag</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-09-29</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Burgerlijk recht</subject><abstract lang="nl">ANPR (Automatic number plate recognition) in strijd met het recht op privacy uit EVRM en Handvest? Tussenarrest waarin de Staat wordt opgedragen nadere informatie te verstrekken.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 200.347.782/01</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Hoger beroep</description><issued>2026-09-29</issued><reference type="ECLI" relation="precededBy" lang="nl">ECLI:NL:RBDHA:2024:7945</reference></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RBDHA:2024:7945</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2024:7945</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RBDHA:2024:7945"><country>NL</country><court>RBDHA</court></isVersionOf><creator lang="nl">Rechtbank Den Haag</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2024-05-29</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Burgerlijk recht</subject><abstract lang="nl">WAMCA. In deze zaak zijn vorderingen ingesteld in een collectieve actie namens Nederlandse ingezetenen van wie de privacy wordt geschonden door artikel 126jj van het Wetboek van Strafvordering (Sv). Artikel 126jj Sv geeft regels over het, met behulp van automatische kentekenherkenning (ANPR), vastleggen en bewaren van kentekengegevens door de politie en Koninklijke marechaussee. Privacy First stelt dat artikel 126jj Sv kennelijk onverbindend is wegens strijd met Europees recht. De vorderingen worden in dit vonnis afgewezen.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: C/09/642185 / HA ZA 23-116</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Bodemzaak, Eerste aanleg - meervoudig</description><contributor lang="nl">Rechter(s): J.L.M. Luiten, P. Dondorp, mr. A.M. Boogers</contributor><issued>2024-05-31</issued><reference type="ECLI" relation="followedBy" lang="nl">ECLI:NL:GHDHA:2026:2898</reference></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:GHDHA:2026:2903</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2026:2903</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:GHDHA:2026:2903"><country>NL</country><court>GHDHA</court></isVersionOf><creator lang="nl">Gerechtshof Den Haag</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-09-29</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Burgerlijk recht</subject><abstract lang="nl">Ontvankelijkheid hoger beroep ingesteld tegen erfgenamen als executeurs-testamentair zijn benoemd. Nederlands bedrijf zou in de jaren '80 grondstof voor de productie van mosterdgas aan Irak hebben geleverd. Is dat bedrijf aansprakelijk jegens Iraanse slachtoffers van aanvallen met mosterdgas door Irak? Iraans recht.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 200.341.271/01</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Hoger beroep</description><issued>2026-09-29</issued><reference type="ECLI" relation="precededBy" lang="nl">ECLI:NL:RBDHA:2022:7462</reference><reference type="ECLI" relation="precededBy" lang="nl">ECLI:NL:RBDHA:2023:17263</reference></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:HR:2026:1539</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2026:1539</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:HR:2026:1539"><country>NL</country><court>HR</court></isVersionOf><creator lang="nl">Hoge Raad</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-09-29</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Strafrecht</subject><abstract lang="nl">Rijden terwijl verdachte wist of redelijkerwijs moest weten dat geldigheid van zijn rijbewijs was geschorst, art. 9.5 WVW 1994. Bewijsklacht bekendmaking en inwerkingtreding van besluit van CBR tot schorsing van geldigheid van rijbewijs. Kan uit bewijsvoering worden afgeleid dat besluit van CBR aan verdachte bekend is gemaakt en op moment van tlgd. van kracht was? Voor bewezenverklaring van een op art. 9.5 WVW 1994 toegesneden tll. moet uit bewijsvoering allereerst blijken dat geldigheid van rijbewijs van verdachte is geschorst en dat dit besluit op moment van tlgd. van kracht was. O.g.v. art. 3:40 Awb geldt dat besluit tot schorsing van geldigheid van rijbewijs niet in werking treedt voordat het is bekendgemaakt. Deze bekendmaking kan plaatsvinden d.m.v. toezending of uitreiking aan belanghebbende, dan wel (als bekendmaking niet kan geschieden d.m.v. toezending of uitreiking) op andere geschikte manier (art. 3:41 Awb). Bij toezending geldt terpostbezorging door CBR als moment van bekendmaking. Volgens Awb is het bij deze manier van bekendmaking niet uitgesloten dat in besluit wordt bepaald dat geheel besluit of bepaald onderdeel ervan pas enige tijd na bekendmaking in werking treedt (vgl. RVS:2022:243). Uit bewijsvoering zal naar voren moeten komen dat besluit aan verdachte is verzonden of is uitgereikt, dan wel op andere geschikte manier bekend is gemaakt a.b.i. art. 3:41.2 Awb en op welke datum het besluit van kracht werd. Daarnaast moet uit bewijsvoering kunnen worden afgeleid dat verdachte t.t.v. besturen van motorrijtuig ‘wist of redelijkerwijs moest weten’ dat geldigheid van zijn rijbewijs was geschorst. Dit vereiste hangt ermee samen dat art. 9 WVW 1994 een misdrijf oplevert; zo’n vereiste geldt bijvoorbeeld niet bij overtreding van art. 107 WVW 1994. Het verdient in dit type zaken aanbeveling dat van processtukken deel uitmaken (a) mededeling van CBR aan verdachte met besluit tot schorsing waarin is bepaald wanneer besluit tot schorsing in werking treedt en (b) aantekening waaruit blijkt dat, wanneer en hoe verzending (dan wel andere manier van bekendmaking) van die mededeling daadwerkelijk heeft plaatsgevonden. OM is ervoor verantwoordelijk dat deze stukken, voordat zaak ttz. wordt behandeld, bij processtukken worden gevoegd (vgl. art. 149a.1 Sv), zo nodig door daartoe deze stukken (alsnog) op te vragen bij CBR. In voorkomend geval kan rechter (desnoods door aanhouding van behandeling van zaak) bewerkstelligen dat die stukken alsnog bij processtukken worden gevoegd. Als bewijs toch op andere manier door rechter wordt aangenomen, moet hij in beginsel in zaken waarin verdachte geen bekennende verklaring heeft afgelegd, nader motiveren hoe hij bewezenverklaring uit bewijs heeft afgeleid (vgl. HR:2025:826). Uit bewijsvoering kan niet zonder meer volgen dat besluit van CBR tot schorsing van geldigheid van rijbewijs van verdachte aan verdachte is bekendgemaakt en op moment van tlgd. van kracht was. Anders dan hof kennelijk heeft geoordeeld zijn (mede gelet op wat hiervoor is overwogen) voor bewijs gebruikte verklaring van verdachte en ‘s hofs vaststellingen over resultaten van raadpleging door verbalisanten van RDW-register daartoe niet voldoende. Wat betreft verklaring van verdachte is daarbij van belang dat daaruit weliswaar volgt dat verdachte op moment van verhoor op de hoogte was van schorsing, maar dat uit die verklaring niet kan worden afgeleid dat besluit tot schorsing van rijbewijs al op datum van tlgd. aan verdachte bekend was gemaakt en van kracht was. Volgt partiële vernietiging en terugwijzing. CAG: verwerping.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 24/00707</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Cassatie</description><issued>2026-09-29</issued><reference type="ECLI" relation="precededBy" lang="nl">ECLI:NL:PHR:2026:479</reference></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:GHARL:2024:2217</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2024:2217</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:GHARL:2024:2217"><country>NL</country><court>GHARL</court></isVersionOf><creator lang="nl">Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2024-04-02</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Strafrecht</subject><abstract lang="nl">Vernietiging vonnis pr. Beroep op vertrouwensbeginsel slaagt niet. Constatering vormverzuim, inhoudende dat de verbalisant zonder gegronde reden bij de tweede bestuurlijke controle aanwezig is geweest. Het hof is van oordeel dat uit de hoeveelheid, aard en functie van de aangetroffen goederen in onderlinge samenhang bezien blijkt dat deze bestemd waren voor grootschalige hennepteelt en/of bedrijfsmatig gebruik. Ook de combinatie van de aangetroffen stoffen en voorwerpen wijst hier op.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 21-005271-21</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Hoger beroep</description><issued>2024-04-03</issued><reference type="ECLI" relation="followedBy" lang="nl">ECLI:NL:HR:2026:1534</reference></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:HR:2026:1535</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2026:1535</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:HR:2026:1535"><country>NL</country><court>HR</court></isVersionOf><creator lang="nl">Hoge Raad</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-09-29</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Strafrecht</subject><abstract lang="nl">Medeplegen voorbereidingshandelingen m.b.t. grootschalige of bedrijfsmatige hennepteelt, art. 11a Opiumwet. Vrijspraak in eerste aanleg na bewijsuitsluiting vanwege onrechtmatige bestuurlijke controle bij tuinbedrijf. Bewijsklacht. Verweer dat ertoe strekt dat bewijsuitsluiting moet plaatsvinden, omdat politie onrechtmatig is binnengetreden doordat misbruik is gemaakt van bestuursrechtelijke bevoegdheden voor strafvorderlijke doeleinden, art. 359a Sv. HR: Om redenen vermeld in CAG leidt middel niet tot cassatie. CAG: Hof heeft in afwijking van standpunt van verdediging overwogen waarom het o.b.v. dossier van oordeel is dat niet vaststaat dat tijdens of na (eerste) controle (op 14-11-2018) reeds sprake was van redelijk vermoeden van schuld. Volgens hof omvat “p-v” te weinig informatie over deze controle en zijn de in p-v genoemde aangetroffen goederen niet zodanig dat op grond daarvan reeds evident sprake is van overtreding van art. 11a Opiumwet. Deze oordelen worden in cassatie niet betwist en dat geldt ook voor ‘s hofs oordeel dat het voorafgaand aan eerste controle op 9-11-2018 (door politie) noteren van kentekens van voertuigen die bij bedrijfspand te zien waren evenmin als opsporingshandeling kan worden aangemerkt. Verder overweegt hof dat “ook overigens” niet “uit procesdossier” blijkt dat er door politie handelingen zijn verricht die wijzen op verrichten van strafrechtelijk onderzoek op of na 14-11-2018. In dit oordeel ligt in voldoende mate besloten waarom beroep van raadsman op desbetreffende dossierpagina uit het door verbalisant opgemaakte p-v van bevindingen niet opgaat. Enkele omstandigheid dat uit informatie daarin blijkt dat doel van bestuursrechtelijke controle op 14-11-2018 was om aan te tonen dat tuinbedrijf een growshop is waar bewust materialen t.b.v. illegale hennepteelt worden verkocht, maakt ’s hofs oordeel dat niet vaststaat dat tijdens of na controle (op 14-11-2018) reeds sprake was van redelijk vermoeden van schuld aan art. 11a Opiumwet, niet onbegrijpelijk. Informatie maakt immers niet concreet duidelijk op grond waarvan men ertoe wilde overgaan om aan te tonen dat tuinbedrijf zodanige growshop is. Zelfs blijkt uit die informatie niet of reden voor controle is gevonden in f&amp;o die verdenking kunnen gronden dan wel hooguit in weinig concrete aanwijzingen. Daarnaast kan uit woorden dat “is getracht” om aan te tonen dat het om growshop ging, worden afgeleid dat dit aantonen toen niet is gelukt. Hof heeft dit kennelijk zo begrepen, en ook kunnen begrijpen, dat er ook bij of na controle nog onvoldoende was om redelijk vermoeden op te baseren. Volgt verwerping. Samenhang met 24/01441 en 24/01443.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 24/01442</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Cassatie</description><issued>2026-09-29</issued><reference type="ECLI" relation="precededBy" lang="nl">ECLI:NL:GHARL:2024:2215</reference><reference type="ECLI" relation="precededBy" lang="nl">ECLI:NL:PHR:2026:606</reference></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:PHR:2026:479</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2026:479</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:PHR:2026:479"><country>NL</country><court>PHR</court></isVersionOf><creator lang="nl">Parket bij de Hoge Raad</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-05-12</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Conclusie</type><subject lang="nl">Strafrecht</subject><abstract lang="nl">Conclusie AG. Rijden met geschorst rijbewijs. Art. 9 lid 5 WVW 1994. Bekendmakingseisen ongeldig verklaard rijbewijs (a.b.i. art. 9 lid 2 eerste volzin WVW 1994) van overeenkomstige toepassing bij geschorst rijbewijs? De A-G oordeelt dat ook voor een bewezenverklaring van art. 9 lid 5 WVW 1994 is vereist dat (in elk geval) uit de bewijsvoering moet blijken dat de geldigheid van het rijbewijs is geschorst en dat het desbetreffende besluit aan de verdachte is bekendgemaakt. Ook valt er volgens de A-G veel voor te zeggen dat in gevallen waarin het op de pleegdatum geschorst zijn van het rijbewijs door de verdediging onderbouwd wordt betwist de feitenrechter gehouden is nader te motiveren op grond waarvan kan worden vastgesteld dat er op de pleegdatum van het feit een tot schorsing van het rijbewijs van de verdachte strekkend besluit van kracht was. I.c. kunnen de bewezenverklaarde onderdelen “dat de geldigheid van een op zijn naam gesteld rijbewijs ingevolge artikel 131, tweede lid, onderdeel a, voor en of meer categorieën van motorrijtuigen is geschorst” en “gedurende de tijd dat de schorsing van kracht is” in voldoende mate uit de gebezigde bewijsmiddelen worden afgeleid. Ook blijkt dat de verdachte “weet” had van de schorsing, zodat daaruit – bij gebrek aan een onderbouwde betwisting – toereikend volgt dat het besluit daartoe aan hem bekend is gemaakt. Ambtshalve: constatering redelijke termijn schending in de cassatiefase. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 24/00707</description><issued>2026-05-15</issued><reference type="ECLI" relation="followedBy" lang="nl">ECLI:NL:HR:2026:1539</reference></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:PHR:2026:607</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2026:607</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:PHR:2026:607"><country>NL</country><court>PHR</court></isVersionOf><creator lang="nl">Parket bij de Hoge Raad</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-06-30</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Conclusie</type><subject lang="nl">Strafrecht</subject><abstract lang="nl">Conclusie AG. Bestuurlijke controles ("integrale controles") en redelijk vermoeden van schuld. Toereikend gerespondeerd op u.o.s. strekkende tot vrijspraak wegens het bestaan van een redelijk vermoeden van schuld na de eerste controle en daarmee van misbruik van bevoegdheid door de politie (détournement de pouvoir) bij de tweede controle? Géén schending art. 359 lid 2 tweede volzin Sv, want art. 359a lid 1 Sv verweer. Overigens mist het middel feitelijke grondslag. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep. Vrijspraak in eerste aanleg, Jaddoe. Samenhang met 24/01442 en 24/01443.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 24/01441</description><issued>2026-07-02</issued><reference type="ECLI" relation="followedBy" lang="nl">ECLI:NL:HR:2026:1534</reference></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:GHARL:2024:2215</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2024:2215</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:GHARL:2024:2215"><country>NL</country><court>GHARL</court></isVersionOf><creator lang="nl">Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2024-04-02</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Strafrecht</subject><abstract lang="nl">Vernietiging vonnis pr. Beroep op vertrouwensbeginsel slaagt niet. Constatering vormverzuim, inhoudende dat de verbalisant zonder gegronde reden bij de tweede bestuurlijke controle aanwezig is geweest. Het hof is van oordeel dat uit de hoeveelheid, aard en functie van de aangetroffen goederen in onderlinge samenhang bezien blijkt dat deze bestemd waren voor grootschalige hennepteelt en/of bedrijfsmatig gebruik. Ook de combinatie van de aangetroffen stoffen en voorwerpen wijst hier op.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 21-005270-21</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Hoger beroep</description><issued>2024-04-03</issued><reference type="ECLI" relation="followedBy" lang="nl">ECLI:NL:HR:2026:1535</reference></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:HR:2026:1575</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2026:1575</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:HR:2026:1575"><country>NL</country><court>HR</court></isVersionOf><creator lang="nl">Hoge Raad</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-09-29</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Strafrecht</subject><abstract lang="nl">Gewoonte maken van mensensmokkel (meermalen gepleegd) door 5 personen te helpen met het (met valse documenten) verkrijgen van Nederlandse verblijfsvergunning bij IND, art. 197a.2 jo. 197a.4 Sr. Vrijspraak in eerste aanleg. 1. Bewijsklacht “wederrechtelijk verblijf”. Kon hof oordelen dat in bewezenverklaring genoemde personen zich wederrechtelijk verblijf in Nederland hebben verschaft? 2. Bewijsklacht “winstbejag”. Kon hof oordelen dat verdachte t.a.v. de niet met naam in tll. genoemde personen uit “winstbejag” heeft gehandeld? Ad 1. Van “wederrechtelijk verblijf” a.b.i. art. 197a.2 Sr is sprake als verblijf plaatsvindt zonder enig subjectief recht of enige bevoegdheid. In art. 197a.2 Sr bedoelde behulpzaamheid moet zijn verleend aan iemand die tot verblijf in Nederland of Schengen-rechtsgebied aan geen rechtsregel (van nationale of internationale herkomst) enige titel kan ontlenen (vgl. HR:2008:BA8499). Hof heeft in zijn bewijsvoering o.m. vastgesteld dat 5 in tll. genoemde en 12 van 14 niet in tll. genoemde, maar wel in dossier vermelde, vreemdelingen een aanvraag voor verblijfsvergunning hebben gedaan o.b.v. valse documenten. O.g.v. deze vaststelling heeft hof geoordeeld dat die personen zich wederrechtelijk verblijf in Nederland hebben verschaft of geprobeerd hebben te verschaffen. Dat oordeel getuigt in het licht van wat hiervoor is vooropgesteld niet van onjuiste rechtsopvatting en het is toereikend gemotiveerd. Daaraan staat niet in de weg dat IND (nog) geen consequenties heeft verbonden aan omstandigheid dat aanvraag is gedaan o.b.v. valse documenten, door intrekken van verblijfsvergunning van aantal in bewezenverklaring bedoelde personen. Ad 2. HR: Om redenen vermeld in CAG faalt middel. CAG: Hof heeft overwogen dat verdachte een geldelijk voordeel heeft behaald van minimaal € 87.560,57 vanwege smokkelen van 5 in bewezenverklaring met naam genoemde vreemdelingen. Kennelijk om te accentueren dat daarmee niet gezegd is dat dit het volledige voordeel van verdachte is geweest, heeft hof overwogen dat er “aanwijzingen” zijn dat verdachte er hoger bedrag aan over heeft gehouden en er daarbij ook op gewezen dat transacties in relatie tot 14 in tll. niet met naam genoemde koppels niet in dat bedrag zijn meegenomen. Op zichzelf is er daarmee geen direct bewijs geleverd dat verdachte ook voordeel heeft genoten uit zijn behulpzaamheid aan 14 andere koppels. Maar hof heeft o.g.v. gegeven dat verdachte bij 5 in tll. wel met naam genoemde personen zeer aanzienlijk bedrag heeft opgestreken, klaarblijkelijk geoordeeld dat zijn beroepsmatige handelen m.b.t. elk van de in bewezenverklaring betrokken vreemdelingen uit winstbejag (gericht op verrijking) plaatsvond. Dat oordeel is toereikend gemotiveerd, in aanmerking genomen dat uit bewijsvoering volgt dat die beroepsmatige behulpzaamheid door verdachte steeds vergelijkbare vormen heeft aangenomen en gelet op ’s hofs overwegingen over georganiseerdheid van handelen van verdachte. Volgt verwerping.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 24/03086</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Cassatie</description><issued>2026-09-29</issued><reference type="ECLI" relation="precededBy" lang="nl">ECLI:NL:PHR:2026:656</reference><reference type="ECLI" relation="precededBy" lang="nl">ECLI:NL:GHSHE:2024:2547</reference></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:PHR:2026:606</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2026:606</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:PHR:2026:606"><country>NL</country><court>PHR</court></isVersionOf><creator lang="nl">Parket bij de Hoge Raad</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-06-30</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Conclusie</type><subject lang="nl">Strafrecht</subject><abstract lang="nl">Conclusie AG. Bestuurlijke controles ("integrale controles") en redelijk vermoeden van schuld. Toereikend gerespondeerd op u.o.s. strekkende tot vrijspraak wegens het bestaan van een redelijk vermoeden van schuld na de eerste controle en daarmee van misbruik van bevoegdheid door de politie (détournement de pouvoir) bij de tweede controle? Géén schending art. 359 lid 2 tweede volzin Sv, want art. 359a lid 1 Sv verweer. Overigens is ’s Hofs oordeel dat er ook bij of na de eerste controle nog onvoldoende grond aanwezig was om een redelijk vermoeden van schuld op te baseren niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep. Vrijspraak in eerste aanleg, Jaddoe. Samenhang met 24/01441 en 24/01443.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 24/01442</description><issued>2026-07-02</issued><reference type="ECLI" relation="followedBy" lang="nl">ECLI:NL:HR:2026:1535</reference></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:GHSHE:2024:2547</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2024:2547</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:GHSHE:2024:2547"><country>NL</country><court>GHSHE</court></isVersionOf><creator lang="nl">Gerechtshof 's-Hertogenbosch</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2024-08-07</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Strafrecht</subject><abstract lang="nl">Een ander uit winstbejag behulpzaam zijn bij het zich verschaffen van verblijf in Nederland of hem daartoe gelegenheid, middelen of inlichtingen verschaffen, terwijl hij weet of ernstige redenen heeft te vermoeden dat dat verblijf wederrechtelijk is, terwijl het feit wordt begaan door een persoon die daarvan een gewoonte of beroep maakt, meermalen gepleegd.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 20-002227-23</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Hoger beroep</description><issued>2025-01-21</issued><reference type="ECLI" relation="followedBy" lang="nl">ECLI:NL:HR:2026:1575</reference></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:PHR:2026:656</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2026:656</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:PHR:2026:656"><country>NL</country><court>PHR</court></isVersionOf><creator lang="nl">Parket bij de Hoge Raad</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-06-30</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Conclusie</type><subject lang="nl">Strafrecht</subject><abstract lang="nl">Conclusie AG. Uit winstbejag behulpzaam zijn bij verschaffen wederrechtelijk verblijf van meerdere personen, begaan door persoon die daar beroep van maakt (art. 197a lid 2 en 4 Sr). Aanvragen verblijfsvergunningen op basis van valse stukken. Vrijspraak in e.a. Falende klachten over (i) kwalificatie “meermalen gepleegd” van in uitoefening van beroep begane delicten, (ii) wederrechtelijkheid verblijf na verkrijging van verblijfsvergunning op basis van valse stukken (iii) bewijs van winstbejag en (iv) afwijzing verzoek heropening o.t.tz. om verdediging in gelegenheid te stellen verdediging nader voor te bereiden n.a.v. uitleg tll door hof. Conclusie strekt tot verwerping.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 24/03086</description><issued>2026-07-03</issued><reference type="ECLI" relation="followedBy" lang="nl">ECLI:NL:HR:2026:1575</reference></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:HR:2026:1534</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2026:1534</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:HR:2026:1534"><country>NL</country><court>HR</court></isVersionOf><creator lang="nl">Hoge Raad</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-09-29</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Strafrecht</subject><abstract lang="nl">Medeplegen voorbereidingshandelingen m.b.t. grootschalige of bedrijfsmatige hennepteelt, art. 11a Opiumwet. Vrijspraak in eerste aanleg na bewijsuitsluiting vanwege onrechtmatige bestuurlijke controle bij tuinbedrijf. Bewijsklacht. Verweer dat ertoe strekt dat bewijsuitsluiting moet plaatsvinden, omdat politie onrechtmatig is binnengetreden doordat misbruik is gemaakt van bestuursrechtelijke bevoegdheden voor strafvorderlijke doeleinden, art. 359a Sv. HR: Om redenen vermeld in CAG leidt middel niet tot cassatie. CAG: P-v van tz. in hoger beroep houdt in dat raadsman zich aansluit bij het door raadsman van medeverdachte ingenomen standpunt over bewijsuitsluiting. P-v van tz. in h.b. houdt echter niet in dat hof in onderhavige zaak heeft ingestemd met het als herhaald en ingelast beschouwen van dit standpunt. Gelet daarop mist middel feitelijke grondslag v.zv. er daarbij van wordt uitgegaan dat hof ten onrechte niet desbetreffende pagina van p-v van verbalisant, waarop enkel door verdediging van medeverdachte een beroep is gedaan, in zijn overweging heeft betrokken. Volgt verwerping. Samenhang met 24/01442 en 24/01443.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 24/01441</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Cassatie</description><issued>2026-09-29</issued><reference type="ECLI" relation="precededBy" lang="nl">ECLI:NL:PHR:2026:607</reference><reference type="ECLI" relation="precededBy" lang="nl">ECLI:NL:GHARL:2024:2217</reference></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:GHARL:2024:8088</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2024:8088</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:GHARL:2024:8088"><country>NL</country><court>GHARL</court></isVersionOf><creator lang="nl">Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2024-12-04</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Strafrecht</subject><abstract lang="nl">Poging tot zware mishandeling. Effectieve ondervragingsmogelijkheid. Strafprocedure voldoet in zijn geheel aan artikel 6 EVRM.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 21-004570-19</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Hoger beroep</description><issued>2025-03-26</issued><reference type="ECLI" relation="followedBy" lang="nl">ECLI:NL:HR:2026:1543</reference></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:HR:2026:1543</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2026:1543</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:HR:2026:1543"><country>NL</country><court>HR</court></isVersionOf><creator lang="nl">Hoge Raad</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-09-29</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Strafrecht</subject><abstract lang="nl">Poging tot zware mishandeling door medegedetineerde met aardappelschilmesje in buik te steken, art. 302.1 jo. 45.1 Sr. Noodweer, proportionaliteitseis (art. 41.1 Sr). Kon hof gelet op ontkennende houding van verdachte niet aannemelijk achten dat handelen van verdachte proportioneel was? HR herhaalt relevante overwegingen uit HR:2016:456 m.b.t. proportionaliteitseis bij noodweer. Hof heeft beroep op noodweer verworpen omdat het niet aannemelijk heeft geacht dat handelen van verdachte proportioneel was, “nu verdachte ontkent te hebben gestoken - en daarmee niet duidelijk is geworden in welke situatie hij zich bevond en waarom hij genoodzaakt was om te steken”. Volgens hof is onvoldoende inzicht gegeven in feitelijk verloop van aanranding om proportionaliteit van handelen van verdachte aannemelijk te kunnen achten. ’s Hofs oordeel is in het licht van wat is vooropgesteld niet zonder meer begrijpelijk, gelet op wat hof heeft vastgesteld over feitelijke gang van zaken (waarbij aangever cel binnenkwam waarin verdachte zich bevond, deur achter zich dichttrok, verdachte in hoek van cel dreef en op hem begon in te slaan) en daardoor ontstane noodweersituatie waarin verdachte zich bevond, toen hij aangever door hem met aardappelschilmesje in buik te steken letsel heeft toegebracht zoals beschreven in letselbeschrijving. Daarbij is ook van belang dat hof niet kenbaar in zijn oordeel heeft betrokken wat door verdediging is aangevoerd, dat erop neerkomt dat verdachte in paniek was en fysiek niet was opgewassen tegen aangever die “al zo’n 3 à 4 jaar vecht in de ring”. Volgt vernietiging en terugwijzing.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 24/04451</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Cassatie</description><issued>2026-09-29</issued><reference type="ECLI" relation="precededBy" lang="nl">ECLI:NL:GHARL:2024:8088</reference><reference type="ECLI" relation="precededBy" lang="nl">ECLI:NL:PHR:2026:775</reference></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:PHR:2026:775</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2026:775</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:PHR:2026:775"><country>NL</country><court>PHR</court></isVersionOf><creator lang="nl">Parket bij de Hoge Raad</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-08-18</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Conclusie</type><subject lang="nl">Strafrecht</subject><abstract lang="nl">Conclusie AG. Poging zware mishandeling door ander in gevangeniscel met mes te steken. Noodweer. Hof heeft oordeel dat niet aannemelijk is dat handelen van verdachte proportioneel was, niet zonder meer begrijpelijk en ontoereikend gemotiveerd, gelet op hetgeen raadsman heeft aangevoerd en verdachte heeft verklaard. Conclusie strekt tot vernietiging en terugwijzing van de zaak.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 24/04451</description><issued>2026-08-20</issued><reference type="ECLI" relation="followedBy" lang="nl">ECLI:NL:HR:2026:1543</reference></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:GHARL:2025:7295</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2025:7295</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:GHARL:2025:7295"><country>NL</country><court>GHARL</court></isVersionOf><creator lang="nl">Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2025-11-19</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Strafrecht</subject><abstract lang="nl">Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan medeplegen van poging tot doodslag. Het hof veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden (met aftrek van voorarrest), waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren. Daarnaast wijst het hof de vordering van de benadeelde partij toe en legt het een schadevergoedingsmaatregel op.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 21-005354-23</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Hoger beroep</description><issued>2025-11-25</issued><reference type="ECLI" relation="followedBy" lang="nl">ECLI:NL:HR:2026:1532</reference></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:HR:2026:1541</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2026:1541</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:HR:2026:1541"><country>NL</country><court>HR</court></isVersionOf><creator lang="nl">Hoge Raad</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-09-29</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Strafrecht</subject><abstract lang="nl">Art. 416.2 Sv na veroordeling t.z.v. mishandeling van politieambtenaar, art. 300.1 jo. 304.1.3 Sr. Ontvankelijkheid hoger beroep, appelschriftuur bij stukken. Kon hof (enkelvoudige kamer) oordelen dat door of namens verdachte geen schriftuur houdende grieven is ingediend en dat verdachte mede daarom ex art. 416.2 Sv n-o wordt verklaard in zijn h.b., nu hof geen acht heeft geslagen op appelschriftuur van raadsvrouw die zich bij stukken bevindt? HR: Om redenen vermeld in CAG slaagt middel. CAG: O.g.v. appelschriftuur die zich bij stukken bevindt en stukken die aan cassatieschriftuur zijn gehecht (ontvangstbevestigingen van Rb en OM, e-mailberichten van raadsvrouw aan hof en brief van griffier hof) moet in cassatie ervan worden uitgegaan dat tijdig vóór tz. in h.b. een schriftuur houdende grieven is ingediend. Gelet hierop is ’s hofs oordeel dat verdachte ex art. 416.2 Sv n-o wordt verklaard in h.b., niet begrijpelijk. Volgt vernietiging en terugwijzing.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 25/01991</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Cassatie</description><issued>2026-09-29</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:HR:2026:1532</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2026:1532</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:HR:2026:1532"><country>NL</country><court>HR</court></isVersionOf><creator lang="nl">Hoge Raad</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-09-29</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Strafrecht</subject><abstract lang="nl">Medeplegen poging tot doodslag door onder invloed van alcohol in 2022 in Hattem een ander te slaan, op de grond te houden en tegen zijn hoofd te schoppen, art. 287 Sr. HR: art. 80a RO, zonder schriftelijk standpunt AG.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 25/04214</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Cassatie, Artikel 80a RO-zaken</description><issued>2026-09-29</issued><reference type="ECLI" relation="precededBy" lang="nl">ECLI:NL:GHARL:2025:7295</reference></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RBOBR:2026:6850</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBOBR:2026:6850</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RBOBR:2026:6850"><country>NL</country><court>RBOBR</court></isVersionOf><creator lang="nl">Rechtbank Oost-Brabant</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-08-31</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Familierecht</subject><abstract lang="nl">Instelling bewind en mentorschap. Familieconflict. Levenstestament niet uitvoerbaar. Familieleden accepteren elkaars voorgestelde professionele uitvoerder niet. Benoeming door de rechtbank aangezochte professionele uitvoerder. Overwegingen kantonrechter in bijlage uit privacy-overweging.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 12032490 en 12032491</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Beschikking</description><issued>2026-09-23</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:GHARL:2026:4780</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2026:4780</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:GHARL:2026:4780"><country>NL</country><court>GHARL</court></isVersionOf><creator lang="nl">Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-07-21</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Burgerlijk recht</subject><abstract lang="nl">Opheffing beslag: misbruik van bevoegdheid (3:13 lid 2 BW).</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 200.359.922</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Hoger beroep</description><issued>2026-09-21</issued><reference type="ECLI" relation="precededBy" lang="nl">ECLI:NL:RBOVE:2025:4865</reference></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RBDHA:2026:26344</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:26344</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RBDHA:2026:26344"><country>NL</country><court>RBDHA</court></isVersionOf><creator lang="nl">Rechtbank Den Haag</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-08-11</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Familierecht</subject><abstract lang="nl">Voorlopige voorziening, Nederlands rechts toegepast i.p.v. Duits recht, partneralimentatie</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: C/09/702598 / FA RK 26-3255</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Eerste aanleg - enkelvoudig, Voorlopige voorziening, Beschikking</description><contributor lang="nl">Rechter(s): E. Boot</contributor><issued>2026-09-22</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:GHARL:2026:5452</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2026:5452</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:GHARL:2026:5452"><country>NL</country><court>GHARL</court></isVersionOf><creator lang="nl">Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-08-25</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Familierecht</subject><abstract lang="nl">Partneralimentatie. Geen verdiencapaciteit bij de vrouw. Geen reden tot herberekening van de door partijen in hun echtscheidingsconvenant afgesproken alimentatie.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 200.360.302/01</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Hoger beroep</description><issued>2026-09-23</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RBAMS:2026:9695</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:9695</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RBAMS:2026:9695"><country>NL</country><court>RBAMS</court></isVersionOf><creator lang="nl">Rechtbank Amsterdam</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-09-25</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Strafrecht</subject><abstract lang="nl">Ontneming op grond van artikel 36e, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht na het aanwezig hebben van 200 kilogram hennep: betalingsverplichting van € 16.303,71.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 13-140002-23 (ontneming)</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Eerste aanleg - meervoudig, Eerste en enige aanleg</description><contributor lang="nl">Rechter(s): M.C.H. Broesterhuizen, C. Bruil, H.B.W. Beekman</contributor><issued>2026-09-30</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RBMNE:2026:6618</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:6618</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RBMNE:2026:6618"><country>NL</country><court>RBMNE</court></isVersionOf><creator lang="nl">Rechtbank Midden-Nederland</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-09-16</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Burgerlijk recht</subject><abstract lang="nl">Toewijzing schadebegroting, eindvonnis. (ZIE OOK: ECLI:NL:RBMNE:2026:5629)</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: C/16/595530 / HA ZA 25-324</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Eerste aanleg - enkelvoudig</description><contributor lang="nl">Rechter(s): N.A.J. Purcell</contributor><issued>2026-09-30</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RBMNE:2026:5629</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:5629</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RBMNE:2026:5629"><country>NL</country><court>RBMNE</court></isVersionOf><creator lang="nl">Rechtbank Midden-Nederland</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-05-13</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Burgerlijk recht</subject><abstract lang="nl">Beeindigen contract onterecht. (ZIE OOK: ECLI:NL:RBMNE:2026:6618)</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: C/16/595530 / HA ZA 25-324</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Eerste aanleg - enkelvoudig, Tussenuitspraak</description><contributor lang="nl">Rechter(s): N.A.J. Purcell</contributor><issued>2026-08-18</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RBDHA:2026:27211</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:27211</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RBDHA:2026:27211"><country>NL</country><court>RBDHA</court></isVersionOf><creator lang="nl">Rechtbank Den Haag</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-09-16</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Insolventierecht</subject><abstract lang="nl">Faillietverklaring ontbonden vennootschap, baten summierlijk gebleken. Partijen hadden reeds regeling getroffen. Ontbindingsbesluit dag voor zitting. Verkoop en verdeling opbrengst activa niet inzichtelijk gemaakt.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: C/09/708474 / FT RK 26/399, C/09/26/332 F</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Eerste aanleg - enkelvoudig</description><contributor lang="nl">Rechter(s): L. Mundt</contributor><issued>2026-09-30</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RBROT:2026:12871</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:12871</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RBROT:2026:12871"><country>NL</country><court>RBROT</court></isVersionOf><creator lang="nl">Rechtbank Rotterdam</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-09-22</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Burgerlijk recht</subject><abstract lang="nl">VvE-zaak: nietige of vernietigbare besluiten. Eiseres niet-ontvankelijk mbt verzoek nietig verklaring ALV. Negatieve besluiten zijn geen besluiten nu deze niet zijn gericht op een rechtsgevolg (artikelen 2:14 en 2:15 BW) omdat ze niet zijn gericht op het vestigen, wijzigen of teniet doen gaan van rechtsverhoudingen binnen de organisatie van de VvE. Toetsingskaders nietig c.q. vernietigbaar besluit: artikel 2:14 lid 1 BW is een besluit van een orgaan van een rechtspersoon dat in strijd is met de wet of de statuten nietig behalve wanneer uit de wet iets anders voortvloeit. De akte van splitsing wordt gelijkgesteld met statuten (artikel 5:129 lid 1 BW) zodat een besluit dat strijdig is met de akte van splitsing ook nietig is en artikel 2:15 lid 1 sub b BW in samenhang met artikel 5:130 BW kan de kantonrechter een besluit vernietigen als dat besluit in strijd is met de redelijkheid en billijkheid die door artikel 2:8 BW wordt geëist. Dit is een marginale toets. Het gaat erom of de vergadering bij afweging van alle bij het besluit betrokken belangen in redelijkheid en billijkheid tot het besluit heeft kunnen komen. Artikel 2:8 lid 1 BW bepaalt dat een rechtspersoon en degenen die krachtens de wet en de statuten bij zijn organisatie zijn betrokken zich zodanig tegenover elkaar moeten gedragen naar wat door redelijkheid en billijkheid wordt gevorderd. Dit leidt tot het toetsingskader dat de vergadering van eigenaren bij afweging van alle bij het besluit betrokken belangen in redelijkheid en naar billijkheid tot het besluit heeft kunnen komen. Het woord “zodanig” brengt met zich mee dat in het toetsingskader moet worden betrokken de relatie tussen de vergadering van eigenaren en het betreffende lid, en dat vanwege het feit dat het om een verplicht lidmaatschap van een VvE gaat dat met zich mee kan brengen dat een minderheid van de leden zich geconfronteerd kan zien met een door dat lid ongewenst besluit nu dit inherent is aan het democratische karakter van de VvE wat daarnaast met zich meebrengt dat de minderheid zich in beginsel, ook al is ze het er niet mee eens, heeft te voegen naar het besluit. Weigeren personen met een volmacht. Besluiten over extra bijdragen worden vernietigd nu deze niet op de agenda waren geplaatst. VvE voert nog aan dat de extra bijdrage verband houdt met agendapunt 3 of in ieder geval daaruit voortvloeit en wijst naar artikel 38 lid 5 en 6 van het Modelreglement 1983. Dat die extra bijdrage uit enig agendapunt voortvloeit, kan zo zijn maar maakt niet dat het daarom niet apart geagendeerd hoeft te worden, zie artikel 33 lid 6 Modelreglement 1983. Verzoekster is na de overdracht van haar appartementsrecht geen lid meer van de VvE en heeft daarom geen belang meer bij het ontslag c.q. schorsing van de bestuurder van de VvE.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 12098728 VZ VERZ 26-483</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Beschikking</description><contributor lang="nl">Rechter(s): Mr. S.H. Poiesz</contributor><issued>2026-09-30</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RBMNE:2026:6607</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:6607</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RBMNE:2026:6607"><country>NL</country><court>RBMNE</court></isVersionOf><creator lang="nl">Rechtbank Midden-Nederland</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-09-16</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Burgerlijk recht</subject><abstract lang="nl">Afsluiten energieaansluiting wordt toegewezen. Gedaagde is niet op zitting verschenen en zonder toelichting zijn de door of namens haar ingediende stukken niet te plaatsen.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 12160021 \ UC EXPL 26-2600</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Eerste aanleg - enkelvoudig</description><contributor lang="nl">Rechter(s): M. Ramsaroep</contributor><issued>2026-09-30</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RVS:2026:4391</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2026:4391</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RVS:2026:4391"><country>NL</country><court>RVS</court></isVersionOf><creator lang="nl">Raad van State</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-07-30</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Bestuursrecht</subject><abstract lang="nl">[appellant] heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-­Brabant van 10 maart 2023 in zaak nr. 22/1097. De minister voor Rechtsbescherming heeft de vertrouwelijke versie van één gedingstuk overgelegd en met verwijzing naar artikel 8:29 van de Awb medegedeeld dat uitsluitend de Afdeling kennis zal mogen nemen van dit stuk. Het betreft een advies van het Openbaar Ministerie. [appellant] heeft de minister verzocht om openbaarmaking van een aantal documenten over de landsadvocaat. De minister heeft dat verzoek afgewezen vanwege de veiligheid van de staat en omdat openbaarmaking niet opweegt tegen het belang van eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer. De rechtbank heeft overwogen dat de minister dat mocht doen. [appellant] komt op tegen de uitspraak van de rechtbank. De minister heeft de documenten waarop het verzoek van [appellant] ziet aan de Afdeling toegestuurd. Voor deze documenten gaat de Afdeling er zonder verder onderzoek van uit dat alleen zij zelf kennisneemt van de stukken. Dat staat in artikel 2.5.4, vijfde lid, van de Procesregeling bestuursrechterlijke colleges 2026.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 202302725/2/A3</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Hoger beroep</description><issued>2026-08-05</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RVS:2026:4390</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2026:4390</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RVS:2026:4390"><country>NL</country><court>RVS</court></isVersionOf><creator lang="nl">Raad van State</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-07-30</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Bestuursrecht</subject><abstract lang="nl">[appellant] heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Oost­-Brabant van 10 maart 2023 in zaak nr. 20/1241. [appellant] heeft de korpschef verzocht om inzage in zijn gegevens. De korpschef heeft dat verzoek afgewezen. In het bijzonder wil [appellant] weten of zijn gegevens zijn opgenomen in het Schengen Informatiesysteem II of voorkomen in het Opsporingssysteem. De korpschef heeft dat verzoek afgewezen. De rechtbank heeft overwogen dat de korpschef dat mocht doen. [appellant] komt op tegen de uitspraak van de rechtbank. De korpschef heeft de documenten waar de gegevens in staan met een nadere motivering aan de Afdeling toegestuurd. Voor de documenten met gegevens die [appellant] wil inzien, gaat de Afdeling er zonder verder onderzoek van uit dat alleen zij zelf kennisneemt van de stukken. Dat staat in artikel 2.5.4, vijfde lid, van de Procesregeling bestuursrechterlijke colleges 2026.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 202302723/2/A3</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Hoger beroep</description><issued>2026-08-05</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RBMNE:2026:6605</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:6605</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RBMNE:2026:6605"><country>NL</country><court>RBMNE</court></isVersionOf><creator lang="nl">Rechtbank Midden-Nederland</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-09-16</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Burgerlijk recht</subject><abstract lang="nl">Curator is q.q. aansprakelijk voor het leggen van een beslag zonder grondslag. Aansprakelijkheid pro se wordt afgewezen. Schadevergoeding wordt afgewezen.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: C/16/605946 / HL ZA 26-26</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Eerste aanleg - enkelvoudig</description><contributor lang="nl">Rechter(s): A. Blanke</contributor><issued>2026-09-30</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RBNNE:2026:4115</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNNE:2026:4115</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RBNNE:2026:4115"><country>NL</country><court>RBNNE</court></isVersionOf><creator lang="nl">Rechtbank Noord-Nederland</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-09-08</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Strafrecht</subject><abstract lang="nl">Brandstichting (art. 157 Sr), gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar. Auto in brand gestoken die op oprit naast woning stond. Gevangenisstraf van 30 maanden waarvan 10 voorwaardelijk, proeftijd 3 jaren.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 18-084870-26</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Eerste aanleg - meervoudig, Op tegenspraak</description><contributor lang="nl">Rechter(s): mr. J.G.W. Lootsma - Oude Nijeweme, mr. J. Teertstra, E.S. Van den Berg</contributor><issued>2026-09-30</issued><reference relation="citing" lang="nl">Wetboek van Strafrecht 63</reference></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RBNHO:2026:12017</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2026:12017</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RBNHO:2026:12017"><country>NL</country><court>RBNHO</court></isVersionOf><creator lang="nl">Rechtbank Noord-Holland</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-09-09</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Familierecht</subject><abstract lang="nl">Erfrecht; uitleg van uiterste wil; artikel 4:46 BW; verhoudingen die de erflater heeft willen regelen. Met eisers, zusters van erflater, is rechtbank van oordeel dat het vervalbeding ter zake de tweetrapsmaking bij de uitleg van het testament buiten beschouwing moet worden gelaten. Dit is kennelijk abusievelijk opgenomen. Netto-opbrengst verkoop woning erflater komt toe aan zusters als verwachters en niet aan de erfgenaam van de na de erflater overleden bezwaarde, de (bij zijn dood) geregistreerd partner van erflater.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: C/15/365463</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Bodemzaak</description><issued>2026-09-28</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RBDHA:2025:28153</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:28153</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RBDHA:2025:28153"><country>NL</country><court>RBDHA</court></isVersionOf><creator lang="nl">Rechtbank Den Haag</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2025-09-02</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Bestuursrecht</subject><abstract lang="nl">Afwijzing aanvraag bewonersparkeervergunning vanwege POET in de vorm van parkeergarage - beroep op hardheidsclausule en evenredigheidsbeginsel i.v.m. medische en financiële omstandigheden slaagt niet - beroep ongegrond.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: SGR 25/1858</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Eerste aanleg - enkelvoudig</description><contributor lang="nl">Rechter(s): D.C. Laagland</contributor><issued>2026-09-30</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RBNNE:2026:4130</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNNE:2026:4130</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RBNNE:2026:4130"><country>NL</country><court>RBNNE</court></isVersionOf><creator lang="nl">Rechtbank Noord-Nederland</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-09-29</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Familierecht</subject><abstract lang="nl">Gezamenlijk gezag afgewezen. Verzoek omgangsregeling aangehouden in verband met onvoldoende onderbouwing van risico op eergerelateerd geweld en kinderontvoering.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: C/19/153564</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Eerste aanleg - enkelvoudig</description><contributor lang="nl">Rechter(s): M.C. van Woudenberg</contributor><issued>2026-09-30</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RBZWB:2026:8893</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:8893</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RBZWB:2026:8893"><country>NL</country><court>RBZWB</court></isVersionOf><creator lang="nl">Rechtbank Zeeland-West-Brabant</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-09-10</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Arbeidsrecht</subject><abstract lang="nl">Partijen zijn het met elkaar over eens dat de arbeidsverhouding duurzaam is verstoord. Er is sprake van een opzegverbod, maar dat staat in dit geval niet in de weg aan ontbinding van de arbeidsovereenkomst.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 12299304 \ AZ VERZ 26-32</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Beschikking</description><issued>2026-09-30</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RBMNE:2026:6629</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:6629</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RBMNE:2026:6629"><country>NL</country><court>RBMNE</court></isVersionOf><creator lang="nl">Rechtbank Midden-Nederland</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-09-17</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Arbeidsrecht</subject><abstract lang="nl">Werknemer treedt in dienst bij tweede werkgever zonder dit te melden bij eerste werkgever en meld zich daarna ziek bij eerste werkgever. Rechtsgeldig ontslag op staande voet. Werknemer moet ontvangen loon terugbetalen.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 12041616 UE VERZ 26-8 en 12046952 \ UE VERZ 26-10</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Beschikking</description><contributor lang="nl">Rechter(s): D.C.P.M. Straver</contributor><issued>2026-09-30</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RBMNE:2026:6620</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:6620</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RBMNE:2026:6620"><country>NL</country><court>RBMNE</court></isVersionOf><creator lang="nl">Rechtbank Midden-Nederland</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-09-16</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Burgerlijk recht</subject><abstract lang="nl">betaling factuur toegewezen. geen gevolgen verbonden aan verweer dat geleverde niet correct is.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 12230147 \ MC EXPL 26-2563 AW/1583</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Eerste aanleg - enkelvoudig</description><contributor lang="nl">Rechter(s): G.J. Baken</contributor><issued>2026-09-30</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RBNNE:2026:4133</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNNE:2026:4133</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RBNNE:2026:4133"><country>NL</country><court>RBNNE</court></isVersionOf><creator lang="nl">Rechtbank Noord-Nederland</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-07-07</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Familierecht</subject><abstract lang="nl">Artikel 8.9 Wvggz. Betrokkene verzet zich tegen overplaatsing. De zorgverantwoordelijke kan niet tot uitvoering van de verplichte zorg in de vorm van het opnemen in een accommodatie overgaan, dan nadat zij met betrokkene hierover overleg heeft gevoerd. Daarnaast moet de zorgverantwoordelijke de beslissing op schrift stellen als bedoeld in het tweede lid van artikel 8.9. Wvggz en moet de geneesheer-directeur betrokkene een afschrift van de beslissing geven. Overplaatsing voldeed aan de algemene uitgangspunten van proportionaliteit, subsidiariteit en doelmatigheid.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: C/18/252534 / FA RK 26-768</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Eerste aanleg - meervoudig</description><contributor lang="nl">Rechter(s): M.C. van Woudenberg, J.S. Bartstra, E. Brouwer</contributor><issued>2026-09-30</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RBNHO:2026:12475</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2026:12475</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RBNHO:2026:12475"><country>NL</country><court>RBNHO</court></isVersionOf><creator lang="nl">Rechtbank Noord-Holland</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-09-22</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Bestuursrecht</subject><abstract lang="nl">De rechtbank oordeelt dat verweerder bevoegd was om een eis tot naleving op te leggen. De Arbeidsinspectie heeft tijdens de inspecties over een langere periode ernstige overschrijdingen geconstateerd van normen voor fysieke belasting en het ontbreken van een risico-inventarisatie en -evaluatie. Mede gelet op die lange historie van contact over overschrijdingen meent de rechtbank dat een termijn van drie maanden om maatregelen te treffen niet te kort is en ook uitvoerbaar. Voorts meent de rechtbank dat verweerder de toegepaste rekenmethode ten grondslag kon leggen aan het bestreden besluit. Ten slotte overweegt de rechtbank dat, omdat in bezwaar al voldaan was aan de individuele eis van een risico-inventarisatie en -evaluatie, deze eis niet meer gesteld kon worden en in het bestreden besluit herroepen had moeten worden. Het overige deel van het besluit blijft in stand. Het beroep is dus gegrond.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: HAA 25/712</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Eerste aanleg - meervoudig</description><contributor lang="nl">Rechter(s): J. de Vries, M.H. Affourtit-Kramer, R. Brouwer</contributor><issued>2026-09-30</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RBMNE:2026:6642</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:6642</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RBMNE:2026:6642"><country>NL</country><court>RBMNE</court></isVersionOf><creator lang="nl">Rechtbank Midden-Nederland</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-08-26</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Burgerlijk recht</subject><abstract lang="nl">Totstandkoming en uitleg van bemiddelingsovereenkomst art. 7:425 BW. Courtage. Geen sprake van bekrachtiging door de opgerichte BV ex artikel 2:203 BW.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: C/16/600346 / HA ZA 25-490</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Eerste aanleg - enkelvoudig</description><contributor lang="nl">Rechter(s): K.G.F. van der Kraats</contributor><issued>2026-09-30</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RBDHA:2025:28154</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:28154</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RBDHA:2025:28154"><country>NL</country><court>RBDHA</court></isVersionOf><creator lang="nl">Rechtbank Den Haag</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2025-09-02</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Bestuursrecht</subject><abstract lang="nl">Afwijzing aanvraag urgentieverklaring - verweerder mocht aanvraag afwijzen vanwege meerdere weigeringsgronden - verweerder was niet gehouden een onafhankelijk medisch onderzoek uit te laten voeren - beroep op hardheidsclausule slaagt niet - beroep ongegrond.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: SGR 25/2580</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Eerste aanleg - enkelvoudig</description><contributor lang="nl">Rechter(s): D.C. Laagland</contributor><issued>2026-09-30</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RBMNE:2026:6623</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:6623</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RBMNE:2026:6623"><country>NL</country><court>RBMNE</court></isVersionOf><creator lang="nl">Rechtbank Midden-Nederland</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-09-16</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Burgerlijk recht</subject><abstract lang="nl">Vrijwaring (art. 210 Rv); Referte.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: C/16/610987 / HA ZA 26-225</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Eerste aanleg - enkelvoudig</description><contributor lang="nl">Rechter(s): J.G. van Ommeren</contributor><issued>2026-09-30</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RBMNE:2026:6643</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:6643</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RBMNE:2026:6643"><country>NL</country><court>RBMNE</court></isVersionOf><creator lang="nl">Rechtbank Midden-Nederland</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-09-18</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Burgerlijk recht</subject><abstract lang="nl">Verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst wegens bedrijfseconomische redenen toegewezen. Herplaatsing. Wel transitievergoeding geen billijke vergoeding</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 12232411 \ UE VERZ 26-212</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Beschikking</description><contributor lang="nl">Rechter(s): D.A. van Steenbeek</contributor><issued>2026-09-30</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RBLIM:2026:9864</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:9864</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RBLIM:2026:9864"><country>NL</country><court>RBLIM</court></isVersionOf><creator lang="nl">Rechtbank Limburg</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-09-18</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Arbeidsrecht</subject><abstract lang="nl">Vordering tot wedertewerkstelling en loonvorderingen worden toegewezen omdat aannemelijk is geworden dat over de verlenging van de arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd overeenstemming is bereikt.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 12285895 \ CV EXPL 26-3409</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Kort geding</description><issued>2026-09-23</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RBROT:2026:12847</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:12847</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RBROT:2026:12847"><country>NL</country><court>RBROT</court></isVersionOf><creator lang="nl">Rechtbank Rotterdam</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-08-26</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Familierecht</subject><abstract lang="nl">Verlenging ondertoezichtstelling op verzoek van de gecertificeerde instelling en vaststelling hoofdverblijfplaats op verzoek van de bijzondere curator. Afwijzing verzoek verlenging machtiging uithuisplaatsing. Herbenoeming bijzondere curator. Aanhouding resterende deel verzoek.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: C/10/713071 / JE RK 26-47 en C/10/724060 / JE RK 26-1508</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Beschikking</description><contributor lang="nl">Rechter(s): mr. A.A. de Nijs</contributor><issued>2026-09-30</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RBDHA:2026:26890</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:26890</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RBDHA:2026:26890"><country>NL</country><court>RBDHA</court></isVersionOf><creator lang="nl">Rechtbank Den Haag</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-09-16</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Sociale-zekerheidsrecht</subject><abstract lang="nl">Beroep gegrond. Bijzondere bijstand voor de kosten van bewindvoering. Het college had, gelet op de machtiging van de kantonrechter, de hoogte van de bijzondere bijstand moeten baseren op het tarief voor een bewindvoerder in een bewind met problematische schulden. Het onderzoek van het college kan niet zo ver strekken dat het neerkomt op de toetsing van van de werkzaamheden die een bewindvoerder verricht ter vaststelling van het toepasselijke tarief.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: SGR 25/541</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Eerste aanleg - enkelvoudig</description><contributor lang="nl">Rechter(s): M.M. Meessen</contributor><issued>2026-09-30</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RBMNE:2026:6625</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:6625</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RBMNE:2026:6625"><country>NL</country><court>RBMNE</court></isVersionOf><creator lang="nl">Rechtbank Midden-Nederland</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-09-16</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Burgerlijk recht</subject><abstract lang="nl">Incident tot voeging van een "derde" partij in de zaak op grond van artikel 217 Rv</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: C/16/612232 / HA ZA 26-273</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Eerste aanleg - enkelvoudig</description><contributor lang="nl">Rechter(s): J.A. Schuman</contributor><issued>2026-09-30</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RBNNE:2026:4033</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNNE:2026:4033</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RBNNE:2026:4033"><country>NL</country><court>RBNNE</court></isVersionOf><creator lang="nl">Rechtbank Noord-Nederland</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-09-10</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Bestuursrecht</subject><abstract lang="nl">Verzoek om voorlopige voorziening. Besluit van de raad van de orde van Advocaten Noord-Nederland (de raad) waarin de goedkeuring aan de aanvraag van een nieuwe patroon is onthouden, omdat de raad de beoogd patroon als patroon ongeschikt acht. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: LEE 26/2428 en LEE 26/2796</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Voorlopige voorziening</description><contributor lang="nl">Rechter(s): F. Sijens</contributor><issued>2026-09-30</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RBDHA:2026:28831</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:28831</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RBDHA:2026:28831"><country>NL</country><court>RBDHA</court></isVersionOf><creator lang="nl">Rechtbank Den Haag</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-09-29</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Bestuursrecht</subject><abstract lang="nl">Plakvovo. Verzoek afgewezen.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: NL26.51029</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Voorlopige voorziening</description><issued>2026-09-30</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RBROT:2026:12499</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:12499</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RBROT:2026:12499"><country>NL</country><court>RBROT</court></isVersionOf><creator lang="nl">Rechtbank Rotterdam</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-09-23</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Burgerlijk recht</subject><abstract lang="nl">CMR. Vonnis na getuigenverhoor. Gedaagde in conventie is geslaagd in de aan haar opgedragen bewijsopdracht dat de lading is geladen in de vrachtwagen met de door eiseres in conventie doorgegeven kentekenplaten. Begroting schade van gedaagde in conventie. Verrekening vorderingen over en weer.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: C/10/668639 HA ZA 23-980</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Eerste aanleg - enkelvoudig</description><issued>2026-09-30</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RBDHA:2026:28830</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:28830</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RBDHA:2026:28830"><country>NL</country><court>RBDHA</court></isVersionOf><creator lang="nl">Rechtbank Den Haag</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-09-29</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Bestuursrecht</subject><abstract lang="nl">Asiel aanvraag buiten behandeling gesteld – persoonlijk onderhoud – niet verschenen gehoor – uitnodiging niet ontvangen – TKB gehandhaafd – beroep ongegrond.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: NL26.51028</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Eerste aanleg - enkelvoudig</description><issued>2026-09-30</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RBDHA:2026:28835</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:28835</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RBDHA:2026:28835"><country>NL</country><court>RBDHA</court></isVersionOf><creator lang="nl">Rechtbank Den Haag</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-09-29</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Bestuursrecht</subject><abstract lang="nl">Visum kort verblijf; vragenlijst; hoorplicht; ongegrond.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: NL26.8896</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Eerste aanleg - enkelvoudig</description><issued>2026-09-30</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RBNNE:2026:4031</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNNE:2026:4031</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RBNNE:2026:4031"><country>NL</country><court>RBNNE</court></isVersionOf><creator lang="nl">Rechtbank Noord-Nederland</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-09-10</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Bestuursrecht</subject><abstract lang="nl">Verzoek om voorlopige voorziening. Besluit van de raad van de orde van Advocaten Noord-Nederland (de raad) waarin de goedkeuring aan de aanvraag van een nieuwe patroon is onthouden, omdat de raad de beoogd patroon als patroon ongeschikt acht. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: LEE 26/2422 en LEE 26/2427</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Voorlopige voorziening</description><contributor lang="nl">Rechter(s): F. Sijens</contributor><issued>2026-09-30</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:OGEAC:2025:379</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:OGEAC:2025:379</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:OGEAC:2025:379"><country>NL</country><court>OGEAC</court></isVersionOf><creator lang="nl">Gerecht in eerste aanleg van Curaçao</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2025-04-28</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Burgerlijk recht</subject><abstract lang="nl">Partijen hebben een koopaannemingsovereenkomst gesloten. Partijen hebben een geschil over de uitvoering daarvan.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: CUR202402263</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Eerste aanleg - enkelvoudig</description><contributor lang="nl">Rechter(s): I. Tubben</contributor><issued>2026-09-30</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RBDHA:2025:28156</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:28156</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RBDHA:2025:28156"><country>NL</country><court>RBDHA</court></isVersionOf><creator lang="nl">Rechtbank Den Haag</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2025-10-28</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Bestuursrecht</subject><abstract lang="nl">Afwijzing aanvraag VOG - inmenging artikel 8 EVRM is gerechtvaardigd - verweerder heeft voldoende gemotiveerd dat aan het objectieve criterium is voldaan en dat de belangenafweging in eisers nadeel uitvalt - beroep ongegrond.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: SGR 25/1713</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Eerste aanleg - enkelvoudig</description><contributor lang="nl">Rechter(s): W.A. Timmer</contributor><issued>2026-09-30</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RBDHA:2025:28155</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:28155</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RBDHA:2025:28155"><country>NL</country><court>RBDHA</court></isVersionOf><creator lang="nl">Rechtbank Den Haag</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2025-09-18</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Bestuursrecht</subject><abstract lang="nl">Asiel - Sierra Leone - besluit zorgvuldig tot stand gekomen - verweerder mocht problemen met het Poro-genootschap ongeloofwaardig vinden - beroep ongegrond.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: NL25.33065</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Eerste aanleg - enkelvoudig</description><contributor lang="nl">Rechter(s): J. Holleman</contributor><issued>2026-09-30</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RBMNE:2026:6614</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:6614</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RBMNE:2026:6614"><country>NL</country><court>RBMNE</court></isVersionOf><creator lang="nl">Rechtbank Midden-Nederland</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-09-16</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Burgerlijk recht</subject><abstract lang="nl">Huurachterstand van ruim 15 maanden. Ontbinding huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde. Betaling huurachterstand en gebruiksvergoeding.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 12204529 \ MC EXPL 26-2223</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Eerste aanleg - enkelvoudig</description><contributor lang="nl">Rechter(s): R.M. Berendsen</contributor><issued>2026-09-30</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RBZWB:2026:8895</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:8895</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RBZWB:2026:8895"><country>NL</country><court>RBZWB</court></isVersionOf><creator lang="nl">Rechtbank Zeeland-West-Brabant</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-09-03</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Arbeidsrecht</subject><abstract lang="nl">Werknemer laat niets meer van zich horen en verricht ook geen werkzaamheden meer. De werkgever heeft geprobeerd nadere afspraken te maken, maar werknemer reageert daar niet op of verschijnt niet op de afspraak. Arbeidsovereenkomst wordt ontbonden vanwege verwijtbaar handelen dan wel nalaten van de werknemer.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 12205877 \ AZ VERZ 26-35 (E)</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Beschikking</description><issued>2026-09-30</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RBGEL:2026:7232</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2026:7232</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RBGEL:2026:7232"><country>NL</country><court>RBGEL</court></isVersionOf><creator lang="nl">Rechtbank Gelderland</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-09-21</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Strafrecht</subject><abstract lang="nl">De rechtbank veroordeelt een 44-jarige man uit Barneveld voor het jarenlang seksueel misbruiken van zijn minderjarige (stief)dochters. Daarnaast is de man schuldig aan het maken van stiekeme opnames met een spycamera op zijn toilet. De rechtbank legt een celstraf op van 7 jaar.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 05-053986-26</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Eerste aanleg - meervoudig</description><issued>2026-09-24</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RBDHA:2026:28834</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:28834</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RBDHA:2026:28834"><country>NL</country><court>RBDHA</court></isVersionOf><creator lang="nl">Rechtbank Den Haag</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-08-06</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Bestuursrecht</subject><abstract lang="nl">VK; beëindiging verblijfsrecht als gemeenschapsonderdaan; Chavez-Vilchez; daadwerkelijke zorg- en opvoedingstaken; frustratie van de omgang; afhankelijkheidsverhouding; hoorplicht; ogg.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: NL24.21657</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Eerste aanleg - enkelvoudig</description><contributor lang="nl">Rechter(s): mr. E.C. Harting</contributor><issued>2026-09-30</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RBZWB:2026:8901</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:8901</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RBZWB:2026:8901"><country>NL</country><court>RBZWB</court></isVersionOf><creator lang="nl">Rechtbank Zeeland-West-Brabant</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-09-04</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Arbeidsrecht</subject><abstract lang="nl">De rechtbank ontvangt een verzoek/brief met het verzoek om de arbeidsovereenkomst van twee zieke medewerkers te ontbinden. Ondanks meerdere verzoeken vult verzoeker de verzoeken niet aan. Ook ontbreekt de personalia van verweerders. Werkgever wordt niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzoek(en).</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 12230969 \ AZ VERZ 26-37 (E)</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Beschikking</description><issued>2026-09-30</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RBMNE:2026:6609</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:6609</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RBMNE:2026:6609"><country>NL</country><court>RBMNE</court></isVersionOf><creator lang="nl">Rechtbank Midden-Nederland</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-09-16</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Burgerlijk recht</subject><abstract lang="nl">Onbetaalde factuur moet worden betaald. Beroep op verrekening slaagt niet.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 12062264 \ MC EXPL 26-294</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Eerste aanleg - enkelvoudig</description><contributor lang="nl">Rechter(s): R.M. Berendsen</contributor><issued>2026-09-30</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:GHSHE:2025:3008</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2025:3008</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:GHSHE:2025:3008"><country>NL</country><court>GHSHE</court></isVersionOf><creator lang="nl">Gerechtshof 's-Hertogenbosch</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2025-10-30</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Familierecht</subject><abstract lang="nl">1:251a BW. Uitgangspunt is gezamenlijk gezag en geen reden om hiervan af te wijken.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 200.351.789_01</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Hoger beroep</description><contributor lang="nl">Rechter(s): J.C.E. Ackermans-Wijn, G.M. Goes, F. Dunki Jacobs</contributor><issued>2026-09-30</issued><reference relation="citing" lang="nl">Burgerlijk Wetboek Boek 1 251a</reference></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RBNNE:2026:4134</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNNE:2026:4134</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RBNNE:2026:4134"><country>NL</country><court>RBNNE</court></isVersionOf><creator lang="nl">Rechtbank Noord-Nederland</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-03-16</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Familierecht</subject><abstract lang="nl">De Raad heeft na onderzoek geadviseerd de man niet mede met het gezag over de kinderen te belasten en hem de omgang met de kinderen te ontzeggen (mede) op grond van risico op eer gerelateerd geweld en kinderontvoering. De Raad heeft voorafgaand aan de mondelinge behandeling aan de rechtbank laten weten niet op de mondelinge behandeling aanwezig te zullen zijn, niet in persoon en niet via een digitale verbinding. De Raad heeft daarvoor als reden opgegeven dat er sprake zou zijn van risico's voor de veiligheid van de zittingsvertegenwoordiger. De rechtbank heeft de beslissing op de verzoeken die zien op het gezag en de omgangsregeling aanhouden tot een nader te bepalen mondelinge behandeling, waarvoor de Raad nogmaals zal worden opgeroepen te verschijnen. Indien en voor zover de Raad aan die oproeping geen gehoor zou willen te geven wordt de Raad verzocht dit tijdig schriftelijk en gemotiveerd aan de rechtbank kenbaar te maken.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: C/19/153564 / FA RK 25-2195</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Eerste aanleg - enkelvoudig</description><contributor lang="nl">Rechter(s): M.C. van Woudenberg</contributor><issued>2026-09-30</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RBDHA:2026:26887</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:26887</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RBDHA:2026:26887"><country>NL</country><court>RBDHA</court></isVersionOf><creator lang="nl">Rechtbank Den Haag</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-09-16</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Bestuursrecht</subject><abstract lang="nl">Voorlopige voorziening. Wmo maatwerkvoorziening individuele begeleiding en persoonlijke verzorging. ZIN toegekend. Onvoldoende geblekeken dat de afwijzing van het pgb voor persoonlijke verzorging voldoende recht doet aan de ondersteuningsbehoefte. Gedeeltelijke toekenning van het verzoek.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: SGR 26/5543</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Eerste aanleg - enkelvoudig, Voorlopige voorziening</description><contributor lang="nl">Rechter(s): T.A. Oudenaarden</contributor><issued>2026-09-30</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RBDHA:2026:26888</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:26888</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RBDHA:2026:26888"><country>NL</country><court>RBDHA</court></isVersionOf><creator lang="nl">Rechtbank Den Haag</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-09-16</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Bestuursrecht</subject><abstract lang="nl">Voorlopige voorziening afgewezen. Geen spoed. Verzoeker is 18 jaar en komt in beginsel niet meer in aanmerking voor jeugdhulp. Niet aannemelijk dat het uitblijven van jeugdhulp op dit moment een direct gevaar oplevert of onherstelbare gevolgen heeft.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: SGR 26/5459</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Eerste aanleg - enkelvoudig, Voorlopige voorziening</description><contributor lang="nl">Rechter(s): T.A. Oudenaarden</contributor><issued>2026-09-30</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:GHARL:2025:2759</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2025:2759</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:GHARL:2025:2759"><country>NL</country><court>GHARL</court></isVersionOf><creator lang="nl">Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2025-05-06</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Burgerlijk recht</subject><abstract lang="nl">Erfrecht, aanvullende legitieme portie. Ontbinding schenkingsovereenkomst vanwege onvoorziene omstandigheden? Bewijsopdracht Art. 4:67, 4:70 BW, art. 6:258 BW, 150 Rv</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 200.339.628</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Hoger beroep</description><issued>2026-09-30</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RBDHA:2018:5657</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2018:5657</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RBDHA:2018:5657"><country>NL</country><court>RBDHA</court></isVersionOf><creator lang="nl">Rechtbank Den Haag</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2018-03-27</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Burgerlijk recht</subject><abstract lang="nl">Aanbesteding. Herbeoordeling of heraanbesteding vanwege gebrekkige procedure.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: C-09-546707-KG ZA 18-73</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Kort geding</description><contributor lang="nl">Rechter(s): G.H.I.J. Hage</contributor><issued>2018-05-15</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:PHR:2019:452</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2019:452</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:PHR:2019:452"><country>NL</country><court>PHR</court></isVersionOf><creator lang="nl">Parket bij de Hoge Raad</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2019-04-26</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Conclusie</type><subject lang="nl">Burgerlijk recht</subject><abstract lang="nl">Art. 81 lid 1 RO. Aanbestedingsrecht. Europese aanbesteding door gemeente. Onrechtmatige daad (art. 6:162 BW). Klacht dat inschrijver aan wie opdracht is gegund, niet voldeed aan de inschrijvingseisen. Gelijkwaardig certificaat of 'ander bewijs' als bedoeld in art. 49 Richtlijn EU/2004/18, art. 51 lid 2 Bao en art. 2.20.2 ARW 2005. Is de ARW 2005 'recht' in de zin van art. 79 RO? Kan partner in combinatie die inschrijving deed pro se schadevordering instellen?</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 18/01693</description><issued>2019-06-07</issued><reference type="ECLI" relation="followedBy" lang="nl">ECLI:NL:HR:2019:1172</reference></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RBNNE:2017:1884</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNNE:2017:1884</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RBNNE:2017:1884"><country>NL</country><court>RBNNE</court></isVersionOf><creator lang="nl">Rechtbank Noord-Nederland</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2017-05-24</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Burgerlijk recht</subject><abstract lang="nl">Aanbesteding. Beoordeling kwalitatieve selectiecriteria. Niet aannemelijk geworden dat de Gemeente evidente beoordelingsfouten heeft gemaakt.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: C/17/154202 / KG ZA 17-67</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Kort geding</description><contributor lang="nl">Rechter(s): mr. H.J. Idzenga</contributor><issued>2017-05-24</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RBOBR:2016:5477</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBOBR:2016:5477</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RBOBR:2016:5477"><country>NL</country><court>RBOBR</court></isVersionOf><creator lang="nl">Rechtbank Oost-Brabant</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2016-10-04</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Bestuursrecht</subject><abstract lang="nl">Wet op het Primair Onderwijs. Stichting voor basisonderwijs heeft bezwaar gemaakt tegen de hoogte van het bedrag dat door het college van burgemeester en wethouders aan haar is toegekend voor buitenonderhoud aan schoolgebouwen. Het college heeft het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard omdat volgens hem geen sprake is van een besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Rechtbank is van oordeel dat daarvan wel sprake is.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 16_845</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Eerste aanleg - meervoudig</description><contributor lang="nl">Rechter(s): M. van den Brink, M.H. Dworakowski-Kelders, J. Lie</contributor><issued>2016-10-11</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:GHDHA:2015:823</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2015:823</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:GHDHA:2015:823"><country>NL</country><court>GHDHA</court></isVersionOf><creator lang="nl">Gerechtshof Den Haag</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2015-04-21</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Burgerlijk recht</subject><abstract lang="nl">Overheidsaanbesteding. Beoordeling van het gunningscriterium "kwaliteit" door een commissie van deskundigen. Nieuwe feiten gesteld in hoger beroep. Mede daarom een andere uitkomst dan het vonnis in eerste aanleg (ECLI:NL:RBDHA:2015:1124).</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 200.164.278-01</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Hoger beroep kort geding</description><contributor lang="nl">Rechter(s): mr.Van den Berg, mr.Dousma-Valk, mr.Kaal</contributor><issued>2015-04-21</issued><reference type="ECLI" relation="precededBy" lang="nl">ECLI:NL:RBDHA:2015:1124</reference></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RBDHA:2015:4825</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2015:4825</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RBDHA:2015:4825"><country>NL</country><court>RBDHA</court></isVersionOf><creator lang="nl">Rechtbank Den Haag</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2015-04-24</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Burgerlijk recht</subject><abstract lang="nl">Kort geding, aanbestedingsrecht; manipulatieve inschrijving; vordering tot ongeldigverklaring winnende inschrijving afgewezen, aangezien eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat deze manipulatief of abnormaal laag is.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: C-09-483112 - KG ZA 15-217</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Kort geding</description><contributor lang="nl">Rechter(s): M.E. Groeneveld-Stubbe</contributor><issued>2015-05-13</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RBDHA:2015:10440</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2015:10440</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RBDHA:2015:10440"><country>NL</country><court>RBDHA</court></isVersionOf><creator lang="nl">Rechtbank Den Haag</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2015-09-03</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Burgerlijk recht</subject><abstract lang="nl">Kort geding. Aanbesteding. Op 3 september 2015 is uitspraak gedaan in vijf afzonderlijke kort gedingen over een aanbestedingsprocedure met betrekking tot deurwaardersdiensten ten behoeve van het CJIB. De voorzieningenrechter heeft geoordeeld dat op voorhand vast staat dat op basis van loting zal worden bepaald wie voor gunning in aanmerking komt. Dat verdraagt zich niet met het doel en karakter van de aanbestedingsprocedure en is een gebrek dat een zo wezenlijk onderdeel van de procedure betreft, dat de aanbestedingsprocedure moet worden afgebroken.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: C/09/490003 / KG ZA 15/804</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Kort geding</description><contributor lang="nl">Rechter(s): G.H.I.J. Hage</contributor><issued>2015-09-03</issued><reference relation="citing" lang="nl">Aanbestedingswet 2012</reference><reference relation="citing" lang="nl">Aanbestedingswet 2012 1.4</reference></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RBDHA:2015:5527</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2015:5527</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RBDHA:2015:5527"><country>NL</country><court>RBDHA</court></isVersionOf><creator lang="nl">Rechtbank Den Haag</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2015-04-28</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Burgerlijk recht</subject><abstract lang="nl">Kort geding; schorsende werking cassatieberoep 552 a Sv; eisers maken bezwaar tegen afgifte van (privacygevoelige) gegevens aan verdachten in een strafzaak. Het beklag van eisers op de voet van 552a Sv ongegrond is verklaard. De voorzieningenrechter oordeelt dat er geen grond is om schorsende werking te verlenen aan het door eisers tegen die ongegrondverklaring ingestelde cassatieberoep.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: C-09-484191 KG ZA 15-303</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Kort geding</description><contributor lang="nl">Rechter(s): M.E. Groeneveld-Stubbe</contributor><issued>2015-05-13</issued><reference relation="citing" lang="nl">Aanbestedingswet 2012</reference><reference relation="citing" lang="nl">Aanbestedingswet 2012 2.114</reference></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RBDHA:2015:10439</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2015:10439</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RBDHA:2015:10439"><country>NL</country><court>RBDHA</court></isVersionOf><creator lang="nl">Rechtbank Den Haag</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2015-09-03</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Burgerlijk recht</subject><abstract lang="nl">Kort geding. Aanbesteding. Op 3 september 2015 is uitspraak gedaan in vijf afzonderlijke kort gedingen over een aanbestedingsprocedure met betrekking tot deurwaardersdiensten ten behoeve van het CJIB. De voorzieningenrechter heeft geoordeeld dat op voorhand vast staat dat op basis van loting zal worden bepaald wie voor gunning in aanmerking komt. Dat verdraagt zich niet met het doel en karakter van de aanbestedingsprocedure en is een gebrek dat een zo wezenlijk onderdeel van de procedure betreft, dat de aanbestedingsprocedure moet worden afgebroken.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: C/09/489985 KG ZA 15/803</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Kort geding</description><contributor lang="nl">Rechter(s): G.H.I.J. Hage</contributor><issued>2015-09-03</issued><reference relation="citing" lang="nl">Aanbestedingswet 2012</reference><reference relation="citing" lang="nl">Aanbestedingswet 2012 1.4</reference></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RBDHA:2015:10442</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2015:10442</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RBDHA:2015:10442"><country>NL</country><court>RBDHA</court></isVersionOf><creator lang="nl">Rechtbank Den Haag</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2015-09-03</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Burgerlijk recht</subject><abstract lang="nl">Kort geding. Aanbesteding. Op 3 september 2015 is uitspraak gedaan in vijf afzonderlijke kort gedingen over een aanbestedingsprocedure met betrekking tot deurwaardersdiensten ten behoeve van het CJIB. De voorzieningenrechter heeft geoordeeld dat op voorhand vast staat dat op basis van loting zal worden bepaald wie voor gunning in aanmerking komt. Dat verdraagt zich niet met het doel en karakter van de aanbestedingsprocedure en is een gebrek dat een zo wezenlijk onderdeel van de procedure betreft, dat de aanbestedingsprocedure moet worden afgebroken.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: C/09/490029 / KG ZA 15/810</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Kort geding</description><contributor lang="nl">Rechter(s): G.H.I.J. Hage</contributor><issued>2015-09-03</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RBDHA:2015:10441</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2015:10441</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RBDHA:2015:10441"><country>NL</country><court>RBDHA</court></isVersionOf><creator lang="nl">Rechtbank Den Haag</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2015-09-03</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Burgerlijk recht</subject><abstract lang="nl">Kort geding. Aanbesteding. Op 3 september 2015 is uitspraak gedaan in vijf afzonderlijke kort gedingen over een aanbestedingsprocedure met betrekking tot deurwaardersdiensten ten behoeve van het CJIB. De voorzieningenrechter heeft geoordeeld dat op voorhand vast staat dat op basis van loting zal worden bepaald wie voor gunning in aanmerking komt. Dat verdraagt zich niet met het doel en karakter van de aanbestedingsprocedure en is een gebrek dat een zo wezenlijk onderdeel van de procedure betreft, dat de aanbestedingsprocedure moet worden afgebroken.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: C/09/490018 / KG ZA 15/808</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Kort geding</description><contributor lang="nl">Rechter(s): G.H.I.J. Hage</contributor><issued>2015-09-03</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RBDHA:2015:10438</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2015:10438</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RBDHA:2015:10438"><country>NL</country><court>RBDHA</court></isVersionOf><creator lang="nl">Rechtbank Den Haag</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2015-09-03</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Burgerlijk recht</subject><abstract lang="nl">Kort geding. Aanbesteding. Op 3 september 2015 is uitspraak gedaan in vijf afzonderlijke kort gedingen over een aanbestedingsprocedure met betrekking tot deurwaardersdiensten ten behoeve van het CJIB. De voorzieningenrechter heeft geoordeeld dat op voorhand vast staat dat op basis van loting zal worden bepaald wie voor gunning in aanmerking komt. Dat verdraagt zich niet met het doel en karakter van de aanbestedingsprocedure en is een gebrek dat een zo wezenlijk onderdeel van de procedure betreft, dat de aanbestedingsprocedure moet worden afgebroken.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: C/09/489881 / KG ZA 15-795</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Kort geding</description><contributor lang="nl">Rechter(s): G.H.I.J. Hage</contributor><issued>2015-09-03</issued><reference relation="citing" lang="nl">Aanbestedingswet 2012</reference><reference relation="citing" lang="nl">Aanbestedingswet 2012 1.4</reference></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RVS:2026:5324</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2026:5324</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RVS:2026:5324"><country>NL</country><court>RVS</court></isVersionOf><creator lang="nl">Raad van State</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-09-09</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Bestuursrecht</subject><abstract lang="nl">Bij besluit van 20 januari 2022 heeft het college van burgemeester en wethouders van Lisse Mployment onder oplegging van een dwangsom gelast het gebruik van de woning aan de Heereweg 384A in Lisse door meer dan één huishouden te beëindigen en blijvend beëindigd te houden. Naar aanleiding van handhavingsverzoeken van [partij A] en andere omwonenden heeft het college controles uitgevoerd naar de bewoning van de woning aan de Heereweg 384A in Lisse (de woning). Tijdens deze controles is geconstateerd dat Mployment in de woning woonruimtes verhuurde aan verschillende huishoudens. Dit gebruik is volgens het college in strijd met artikel 2.12 onder b van het bestemmingsplan "Herziening begrippen", in samenhang met de bestemmingsplannen "Lisse Dorp" en "Eerste herziening Lisse Dorp". Daardoor overtreedt Mployment artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo. Het college heeft daarom een last onder dwangsom opgelegd, waarin Mployment is opgedragen om de overtreding voor 20 april 2022 te beëindigen en beëindigd te houden.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 202300277/1/R3</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Hoger beroep</description><issued>2026-09-09</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RBDHA:2016:7888</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2016:7888</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RBDHA:2016:7888"><country>NL</country><court>RBDHA</court></isVersionOf><creator lang="nl">Rechtbank Den Haag</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2016-07-07</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Burgerlijk recht</subject><abstract lang="nl">Kort geding. Aanbestedingsprocedure. Kern van het onderhavige geschil betreft de vraag of het beoordelingsteam op basis van de door eiseres bij haar inschrijving ingediende stukken redelijkerwijs tot de aan eiseres toegekende score van 4 punten voor het kwaliteitscriterium planning heeft kunnen komen. Eiseres meent dat dit niet het geval is, maar dat wordt door de voorzieningenrechter niet gevolgd. De vorderingen worden afgewezen.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: C/09/510972 KG ZA 16/589</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Kort geding</description><contributor lang="nl">Rechter(s): G.H.I.J. Hage</contributor><issued>2016-07-19</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RBMNE:2016:3985</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2016:3985</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RBMNE:2016:3985"><country>NL</country><court>RBMNE</court></isVersionOf><creator lang="nl">Rechtbank Midden-Nederland</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2016-07-20</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Burgerlijk recht</subject><abstract lang="nl">Kort geding. Aanbestedingszaak. Verbouwing school. De aanbestedende dienst heeft ten onrechte voorlopig gunningsvoornemen ingetrokken en aan nummer twee gegund. Opdracht dient, voor zover aanbestedende dienst de opdracht in de markt wil zetten, definitief aan eiseres te worden gegund.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: C/16/415796 / KG ZA 16-382</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Kort geding</description><contributor lang="nl">Rechter(s): mr. S.C. Hagedoorn</contributor><issued>2016-07-20</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RBOVE:2016:3761</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBOVE:2016:3761</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RBOVE:2016:3761"><country>NL</country><court>RBOVE</court></isVersionOf><creator lang="nl">Rechtbank Overijssel</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2016-09-30</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Burgerlijk recht</subject><abstract lang="nl">Kort geding. Aanbesteding. Niet gebleken dat de Provincie op een onjuiste of onvoldoende transparante wijze invulling geeft aan het door haar gehanteerde EMVI-gunningscriterium. De Provincie heeft, mede door het overleggen van het rapport van M&amp;I Argitek - waarin aan de hand van diverse berekeningen is geconcludeerd dat er voldoende ruimte is om een lagere kwaliteit met een lagere prijs te compenseren -, in voldoende mate onderbouwd dat de aspecten prijs en kwaliteit ieder een rol spelen bij de vergelijkende beoordeling van de inschrijvingen. Dat de Provincie in dat kader, ook vanuit het oogpunt van de risico’s die gepaard (kunnen) gaan met de gladheidsbestrijding, een substantieel gewicht toekent aan het aspect kwaliteit behoort tot de aan de Provincie toekomende ruime bevoegdheid en dat zij daar in het uiterste geval een bedrag van € 980.000,-- voor over heeft, is niet onredelijk of onaanvaardbaar te achten. Door de inschrijvingen te beoordelen op de prijs en kwaliteit (te onderscheiden in de subcriteria kwaliteit, communicatie en risicoplan) geeft de Provincie invulling aan haar plicht om te streven naar een zo goed mogelijke c.q. de beste prijs-kwaliteitverhouding en het creëren van zo veel mogelijk maatschappelijke waarde bij deze aanbesteding.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: C/08/188661 / KG ZA 16-240</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Kort geding</description><contributor lang="nl">Rechter(s): mr. A.E. Zweers</contributor><issued>2016-10-03</issued><reference relation="citing" lang="nl">Aanbestedingswet 2012</reference><reference relation="citing" lang="nl">Aanbestedingswet 2012 1.4</reference><reference relation="citing" lang="nl">Aanbestedingswet 2012 2.114</reference></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RBMNE:2016:3367</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2016:3367</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RBMNE:2016:3367"><country>NL</country><court>RBMNE</court></isVersionOf><creator lang="nl">Rechtbank Midden-Nederland</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2016-06-24</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Burgerlijk recht</subject><abstract lang="nl">Europese Aanbesteding. Geschil over de berekening van een fictieve korting voor verkorting van de uitvoeringsduur. Afwijzing vorderingen. In de aanbestedingsstukken is voldoende duidelijk, precies en ondubbelzinnig weergegeven op welke wijze de fictieve korting wordt berekend en de aan eiser toegekende fictieve korting is op de juiste wijze vastgesteld.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 414820/KG ZA 16-342</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Kort geding</description><contributor lang="nl">Rechter(s): mr. J.M. Willems</contributor><issued>2016-06-30</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RBDHA:2016:11289</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2016:11289</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RBDHA:2016:11289"><country>NL</country><court>RBDHA</court></isVersionOf><creator lang="nl">Rechtbank Den Haag</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2016-09-14</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Burgerlijk recht</subject><abstract lang="nl">Kort geding. Aanbesteding. Best value procurement. Op basis van de aanbestedingsdocumenten kon de inschrijving van eiseres in de concretiseringsfase nog ongeldig worden verklaard. Dat heeft gedaagde op goede gronden ook gedaan, omdat in de concretiseingsfase is gebleken dat de inschrijving van eiseres niet voldoet aan een van de gestelde randvoorwaarden. Geen schending van het vertrouwens-, transparantie- en motiveringsbeginsel</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: C/09/513943 / KG ZA 16/830</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Kort geding</description><contributor lang="nl">Rechter(s): G.P. van Ham</contributor><issued>2016-09-21</issued><reference relation="citing" lang="nl">Aanbestedingswet 2012</reference></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:GHSGR:2011:BP8227</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSGR:2011:BP8227</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:GHSGR:2011:BP8227"><country>NL</country><court>GHSGR</court></isVersionOf><creator lang="nl">Gerechtshof 's-Gravenhage</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2011-01-25</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Burgerlijk recht</subject><abstract lang="nl">Melkquotum; superheffing; erfpacht.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 200.041.989-01</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Hoger beroep</description><issued>2011-03-18</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RBMNE:2016:3518</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2016:3518</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RBMNE:2016:3518"><country>NL</country><court>RBMNE</court></isVersionOf><creator lang="nl">Rechtbank Midden-Nederland</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2016-06-30</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Burgerlijk recht</subject><abstract lang="nl">Aanbesteding Regiotaxi Utrecht Vervoer. Gunningscriterium emvi. Onderlinge verhouding prijs en kwaliteit. Ruime beleidsvrijheid voor aanbestedende dienst – zij mag bepalen hoeveel onderling relatief gewicht zij aan deze aspecten toekent. Emvi is niet op onrechtmatige wijze vorm gegeven</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: C/16/415820 / KG ZA 16-385</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Kort geding</description><contributor lang="nl">Rechter(s): mr. J.M. Willems</contributor><issued>2016-07-01</issued><reference relation="citing" lang="nl">Aanbestedingswet 2012</reference><reference relation="citing" lang="nl">Aanbestedingswet 2012 2.114</reference></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RBROT:2016:6025</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2016:6025</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RBROT:2016:6025"><country>NL</country><court>RBROT</court></isVersionOf><creator lang="nl">Rechtbank Rotterdam</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2016-08-01</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Burgerlijk recht</subject><abstract lang="nl">Kort geding. Vrijwillige (private) meervoudige onderhandse aanbesteding. HR 3 mei 2013 ECLI:NL:HR:2013:BZ2900. Geen algemene beginselen van behoorlijk bestuur toepasselijk. Beginselen van gelijkheid en transparantie wel toepasselijk. Deugdelijke motivering afwijzing? Anonieme beoordeling maakt favoritisme op zich al onaannemelijk.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: C/10/503222 / KG ZA 16-614</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Kort geding</description><contributor lang="nl">Rechter(s): mr. A.F.L. Geerdes</contributor><issued>2016-08-03</issued><reference relation="citing" lang="nl">Aanbestedingswet 2012</reference><reference relation="citing" lang="nl">Aanbestedingswet 2012 1.15</reference></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:GHLEE:2012:BV8840</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHLEE:2012:BV8840</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:GHLEE:2012:BV8840"><country>NL</country><court>GHLEE</court></isVersionOf><creator lang="nl">Gerechtshof Leeuwarden</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2012-02-28</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Burgerlijk recht</subject><abstract lang="nl">Overdracht met gepachte samenhangend melkquotum om niet van vader aan zoon. Vader wordt aangesproken door verpachter. Ongerechtvaardigde verrijking? Aanvullende werking van redelijkheid en billijkheid.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 200.072.579/01</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Hoger beroep</description><issued>2012-03-14</issued><reference type="ECLI" relation="precededBy" lang="nl">ECLI:NL:RBLEE:2010:BM5921</reference></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:GHSHE:2019:1893</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2019:1893</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:GHSHE:2019:1893"><country>NL</country><court>GHSHE</court></isVersionOf><creator lang="nl">Gerechtshof 's-Hertogenbosch</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2019-05-21</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Burgerlijk recht</subject><abstract lang="nl">aanbesteding, voorlopige gunningsbeslissing, overschrijden Alcatel termijn, ontbreken spoedeisend belang in hoger beroep</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 200.241.300_01</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Hoger beroep kort geding</description><contributor lang="nl">Rechter(s): W.J.J. Beurskens, J.C.J. van Craaikamp, E.M.C. Mommers</contributor><issued>2019-05-22</issued><reference type="ECLI" relation="precededBy" lang="nl">ECLI:NL:RBLIM:2018:3770</reference></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RBAMS:2012:BV3081</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2012:BV3081</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RBAMS:2012:BV3081"><country>NL</country><court>RBAMS</court></isVersionOf><creator lang="nl">Rechtbank Amsterdam</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2012-01-27</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Burgerlijk recht</subject><abstract lang="nl">Kort geding inzake een Europese openbare aanbestedingsprocedure Salarisverwerking bij de gemeente Amsterdam. De voorzieningenrechter veroordeelt de gemeente Amsterdam alle aanbiedingen ter zake van de opdracht geheel opnieuw te beoordelen conform de in het bestek bekendgemaakte beoordelingssystematiek en met inachtneming van dit vonnis.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 506266 / KG ZA 11-1982 Pee/CGvB</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Kort geding</description><contributor lang="nl">Rechter(s): Mr. Peeters</contributor><issued>2012-02-07</issued><reference relation="citing" lang="nl">Besluit aanbestedingsregels voor overheidsopdrachten</reference></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RBAMS:2014:2313</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2014:2313</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RBAMS:2014:2313"><country>NL</country><court>RBAMS</court></isVersionOf><creator lang="nl">Rechtbank Amsterdam</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2014-03-26</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Bestuursrecht</subject><abstract lang="nl">Wbp. Afwijzing verzoek om een onderzoek ex art. 60 Wbp is een besluit in de zin van de Awb. Het Cbp heeft geen bevoegdheid t.a.v. verantwoordelijken gevestigd buiten Nederland. Stelling van eisers van ‘fictie van vestiging’ slaagt niet. Klacht eisers omtrent lacune in de rechtshandhaving van onvoldoende bescherming jegens inbreuk van derden is een keuze van de wetgever. Feiten onvoldoende aanleiding vormen voor medeplegen in de zin van artikel 5:1 van de Awb. Het Cbp heeft op goede gronden kunnen besluiten niet tot handhaving over te gaan en daarmee ook geen onderzoek te verrichten. Niet aannemelijk dat er sprake is van ernstige overtredingen van structurele aard, die veel mensen treffen en waarbij het Cbp door het inzetten van handhavingsinstrumenten effectief verschil kan maken.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: AMS 12-3725</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Eerste aanleg - meervoudig</description><contributor lang="nl">Rechter(s): A.D. Reiling, N.J. Koene, I.W. Neleman</contributor><issued>2014-08-14</issued><reference relation="citing" lang="nl">Wet bescherming persoonsgegevens 4</reference></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RBMNE:2026:6641</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:6641</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RBMNE:2026:6641"><country>NL</country><court>RBMNE</court></isVersionOf><creator lang="nl">Rechtbank Midden-Nederland</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-09-18</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Burgerlijk recht</subject><abstract lang="nl">Verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst wegens bedrijfseconomische redenen toegewezen. Herplaatsing. Wel transitievergoeding geen billijke vergoeding</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 12232500 \ UE VERZ 26-213</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Beschikking</description><contributor lang="nl">Rechter(s): D.A. van Steenbeek</contributor><issued>2026-09-30</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RBZWB:2026:8902</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:8902</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RBZWB:2026:8902"><country>NL</country><court>RBZWB</court></isVersionOf><creator lang="nl">Rechtbank Zeeland-West-Brabant</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-09-09</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Burgerlijk recht</subject><abstract lang="nl">Toewijzend vonnis vanwege huurachterstand vanwege tekortkoming in de nakoming</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 12127281 \ CV EXPL 26-1331</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Bodemzaak</description><issued>2026-09-30</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RBROT:2026:12482</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:12482</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RBROT:2026:12482"><country>NL</country><court>RBROT</court></isVersionOf><creator lang="nl">Rechtbank Rotterdam</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-09-23</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Burgerlijk recht</subject><abstract lang="nl">Bijlbouw, een gevelbouwer, sluit een overeenkomst met Niemann, een onderneming die zich specialiseert in de tussenhandel van aluminium halffabricaten, voor het laten produceren en leveren van geanodiseerde aluminium kamprofielen voor de aluminium gevelbedekking van het Octagon vastgoedcomplex in Leiden. (Anodiseren is een elektrochemische behandeling waarbij metalen zoals aluminium worden voorzien van een oxidelaag.) Het geschil in deze zaak betreft in de kern de vraag of, zoals Bijlbouw stelt en Niemann betwist, partijen zijn overeengekomen dat de profielen zouden voldoen aan de zgn. Qualanod-eisen. De rechtbank oordeelt dat dat niet het geval is. De vorderingen van Niemann in conventie tot veroordeling van Bijlbouw tot betaling van de facturen worden toegewezen en de vorderingen van Bijlbouw in reconventie, die gebaseerd zijn op toerekenbare tekortkoming van Niemann, worden afgewezen. Het opschortingsverweer van Bijlbouw, net zoals haar verrekeningsverweer, faalt. HR 19 november 1988, ECLI:NL:HR1988:AD0206 (Droog/Bekaert)) en HR 5 december 1997, ECLI:NL:HR:1997: ZC2519, NJ 1998/169 (Kloth/Stripac)).</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: C/10/689998 / HA ZA 24-1050</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Eerste aanleg - enkelvoudig</description><issued>2026-09-30</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RBZWB:2026:9429</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:9429</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RBZWB:2026:9429"><country>NL</country><court>RBZWB</court></isVersionOf><creator lang="nl">Rechtbank Zeeland-West-Brabant</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-09-29</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Burgerlijk recht</subject><abstract lang="nl">Handlichting</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 12305051 OV VERZ 26-2075</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Beschikking</description><issued>2026-09-30</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:PHR:2001:AB2314</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2001:AB2314</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:PHR:2001:AB2314"><country>NL</country><court>PHR</court></isVersionOf><creator lang="nl">Parket bij de Hoge Raad</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2001-06-27</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Conclusie</type><subject lang="nl">Belastingrecht</subject><abstract lang="nl">-</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 35889</description><contributor lang="nl">Advocaat-/procureur-generaal: Mr. P.J. Wattel</contributor><issued>2001-08-01</issued><reference relation="citing" lang="nl">Algemene wet inzake rijksbelastingen 47</reference><reference type="ECLI" relation="followedBy" lang="nl">ECLI:NL:HR:2001:AB2314</reference></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:HR:2001:AB2314</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2001:AB2314</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:HR:2001:AB2314"><country>NL</country><court>HR</court></isVersionOf><creator lang="nl">Hoge Raad</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2001-06-27</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Belastingrecht</subject><abstract lang="nl">-</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 35889</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Cassatie</description><contributor lang="nl">Rechter(s): Mr. G.J. Zuurmond Mr. F.W.G.M. van Brunschot Mr. D.G. van Vliet Mr. P. Lourens Mr. C.B. Bavinck</contributor><issued>2001-08-01</issued><reference relation="citing" lang="nl">Algemene wet inzake rijksbelastingen 47</reference><reference type="ECLI" relation="precededBy" lang="nl">ECLI:NL:PHR:2001:AB2314</reference></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:HR:2001:AD6775</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2001:AD6775</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:HR:2001:AD6775"><country>NL</country><court>HR</court></isVersionOf><creator lang="nl">Hoge Raad</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2001-12-07</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Belastingrecht</subject><abstract lang="nl">-</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 36255</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Cassatie</description><contributor lang="nl">Rechter(s): Zuurmond; Brunschot, van; Vliet, van; Lourens; Berge, van den</contributor><issued>2001-12-07</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RBZWB:2026:8906</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:8906</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RBZWB:2026:8906"><country>NL</country><court>RBZWB</court></isVersionOf><creator lang="nl">Rechtbank Zeeland-West-Brabant</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-08-26</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Burgerlijk recht</subject><abstract lang="nl">B2B. Koop van apparatuur. Koper stelt dat apparatuur niet functioneert. Partijen maken daarop nadere afspraken. Koper betaalt vervolgens niet. Verkoper schakelt een incassobureau in en maakt onder meer aanspraak op buitengerechtelijke incassokosten. Er is echter geen sprake van verzuim want verkoper heeft koper niet in gebreke gesteld. Vordering wordt afgewezen.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 12130712 \ CV EXPL 26-861 (E)</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Bodemzaak</description><issued>2026-09-30</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:HR:2002:AD8475</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2002:AD8475</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:HR:2002:AD8475"><country>NL</country><court>HR</court></isVersionOf><creator lang="nl">Hoge Raad</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2002-01-25</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Belastingrecht</subject><abstract lang="nl">-</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 36063</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Cassatie</description><contributor lang="nl">Rechter(s): Mr. Van Brunschot, Mr. Van Vliet, Mr. Zuurmond, Mr. Lourens, Mr. Bavinck</contributor><issued>2002-01-25</issued><reference relation="citing" lang="nl">Algemene wet inzake rijksbelastingen</reference><reference relation="citing" lang="nl">Algemene wet inzake rijksbelastingen 29</reference><reference relation="citing" lang="nl">Algemene wet inzake rijksbelastingen 47</reference></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:HR:2002:AE3175</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2002:AE3175</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:HR:2002:AE3175"><country>NL</country><court>HR</court></isVersionOf><creator lang="nl">Hoge Raad</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2002-05-24</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Belastingrecht</subject><abstract lang="nl">-</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 37398</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Cassatie</description><contributor lang="nl">Rechter(s): Brunschot, van; Vliet, van; Oven, van</contributor><issued>2002-05-24</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:HR:2002:AD9896</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2002:AD9896</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:HR:2002:AD9896"><country>NL</country><court>HR</court></isVersionOf><creator lang="nl">Hoge Raad</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2002-03-08</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Belastingrecht</subject><abstract lang="nl">-</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 36666</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Cassatie</description><contributor lang="nl">Rechter(s): Korthals Altes; Beukenhorst; Amersfoort, van</contributor><issued>2002-03-08</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:HR:1997:AA2122</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:1997:AA2122</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:HR:1997:AA2122"><country>NL</country><court>HR</court></isVersionOf><creator lang="nl">Hoge Raad</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>1997-03-19</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Belastingrecht</subject><abstract lang="nl">-</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 32085</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Cassatie</description><contributor lang="nl">Rechter(s): mrs R.J.J. Jansen, Bellaart, Van der Putt-Lauwers, Van Brunschot, Meij</contributor><issued>2001-07-04</issued><reference relation="citing" lang="nl">Wet op de belasting van personenauto's en motorrijwielen 1992 3</reference></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:HR:1997:AA2242</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:1997:AA2242</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:HR:1997:AA2242"><country>NL</country><court>HR</court></isVersionOf><creator lang="nl">Hoge Raad</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>1997-08-29</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Belastingrecht</subject><abstract lang="nl">-</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 32541</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Cassatie</description><contributor lang="nl">Rechter(s): mrs Stoffer, Urlings, Zuurmond, Fleers, Beukenhorst</contributor><issued>2001-07-04</issued><reference relation="citing" lang="nl">Gemeentewet 273 (oud)</reference></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:CRVB:2014:3051</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2014:3051</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:CRVB:2014:3051"><country>NL</country><court>CRVB</court></isVersionOf><creator lang="nl">Centrale Raad van Beroep</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2014-09-17</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Sociale-zekerheidsrecht</subject><abstract lang="nl">Nu er nog twijfel bestaat over de vraag of betrokkene recht heeft op bezoldiging, heeft appellant met toepassing van artikel 47a, tweede lid, van de ZW terecht geweigerd om betrokkene een voorschot op een ZW-uitkering te verstrekken. Vernietiging besluit. Beroep ongegrond.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 13-6382 ZW</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Hoger beroep</description><contributor lang="nl">Rechter(s): Van Dun, Van den Corput, Lange</contributor><issued>2014-09-22</issued><reference relation="citing" lang="nl">Ziektewet</reference><reference relation="citing" lang="nl">Ziektewet 47a</reference><reference relation="citing" lang="nl">Ziektewet 76a</reference></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:HR:1991:ZC4804</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:1991:ZC4804</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:HR:1991:ZC4804"><country>NL</country><court>HR</court></isVersionOf><creator lang="nl">Hoge Raad</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>1991-12-04</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Belastingrecht</subject><abstract lang="nl">-</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 27661</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Cassatie</description><contributor lang="nl">Rechter(s): Stoffer; Mijnssen; Wildeboer; Urlings; Herrmann</contributor><issued>2020-08-31</issued><reference relation="citing" lang="nl">Gemeentewet 273</reference></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:HR:2006:AY6008</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2006:AY6008</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:HR:2006:AY6008"><country>NL</country><court>HR</court></isVersionOf><creator lang="nl">Hoge Raad</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2006-08-11</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Belastingrecht</subject><abstract lang="nl">Ziekenfondsverzekering zelfstandigen. Ongeoorloofd onderscheid in heffingsgrondslag zelfstandigen respectievelijk werknemers? Rechtsherstel door rechter geboden?</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 42484</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Cassatie</description><contributor lang="nl">Rechter(s): Berge, van den; Amersfoort, van; Leemreis; Maanen, van; Streefkerk</contributor><issued>2006-08-11</issued><reference type="ECLI" relation="precededBy" lang="nl">ECLI:NL:GHAMS:2005:AU0059</reference></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:PHR:2006:AT7672</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2006:AT7672</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:PHR:2006:AT7672"><country>NL</country><court>PHR</court></isVersionOf><creator lang="nl">Parket bij de Hoge Raad</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2006-04-14</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Conclusie</type><subject lang="nl">Belastingrecht</subject><subject lang="nl">Bestuursrecht</subject><abstract lang="nl">Prejudiciële vragen; vormt regeling van aan fiscale beleggingsinstelling toekomende tegemoetkoming ter zake van buitenlandse belasting een belemmering van vrij kapitaalverkeer?</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 40037</description><issued>2006-04-14</issued><reference relation="citing" lang="nl">Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie 56</reference><reference relation="citing" lang="nl">Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie 58</reference><reference relation="citing" lang="nl">Wet op de vennootschapsbelasting 1969 28</reference><reference type="ECLI" relation="precededBy" lang="nl">ECLI:NL:GHAMS:2003:AH9395</reference><reference type="ECLI" relation="followedBy" lang="nl">ECLI:NL:HR:2006:AT7672</reference></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:HR:2006:AT7672</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2006:AT7672</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:HR:2006:AT7672"><country>NL</country><court>HR</court></isVersionOf><creator lang="nl">Hoge Raad</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2006-04-14</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Belastingrecht</subject><subject lang="nl">Bestuursrecht</subject><abstract lang="nl">Prejudiciële vragen; vormt regeling van aan fiscale beleggingsinstelling toekomende tegemoetkoming ter zake van buitenlandse belasting een belemmering van vrij kapitaalverkeer?</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 40037</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Cassatie</description><contributor lang="nl">Rechter(s): mr. A.E.M. van der Putt-Lauwers mr. F.W.G.M. van Brunschot mr. P. Lourens mr. C.B. Bavinck mr. J.W. van den Berge</contributor><issued>2006-04-14</issued><reference relation="citing" lang="nl">Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie 56</reference><reference relation="citing" lang="nl">Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie 58</reference><reference relation="citing" lang="nl">Wet op de vennootschapsbelasting 1969 28</reference><reference type="ECLI" relation="precededBy" lang="nl">ECLI:NL:PHR:2006:AT7672</reference><reference type="ECLI" relation="precededBy" lang="nl">ECLI:NL:GHAMS:2003:AH9395</reference></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:PHR:2005:AO9013</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2005:AO9013</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:PHR:2005:AO9013"><country>NL</country><court>PHR</court></isVersionOf><creator lang="nl">Parket bij de Hoge Raad</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2005-09-16</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Conclusie</type><subject lang="nl">Belastingrecht</subject><abstract lang="nl">Art. 47 AWR. Verklaringen van belanghebbende na vordering Inspecteur niet bruikbaar als bewijs voor boete/verhoging. Gevolgen verlenging navorderingstermijn voor boete?</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 38156</description><issued>2005-09-16</issued><reference relation="citing" lang="nl">Algemene wet inzake rijksbelastingen 16</reference><reference relation="citing" lang="nl">Algemene wet inzake rijksbelastingen 18</reference><reference relation="citing" lang="nl">Algemene wet inzake rijksbelastingen 47</reference><reference relation="citing" lang="nl">Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten 15</reference><reference type="ECLI" relation="followedBy" lang="nl">ECLI:NL:HR:2005:AO9013</reference></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:HR:2005:AO9013</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2005:AO9013</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:HR:2005:AO9013"><country>NL</country><court>HR</court></isVersionOf><creator lang="nl">Hoge Raad</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2005-09-16</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Belastingrecht</subject><abstract lang="nl">Art. 47 AWR. Verklaringen van belanghebbende na vordering Inspecteur niet bruikbaar als bewijs voor boete/verhoging. Gevolgen verlenging navorderingstermijn voor boete?</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 38156</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Cassatie</description><contributor lang="nl">Rechter(s): A.G. Pos, L. Monné, P.J. van Amersfoort, C.J.J. van Maanen en C.A. Streefkerk,</contributor><issued>2005-09-16</issued><reference relation="citing" lang="nl">Algemene wet inzake rijksbelastingen 16</reference><reference relation="citing" lang="nl">Algemene wet inzake rijksbelastingen 18</reference><reference relation="citing" lang="nl">Algemene wet inzake rijksbelastingen 47</reference><reference relation="citing" lang="nl">Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten 15</reference><reference type="ECLI" relation="precededBy" lang="nl">ECLI:NL:PHR:2005:AO9013</reference></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:PHR:2006:AR6478</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2006:AR6478</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:PHR:2006:AR6478"><country>NL</country><court>PHR</court></isVersionOf><creator lang="nl">Parket bij de Hoge Raad</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2006-01-27</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Conclusie</type><subject lang="nl">Belastingrecht</subject><abstract lang="nl">- omkering bewijslast, - ernst van het verzuim.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 39104</description><issued>2006-01-27</issued><reference relation="citing" lang="nl">Algemene wet inzake rijksbelastingen 27e</reference><reference relation="citing" lang="nl">Algemene wet inzake rijksbelastingen 47</reference><reference relation="citing" lang="nl">Algemene wet inzake rijksbelastingen 49</reference><reference relation="citing" lang="nl">Algemene wet inzake rijksbelastingen 52</reference><reference type="ECLI" relation="followedBy" lang="nl">ECLI:NL:HR:2006:AR6478</reference></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:HR:2006:AR6478</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2006:AR6478</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:HR:2006:AR6478"><country>NL</country><court>HR</court></isVersionOf><creator lang="nl">Hoge Raad</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2006-01-27</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Belastingrecht</subject><abstract lang="nl">- omkering bewijslast, - ernst van het verzuim.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 39104</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Cassatie</description><contributor lang="nl">Rechter(s): E.M. van der Putt-Lauwers, F.W.G.M. van Brunschot, P. Lourens, C.B. Bavinck en J.W. van den Berge,</contributor><issued>2006-01-27</issued><reference relation="citing" lang="nl">Algemene wet inzake rijksbelastingen 27e</reference><reference relation="citing" lang="nl">Algemene wet inzake rijksbelastingen 47</reference><reference relation="citing" lang="nl">Algemene wet inzake rijksbelastingen 49</reference><reference relation="citing" lang="nl">Algemene wet inzake rijksbelastingen 52</reference><reference type="ECLI" relation="precededBy" lang="nl">ECLI:NL:PHR:2006:AR6478</reference></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:PHR:2005:AU3140</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2005:AU3140</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:PHR:2005:AU3140"><country>NL</country><court>PHR</court></isVersionOf><creator lang="nl">Parket bij de Hoge Raad</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2005-09-23</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Conclusie</type><subject lang="nl">Belastingrecht</subject><abstract lang="nl">AWR, omkering bewijslast, gedeeltelijk; overlegging stukken.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 38810</description><issued>2005-09-23</issued><reference relation="citing" lang="nl">Algemene wet inzake rijksbelastingen 27e</reference><reference relation="citing" lang="nl">Algemene wet inzake rijksbelastingen 47</reference><reference type="ECLI" relation="precededBy" lang="nl">ECLI:NL:GHAMS:2002:AF1395</reference><reference type="ECLI" relation="followedBy" lang="nl">ECLI:NL:HR:2005:AU3140</reference></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:HR:2005:AU3140</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2005:AU3140</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:HR:2005:AU3140"><country>NL</country><court>HR</court></isVersionOf><creator lang="nl">Hoge Raad</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2005-09-23</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Belastingrecht</subject><abstract lang="nl">AWR, omkering bewijslast, gedeeltelijk; overlegging stukken.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 38810</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Cassatie</description><contributor lang="nl">Rechter(s): A.E.M van der Putt-Lauwers, F.W.G.M. van Brunschot, P. Lourens, C.B. Bavinck en J.W. van den Berge</contributor><issued>2005-09-23</issued><reference relation="citing" lang="nl">Algemene wet inzake rijksbelastingen 27e</reference><reference relation="citing" lang="nl">Algemene wet inzake rijksbelastingen 47</reference><reference type="ECLI" relation="precededBy" lang="nl">ECLI:NL:PHR:2005:AU3140</reference><reference type="ECLI" relation="precededBy" lang="nl">ECLI:NL:GHAMS:2002:AF1395</reference></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:HR:2000:AA5136</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2000:AA5136</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:HR:2000:AA5136"><country>NL</country><court>HR</court></isVersionOf><creator lang="nl">Hoge Raad</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2000-03-15</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Belastingrecht</subject><abstract lang="nl">-</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 35261</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Cassatie</description><contributor lang="nl">Rechter(s): mrs R.J.J. Jansen, Van Brunschot, Van Vliet, Van Amersfoort, Lourens</contributor><issued>2001-07-04</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:HR:2004:AO9501</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2004:AO9501</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:HR:2004:AO9501"><country>NL</country><court>HR</court></isVersionOf><creator lang="nl">Hoge Raad</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2004-05-14</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Belastingrecht</subject><abstract lang="nl">Verplichte ziekenfondsverzekering. Gemoedsbezwaren.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 38998</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Cassatie</description><contributor lang="nl">Rechter(s): mr. P.J. van Amersfoort mr. A.R. Leemreis mr. C.J.J. van Maanen</contributor><issued>2004-05-14</issued><reference relation="citing" lang="nl">Ziekenfondswet 3d</reference></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:HR:2004:AO4493</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2004:AO4493</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:HR:2004:AO4493"><country>NL</country><court>HR</court></isVersionOf><creator lang="nl">Hoge Raad</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2004-02-27</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Belastingrecht</subject><abstract lang="nl">Nr. 39.490 27 februari 2004 fp gewezen op het beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Arnhem van 13 december 2002, nr. 00/01917, betreffende na te melden aan X B.V. te Z opgelegde aanslag in de vennootschapsbelasting. 1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof...</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 39490</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Cassatie</description><contributor lang="nl">Rechter(s): mr. A.E.M. van der Putt-Lauwers mr. F.W.G.M. van Brunschot mr. C.B. Bavinck</contributor><issued>2004-02-27</issued><reference relation="citing" lang="nl">Wet op de vennootschapsbelasting 1969 8</reference></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:HR:2003:AK3485</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2003:AK3485</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:HR:2003:AK3485"><country>NL</country><court>HR</court></isVersionOf><creator lang="nl">Hoge Raad</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2003-09-12</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Belastingrecht</subject><abstract lang="nl">Nr. 38.174 12 september 2003 S gewezen op het beroep in cassatie van X te Z (Canada) tegen de uitspraak van het Gerechtshof te ´s-Hertogenbosch van 4 maart 2002, nr. 99/01024, betreffende na te melden naheffingsaanslag in de omzetbelasting. 1. Naheffingsaanslag, bezwaar en geding voor het Hof ...</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 38174</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Cassatie</description><contributor lang="nl">Rechter(s): mr. G.J. Zuurmond mr. D.G. van Vliet mr. P. Lourens mr. C.B. Bavinck mr. F.W.G.M. van Brunschot</contributor><issued>2003-09-12</issued><reference relation="citing" lang="nl">Algemene wet inzake rijksbelastingen 29</reference><reference relation="citing" lang="nl">Wet op de omzetbelasting 1968 12</reference></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:HR:2004:AO1505</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2004:AO1505</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:HR:2004:AO1505"><country>NL</country><court>HR</court></isVersionOf><creator lang="nl">Hoge Raad</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2004-01-09</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Belastingrecht</subject><abstract lang="nl">Nr. 38.855 9 januari 2004 AB gewezen op het beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Arnhem van 1 oktober 2002, nr. 01/01709, betreffende na te melden ten aanzien van X te Z gegeven beschikking als bedoeld in artikel 3d, lid 2, van de Ziekenfondswet (hierna: de Wet). 1. Beschikking, bezwaar en geding voor het Hof...</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 38855</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Cassatie</description><contributor lang="nl">Rechter(s): mr. P.J. van Amersfoort mr. A.R. Leemreis mr. C.J.J. van Maanen</contributor><issued>2004-01-09</issued><reference relation="citing" lang="nl">Ziekenfondswet 3</reference><reference relation="citing" lang="nl">Ziekenfondswet 3d</reference><reference type="ECLI" relation="precededBy" lang="nl">ECLI:NL:GHARN:2002:AE9850</reference></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:HR:2003:AL2119</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2003:AL2119</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:HR:2003:AL2119"><country>NL</country><court>HR</court></isVersionOf><creator lang="nl">Hoge Raad</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2003-09-26</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Belastingrecht</subject><abstract lang="nl">Nr. 38.585 26 september 2003 AF gewezen op het beroep in cassatie van X B.V. te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 4 juni 2002, nr. P01/01650, betreffende na te melden aanslag in de vennootschapsbelasting. 1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof...</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 38585</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Cassatie</description><contributor lang="nl">Rechter(s): mr. A.E.M. van der Putt-Lauwers mr. F.W.G.M. van Brunschot mr. D.G. van Vliet mr. P. Lourens mr. J.W. van den Berge</contributor><issued>2003-09-26</issued><reference relation="citing" lang="nl">Algemene wet inzake rijksbelastingen 25</reference><reference relation="citing" lang="nl">Algemene wet inzake rijksbelastingen 27e</reference><reference relation="citing" lang="nl">Algemene wet inzake rijksbelastingen 47</reference></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:PHR:2004:AF5556</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2004:AF5556</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:PHR:2004:AF5556"><country>NL</country><court>PHR</court></isVersionOf><creator lang="nl">Parket bij de Hoge Raad</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2004-02-27</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Conclusie</type><subject lang="nl">Belastingrecht</subject><abstract lang="nl">Nr. 37.465 27 februari 2004 AB gewezen op het beroep in cassatie van X, wonende te Z, tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 30 mei 2001, nr. P 98/5430, betreffende na te melden aanslag in de vermogensbelasting. 1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof...</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 37465</description><issued>2004-02-27</issued><reference relation="citing" lang="nl">Algemene wet inzake rijksbelastingen 29</reference><reference relation="citing" lang="nl">Algemene wet inzake rijksbelastingen 47</reference><reference relation="citing" lang="nl">Algemene wet inzake rijksbelastingen 25</reference><reference type="ECLI" relation="followedBy" lang="nl">ECLI:NL:HR:2004:AF5556</reference></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:HR:2004:AF5556</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2004:AF5556</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:HR:2004:AF5556"><country>NL</country><court>HR</court></isVersionOf><creator lang="nl">Hoge Raad</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2004-02-27</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Belastingrecht</subject><abstract lang="nl">Nr. 37.465 27 februari 2004 AB gewezen op het beroep in cassatie van X, wonende te Z, tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 30 mei 2001, nr. P 98/5430, betreffende na te melden aanslag in de vermogensbelasting. 1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof...</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 37465</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Cassatie</description><contributor lang="nl">Rechter(s): mr. A.G. Pos mr. G.J. Zuurmond mr. L. Monné mr. P.J. van Amersfoort mr. C.J.J. van Maanen</contributor><issued>2004-02-27</issued><reference relation="citing" lang="nl">Algemene wet inzake rijksbelastingen 29</reference><reference relation="citing" lang="nl">Algemene wet inzake rijksbelastingen 47</reference><reference relation="citing" lang="nl">Algemene wet inzake rijksbelastingen 25</reference><reference type="ECLI" relation="precededBy" lang="nl">ECLI:NL:PHR:2004:AF5556</reference></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:HR:2003:AH0931</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2003:AH0931</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:HR:2003:AH0931"><country>NL</country><court>HR</court></isVersionOf><creator lang="nl">Hoge Raad</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2003-06-20</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Belastingrecht</subject><abstract lang="nl">Nr. 37.770 20 juni 2003 SE gewezen op het beroep in cassatie van Stichting X te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 29 augustus 2001, nr. P00/00130, betreffende na te melden beschikkingen op grond van de Wet waardering onroerende zaken. 1. Beschikkingen, bezwaar en geding voor het Hof...</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 37770</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Cassatie</description><contributor lang="nl">Rechter(s): Korthals Altes; Monné; Amersfoort, van; Oven, van; Leemreis</contributor><issued>2003-06-20</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:HR:2003:AF7498</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2003:AF7498</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:HR:2003:AF7498"><country>NL</country><court>HR</court></isVersionOf><creator lang="nl">Hoge Raad</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2003-04-18</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Belastingrecht</subject><abstract lang="nl">-</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 38122</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Cassatie</description><contributor lang="nl">Rechter(s): Zuurmond, Van Brunschot, Van Vliet, Lourens, Bavinck</contributor><issued>2003-04-18</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RBDOR:2009:BM0100</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDOR:2009:BM0100</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RBDOR:2009:BM0100"><country>NL</country><court>RBDOR</court></isVersionOf><creator lang="nl">Rechtbank Dordrecht</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2009-11-20</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Belastingrecht</subject><abstract lang="nl">Verweerder heeft in het verweerschrift de waarde van de watertoren verlaagd. Verweerder is reeds om die reden niet in de op hem rustende bewijslast geslaagd. Beroep gegrond; uitspraak op bezwaar vernietigd; toepassing artikel 8:72, vierde lid, Awb. De rechtbank is van oordeel dat verweerder de na beroep vastgestelde lagere woz-waarde voldoende aannemelijk heeft gemaakt. De verkoopgegevens van een andere watertoren in de regio hebben als uitgangspunt kunnen dienen. Niet gebleken dat de gemeente niet aan een bestemmingswijziging zou willen meewerken. Gebruik van de toren als bedrijfsruimte en expositieruimte is toegestaan, waarmee voldoende (alternatieve) gebruiksmogelijkheden zijn aan te wijzen. Het object vertegenwoordigt hiermee niet slechts een cultuurhistorische, maar ook een economische waarde. Eiser kan geen geslaagd beroep doen op het arrest van de Hoge Raad van 5 juni 1996 (Nieuwe Kerk te Amsterdam). Dat voor het gebruik van de watertoren voor alternatieve doeleinden (hoge) kosten moeten worden gemaakt is niet nader gespecificeerd door eiser. Niet gebleken dat de waarde op nihil zou moeten worden gesteld.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: AWB 07/1082</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Eerste aanleg - meervoudig</description><contributor lang="nl">Rechter(s): W.M.P.M. Weerdesteijn</contributor><issued>2010-04-06</issued><reference type="ECLI" relation="followedBy" lang="nl">ECLI:NL:GHSGR:2011:BQ6738</reference></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:HR:2001:AA9842</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2001:AA9842</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:HR:2001:AA9842"><country>NL</country><court>HR</court></isVersionOf><creator lang="nl">Hoge Raad</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2001-02-07</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Belastingrecht</subject><abstract lang="nl">-</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 34899</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Cassatie</description><contributor lang="nl">Rechter(s): Mrs. Korthals Altes, Pos, Beukenhorst, Monné, Van Amersfoort</contributor><issued>2001-07-04</issued><reference relation="citing" lang="nl">Gemeentewet 220 (oud)</reference><reference relation="citing" lang="nl">Gemeentewet 220c (oud)</reference><reference relation="citing" lang="nl">Gemeentewet 273 (oud)</reference><reference relation="citing" lang="nl">Wet waardering onroerende zaken 17</reference></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:HR:2001:AB0982</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2001:AB0982</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:HR:2001:AB0982"><country>NL</country><court>HR</court></isVersionOf><creator lang="nl">Hoge Raad</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2001-04-11</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Belastingrecht</subject><abstract lang="nl">-</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 36219</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Cassatie</description><contributor lang="nl">Rechter(s): mrs R.J.J. Jansen, Zuurmond, Van Brunschot, Van Vliet, Lourens</contributor><issued>2002-03-05</issued><reference relation="citing" lang="nl">Uitvoeringsbesluit omzetbelasting 1968 20</reference><reference relation="citing" lang="nl">Uitvoeringsbesluit omzetbelasting 1968 21</reference></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:HR:2000:AA8603</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2000:AA8603</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:HR:2000:AA8603"><country>NL</country><court>HR</court></isVersionOf><creator lang="nl">Hoge Raad</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2000-11-29</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Belastingrecht</subject><abstract lang="nl">-</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 35765</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Cassatie</description><contributor lang="nl">Rechter(s): mrs R.J.J. Jansen, Zuurmond, De Moor, Van Vliet, Lourens</contributor><issued>2001-07-04</issued><reference relation="citing" lang="nl">Wet op de omzetbelasting 1968 31</reference><reference relation="citing" lang="nl">Wet op de omzetbelasting 1968 3</reference></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:GHARN:2003:AI0192</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARN:2003:AI0192</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:GHARN:2003:AI0192"><country>NL</country><court>GHARN</court></isVersionOf><creator lang="nl">Gerechtshof Arnhem</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2003-07-14</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Belastingrecht</subject><abstract lang="nl">Tussen partijen is in geschil het antwoord op de vraag of het onderhavige kerkgebouw valt binnen het bereik van de kerkenvrijstelling.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 01-02169</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Eerste aanleg - meervoudig</description><issued>2003-07-22</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:PHR:2007:AW3876</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2007:AW3876</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:PHR:2007:AW3876"><country>NL</country><court>PHR</court></isVersionOf><creator lang="nl">Parket bij de Hoge Raad</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2007-02-09</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Conclusie</type><subject lang="nl">Belastingrecht</subject><abstract lang="nl">Wet WOZ. Invloed van omzetbelasting op gecorrigeerde vervangingswaarde.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 41264</description><issued>2007-02-09</issued><reference type="ECLI" relation="precededBy" lang="nl">ECLI:NL:GHSGR:2004:AR0669</reference><reference type="ECLI" relation="followedBy" lang="nl">ECLI:NL:HR:2007:AW3876</reference></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:HR:2007:AW3876</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2007:AW3876</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:HR:2007:AW3876"><country>NL</country><court>HR</court></isVersionOf><creator lang="nl">Hoge Raad</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2007-02-09</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Belastingrecht</subject><abstract lang="nl">Wet WOZ. Invloed van omzetbelasting op gecorrigeerde vervangingswaarde.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 41264</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Cassatie</description><contributor lang="nl">Rechter(s): Berge, van den; Monné; Maanen, van; Streefkerk; Tijnagel</contributor><issued>2007-02-09</issued><reference type="ECLI" relation="precededBy" lang="nl">ECLI:NL:PHR:2007:AW3876</reference><reference type="ECLI" relation="precededBy" lang="nl">ECLI:NL:GHSGR:2004:AR0669</reference></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:HR:2005:AS4109</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2005:AS4109</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:HR:2005:AS4109"><country>NL</country><court>HR</court></isVersionOf><creator lang="nl">Hoge Raad</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2005-01-28</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Belastingrecht</subject><abstract lang="nl">Tarief kampeerauto’s. Voorwaarden in art. 6, leden 3-5, van het Uitvoeringsbesluit Motorrijtuigenbelasting 1994 onverbindend.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 39958</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Cassatie</description><contributor lang="nl">Rechter(s): mr. A.E.M. van der Putt-Lauwers mr. F.W.G.M. van Brunschot mr. P. Lourens mr. D.G. van Vliet mr. J.W. van den Berge</contributor><issued>2005-01-28</issued><reference relation="citing" lang="nl">Uitvoeringsbesluit motorrijtuigenbelasting 1994 6</reference><reference relation="citing" lang="nl">Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994 30</reference><reference type="ECLI" relation="precededBy" lang="nl">ECLI:NL:GHSHE:2003:AK3813</reference></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:GHARN:1999:AA1437</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARN:1999:AA1437</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:GHARN:1999:AA1437"><country>NL</country><court>GHARN</court></isVersionOf><creator lang="nl">Gerechtshof Arnhem</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>1999-03-30</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Belastingrecht</subject><abstract lang="nl">-</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 97/21878</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Eerste aanleg - meervoudig</description><contributor lang="nl">Rechter(s): Schie, van; Röben; Lamens</contributor><issued>2001-07-04</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:HR:2010:BL7965</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2010:BL7965</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:HR:2010:BL7965"><country>NL</country><court>HR</court></isVersionOf><creator lang="nl">Hoge Raad</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2010-03-19</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Belastingrecht</subject><abstract lang="nl">BPM, artikel 3 lid 1, aanhef en letter b, en lid 3, aanhef, Wet BPM; begrip bestelauto en vlakke laadvloer; slechts de ruimte achter de op de laadvloer van een motorrijtuig bijgeplaatste stoelen kan (nog) worden aangemerkt als laadruimte die in haar geheel is voorzien van een vlakke laadvloer.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 08/04836</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Cassatie</description><contributor lang="nl">Rechter(s): Vliet, van; Punt; Overgaauw</contributor><issued>2010-03-19</issued><reference type="ECLI" relation="precededBy" lang="nl">ECLI:NL:GHSHE:2008:BG9628</reference></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:PHR:2010:BM0137</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2010:BM0137</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:PHR:2010:BM0137"><country>NL</country><court>PHR</court></isVersionOf><creator lang="nl">Parket bij de Hoge Raad</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2010-06-04</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Conclusie</type><subject lang="nl">Burgerlijk recht</subject><abstract lang="nl">Belastingrecht. Veroordeling van belastingplichtige in kort geding tot nakoming van opgaveverplichting van art. 47 AWR met dwangsom; tweewegenleer; de hier door de belastingdienst gevolgde privaatrechtelijke weg vormt geen doorkruising van publiekrecht (HR 18 september 2009, NJ 2009, 566); geen gehoudenheid belastingdienst om belastingplichtige gegevens ter beschikking te stellen waarop zij haar verzoek om inlichtingen baseerde nog voordat deze zijnerzijds de gevraagde inlichtingen had verstrekt.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 09/00212</description><issued>2010-06-04</issued><reference relation="citing" lang="nl">Algemene wet inzake rijksbelastingen 47</reference><reference relation="citing" lang="nl">Wet op de rechterlijke organisatie 81</reference><reference type="ECLI" relation="precededBy" lang="nl">ECLI:NL:GHSGR:2008:BH0371</reference><reference type="ECLI" relation="followedBy" lang="nl">ECLI:NL:HR:2010:BM0137</reference></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:HR:2010:BM0137</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2010:BM0137</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:HR:2010:BM0137"><country>NL</country><court>HR</court></isVersionOf><creator lang="nl">Hoge Raad</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2010-06-04</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Burgerlijk recht</subject><abstract lang="nl">Belastingrecht. Veroordeling van belastingplichtige in kort geding tot nakoming van opgaveverplichting van art. 47 AWR met dwangsom; tweewegenleer; de hier door de belastingdienst gevolgde privaatrechtelijke weg vormt geen doorkruising van publiekrecht (HR 18 september 2009, NJ 2009, 566); geen gehoudenheid belastingdienst om belastingplichtige gegevens ter beschikking te stellen waarop zij haar verzoek om inlichtingen baseerde nog voordat deze zijnerzijds de gevraagde inlichtingen had verstrekt.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 09/00212</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Cassatie</description><contributor lang="nl">Rechter(s): mr. J.B. Fleers mr. A.M.J. van Buchem-Spapens mr. A. Hammerstein mr. J.C. van Oven mr. C.A. Streefkerk</contributor><issued>2010-06-04</issued><reference relation="citing" lang="nl">Algemene wet inzake rijksbelastingen 47</reference><reference relation="citing" lang="nl">Wet op de rechterlijke organisatie 81</reference><reference type="ECLI" relation="precededBy" lang="nl">ECLI:NL:PHR:2010:BM0137</reference><reference type="ECLI" relation="precededBy" lang="nl">ECLI:NL:GHSGR:2008:BH0371</reference></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:PHR:2009:BG7213</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2009:BG7213</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:PHR:2009:BG7213"><country>NL</country><court>PHR</court></isVersionOf><creator lang="nl">Parket bij de Hoge Raad</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2009-12-04</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Conclusie</type><subject lang="nl">Belastingrecht</subject><abstract lang="nl">1. Gelijkheidsbeginsel en vertrouwensbeginsel. Onjuiste wetstoepassing bij medefirmant. 2. Omvang geschil in hoger beroep. Door Rechtbank verworpen grief bij pleidooi Hof opnieuw naar voren gebracht.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 08/02258</description><issued>2009-12-04</issued><reference type="ECLI" relation="followedBy" lang="nl">ECLI:NL:HR:2009:BG7213</reference></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:HR:2009:BG7213</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2009:BG7213</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:HR:2009:BG7213"><country>NL</country><court>HR</court></isVersionOf><creator lang="nl">Hoge Raad</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2009-12-04</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Belastingrecht</subject><abstract lang="nl">1. Gelijkheidsbeginsel en vertrouwensbeginsel. Onjuiste wetstoepassing bij medefirmant. 2. Omvang geschil in hoger beroep. Door Rechtbank verworpen grief bij pleidooi Hof opnieuw naar voren gebracht.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 08/02258</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Cassatie</description><contributor lang="nl">Rechter(s): Mrs. J.W. van den Berge, C. Schaap, J.W.M. Tijnagel, A.H.T. Heisterkamp, M.W.C. Feteris</contributor><issued>2009-12-04</issued><reference type="ECLI" relation="precededBy" lang="nl">ECLI:NL:PHR:2009:BG7213</reference></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:PHR:2009:BI5906</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2009:BI5906</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:PHR:2009:BI5906"><country>NL</country><court>PHR</court></isVersionOf><creator lang="nl">Parket bij de Hoge Raad</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2009-09-18</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Conclusie</type><subject lang="nl">Burgerlijk recht</subject><abstract lang="nl">Belastingrecht. Procesrecht. Kort Geding. Vordering Belastingdienst tot veroordeling op straffe van dwangsom tot nakoming van de in art. 47 AWR neergelegde opgaveverplichting levert geen doorkruising op van de publiekrechtelijke weg. Geen schending nemo-teneturbeginsel; de gegevens worden niet vergaard ten behoeve van een strafvervolging of bestuurlijke boete-oplegging maar voor een juiste belastingheffing.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 08/01490</description><issued>2009-09-18</issued><reference relation="citing" lang="nl">Algemene wet inzake rijksbelastingen 47</reference><reference type="ECLI" relation="followedBy" lang="nl">ECLI:NL:HR:2009:BI5906</reference></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:HR:2009:BI5906</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2009:BI5906</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:HR:2009:BI5906"><country>NL</country><court>HR</court></isVersionOf><creator lang="nl">Hoge Raad</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2009-09-18</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Burgerlijk recht</subject><abstract lang="nl">Belastingrecht. Procesrecht. Kort Geding. Vordering Belastingdienst tot veroordeling op straffe van dwangsom tot nakoming van de in art. 47 AWR neergelegde opgaveverplichting levert geen doorkruising op van de publiekrechtelijke weg. Geen schending nemo-teneturbeginsel; de gegevens worden niet vergaard ten behoeve van een strafvervolging of bestuurlijke boete-oplegging maar voor een juiste belastingheffing.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 08/01490</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Cassatie</description><contributor lang="nl">Rechter(s): mr. D.H. Beukenhorst mr. O. de Savornin-Lohman mr. E.J. Numann mr. A. Hammerstein mr. W.A.M. van Schendel</contributor><issued>2009-09-18</issued><reference relation="citing" lang="nl">Algemene wet inzake rijksbelastingen 47</reference><reference type="ECLI" relation="precededBy" lang="nl">ECLI:NL:PHR:2009:BI5906</reference></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:GHLEE:2003:AK4447</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHLEE:2003:AK4447</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:GHLEE:2003:AK4447"><country>NL</country><court>GHLEE</court></isVersionOf><creator lang="nl">Gerechtshof Leeuwarden</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2003-09-12</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Belastingrecht</subject><abstract lang="nl">Te deze is in geschil het antwoord op de vraag of belanghebbende op grond van de verordeningen terecht in de baatbelasting is betrokken.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: BK 1060/01 Baatbelasting</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Eerste aanleg - meervoudig</description><issued>2003-09-17</issued><reference type="ECLI" relation="followedBy" lang="nl">ECLI:NL:HR:2006:AV4036</reference></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:GHAMS:1999:AA7822</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:1999:AA7822</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:GHAMS:1999:AA7822"><country>NL</country><court>GHAMS</court></isVersionOf><creator lang="nl">Gerechtshof Amsterdam</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>1999-12-20</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Belastingrecht</subject><abstract lang="nl">Een kerkgebouw tevens rijksmonument waarvoor geen gegadigden zijn heeft geen positieve waarde in het economische verkeer.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 98/1729</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Eerste aanleg - meervoudig</description><issued>2001-07-04</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:GHARN:2000:AA8332</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARN:2000:AA8332</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:GHARN:2000:AA8332"><country>NL</country><court>GHARN</court></isVersionOf><creator lang="nl">Gerechtshof Arnhem</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2000-10-26</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Belastingrecht</subject><abstract lang="nl">-</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 98/3279</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Eerste aanleg - enkelvoudig</description><issued>2001-07-04</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:GHAMS:2026:2577</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2026:2577</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:GHAMS:2026:2577"><country>NL</country><court>GHAMS</court></isVersionOf><creator lang="nl">Gerechtshof Amsterdam</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-06-30</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Belastingrecht</subject><abstract lang="nl">Tweede navorderingsaanslag IB/PVV 2015 in verband met correctie inkomen uit aanmerkelijk belang. Bouwkosten van een loods/schuur op het privé perceel van belanghebbende zijn ten laste gebracht van de B.V. Tijdigheid aanslag.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 25/2024</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Hoger beroep</description><issued>2026-09-24</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RBZWB:2026:9141</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:9141</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RBZWB:2026:9141"><country>NL</country><court>RBZWB</court></isVersionOf><creator lang="nl">Rechtbank Zeeland-West-Brabant</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-09-21</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Belastingrecht</subject><abstract lang="nl">Belanghebbende heeft verzocht om de toepassing van de doorschuifregeling van artikel 4.17c van de Wet IB 2001 in verband met de schenking van aandelen in een BV. De inspecteur heeft het verzoek gedeeltelijk afgewezen en heeft in verband hiermee een navorderingsaanslag IB/PVV opgelegd. Tussen partijen is in geschil welk deel van de overdrachtsprijs van de aandelen toerekenbaar is aan het ondernemingsvermogen van de vennootschap. Naar het oordeel van de rechtbank moet één vermogensbestanddeel alsnog tot het ondernemingsvermogen worden gerekend. Met betrekking tot de overige in geschil zijnde vermogensbestanddelen is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake van ondernemingsvermogen. De navorderingsaanslag en de daarmee samenhangende belastingrentebeschikking worden daarom verminderd.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: BRE 24/1496</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Eerste aanleg - meervoudig</description><issued>2026-09-28</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:HR:2004:AI0739</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2004:AI0739</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:HR:2004:AI0739"><country>NL</country><court>HR</court></isVersionOf><creator lang="nl">Hoge Raad</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2004-01-23</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Belastingrecht</subject><abstract lang="nl">Nr. 38.258 23 januari 2004 EC gewezen op het beroep in cassatie van X B.V. te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 25 april 2002, nr. 97/21045, betreffende na te melden aanslag in de vennootschapsbelasting. 1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof...</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 38258</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Cassatie</description><contributor lang="nl">Rechter(s): mr. A.E.M. van der Putt-Lauwers mr. F.W.G.M. van Brunschot mr. D.G. van Vliet mr. P. Lourens mr. C.B. Bavinck</contributor><issued>2004-01-23</issued><reference relation="citing" lang="nl">Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie 56</reference><reference relation="citing" lang="nl">Wet op de vennootschapsbelasting 1969 8</reference><reference type="ECLI" relation="precededBy" lang="nl">ECLI:NL:PHR:2004:AI0739</reference><reference type="ECLI" relation="precededBy" lang="nl">ECLI:NL:GHSHE:2002:AE3740</reference></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:HR:2004:AO7707</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2004:AO7707</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:HR:2004:AO7707"><country>NL</country><court>HR</court></isVersionOf><creator lang="nl">Hoge Raad</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2004-04-16</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Belastingrecht</subject><abstract lang="nl">Verplichte ziekenfondsverzekering voor zelfstandigen. Opgewekt vertrouwen?</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 38968</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Cassatie</description><contributor lang="nl">Rechter(s): mr. P.J. van Amersfoort mr. A.R. Leemreis mr. C.J.J. van Maanen</contributor><issued>2004-04-16</issued><reference relation="citing" lang="nl">Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen 3</reference><reference relation="citing" lang="nl">Ziekenfondswet 3</reference><reference relation="citing" lang="nl">Ziekenfondswet 3d</reference></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:PHR:2004:AI0739</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2004:AI0739</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:PHR:2004:AI0739"><country>NL</country><court>PHR</court></isVersionOf><creator lang="nl">Parket bij de Hoge Raad</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2004-01-23</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Conclusie</type><subject lang="nl">Belastingrecht</subject><abstract lang="nl">Nr. 38.258 23 januari 2004 EC gewezen op het beroep in cassatie van X B.V. te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 25 april 2002, nr. 97/21045, betreffende na te melden aanslag in de vennootschapsbelasting. 1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof...</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 38258</description><issued>2004-01-23</issued><reference relation="citing" lang="nl">Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie 56</reference><reference relation="citing" lang="nl">Wet op de vennootschapsbelasting 1969 8</reference><reference type="ECLI" relation="precededBy" lang="nl">ECLI:NL:GHSHE:2002:AE3740</reference><reference type="ECLI" relation="followedBy" lang="nl">ECLI:NL:HR:2004:AI0739</reference></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:HR:2008:BC7254</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2008:BC7254</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:HR:2008:BC7254"><country>NL</country><court>HR</court></isVersionOf><creator lang="nl">Hoge Raad</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2008-03-21</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Belastingrecht</subject><abstract lang="nl">Toezenden concept-controlerapport waarbij gelegenheid wordt geboden te reageren, is geen verzoek bedoeld in artikel 47, lid 1, aanhef, AWR.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 43695</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Cassatie</description><contributor lang="nl">Rechter(s): Vliet, van; Amersfoort, van; Lourens; Punt; Overgaauw</contributor><issued>2008-03-21</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:HR:2008:BD3185</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2008:BD3185</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:HR:2008:BD3185"><country>NL</country><court>HR</court></isVersionOf><creator lang="nl">Hoge Raad</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2008-06-06</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Belastingrecht</subject><abstract lang="nl">Milieu-investeringsaftrek. Willekeurige afschrijving milieu-investeringen. Is separate melding voor de milieu-investeringsaftrek vereist?</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 43716</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Cassatie</description><contributor lang="nl">Rechter(s): Amersfoort, van; Bavinck; Overgaauw</contributor><issued>2008-06-06</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:HR:2005:AS7925</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2005:AS7925</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:HR:2005:AS7925"><country>NL</country><court>HR</court></isVersionOf><creator lang="nl">Hoge Raad</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2005-02-25</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Belastingrecht</subject><abstract lang="nl">Ziekenfondswet zelfstandigen. Vertrouwensbeginsel. Dispositievereiste.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 40157</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Cassatie</description><contributor lang="nl">Rechter(s): mrs. A.G. Pos, P.J. van Amersfoort, A.R. Leemreis, C.J.J. van Maanen en C.A. Streefkerk</contributor><issued>2005-02-25</issued><reference relation="citing" lang="nl">Ziekenfondswet 3d</reference><reference relation="citing" lang="nl">Regeling tijdvak en inkomen ziekenfondsverzekering zelfstandigen 2</reference><reference relation="citing" lang="nl">Regeling tijdvak en inkomen ziekenfondsverzekering zelfstandigen 3</reference></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:HR:1999:AA2654</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:1999:AA2654</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:HR:1999:AA2654"><country>NL</country><court>HR</court></isVersionOf><creator lang="nl">Hoge Raad</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>1999-01-27</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Belastingrecht</subject><abstract lang="nl">-</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 33932</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Cassatie</description><contributor lang="nl">Rechter(s): mrs Stoffer, Zuurmond, Fleers, Pos, Beukenhorst</contributor><issued>2001-07-04</issued><reference relation="citing" lang="nl">Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten 26</reference></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:PHR:1999:AA2825</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:1999:AA2825</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:PHR:1999:AA2825"><country>NL</country><court>PHR</court></isVersionOf><creator lang="nl">Parket bij de Hoge Raad</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>1999-07-20</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Conclusie</type><subject lang="nl">Belastingrecht</subject><abstract lang="nl">-</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 33357</description><contributor lang="nl">Advocaat-/procureur-generaal: vS</contributor><issued>2001-07-04</issued><reference relation="citing" lang="nl">Wet op de vennootschapsbelasting 1969 8</reference><reference type="ECLI" relation="followedBy" lang="nl">ECLI:NL:HR:1999:AA2825</reference></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:HR:1999:AA2825</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:1999:AA2825</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:HR:1999:AA2825"><country>NL</country><court>HR</court></isVersionOf><creator lang="nl">Hoge Raad</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>1999-07-20</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Belastingrecht</subject><abstract lang="nl">-</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 33357</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Cassatie</description><contributor lang="nl">Rechter(s): mrs R.J.J. Jansen, Van Brunschot, Hammerstein, Van Amersfoort, Lourens</contributor><issued>2001-07-04</issued><reference relation="citing" lang="nl">Wet op de vennootschapsbelasting 1969 8</reference><reference type="ECLI" relation="precededBy" lang="nl">ECLI:NL:PHR:1999:AA2825</reference></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:HR:2003:AF8158</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2003:AF8158</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:HR:2003:AF8158"><country>NL</country><court>HR</court></isVersionOf><creator lang="nl">Hoge Raad</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2003-05-02</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Belastingrecht</subject><abstract lang="nl">-</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 38252</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Cassatie</description><contributor lang="nl">Rechter(s): Korthals Altes; Monné; Amersfoort, van; Leemreis; Maanen, van</contributor><issued>2003-05-02</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:HR:2003:AD9721</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2003:AD9721</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:HR:2003:AD9721"><country>NL</country><court>HR</court></isVersionOf><creator lang="nl">Hoge Raad</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2003-03-07</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Belastingrecht</subject><abstract lang="nl">-</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 36621</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Cassatie</description><contributor lang="nl">Rechter(s): Wattel; Korthals Altes; Amersfoort, van; Berge, van den; Leemreis; Maanen, van</contributor><issued>2003-03-07</issued><reference type="ECLI" relation="precededBy" lang="nl">ECLI:NL:PHR:2003:AD9721</reference></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:PHR:2003:AD9721</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2003:AD9721</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:PHR:2003:AD9721"><country>NL</country><court>PHR</court></isVersionOf><creator lang="nl">Parket bij de Hoge Raad</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2003-03-07</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Conclusie</type><subject lang="nl">Belastingrecht</subject><abstract lang="nl">-</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 36621</description><issued>2003-03-07</issued><reference type="ECLI" relation="followedBy" lang="nl">ECLI:NL:HR:2003:AD9721</reference></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RBROT:2013:5181</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2013:5181</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RBROT:2013:5181"><country>NL</country><court>RBROT</court></isVersionOf><creator lang="nl">Rechtbank Rotterdam</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2013-06-26</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Burgerlijk recht</subject><abstract lang="nl">Letselschade; deelgeschil; Wet Aansprakelijkheid Motorrijtuigen (WAM); na-risico; Is de uitsluiting van artikel 4 lid 1 WAM van toepassing, ook als de bestuurder zelf geen enkel verwijt zou treffen ten aanzien van het bij hem ontstane letsel? De rechtbank beantwoord deze vraag bevestigend; begroting kosten; geen veroordeling in de kosten nu aansprakelijkheid niet vast staat.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: C/10/423356 / HA RK 13-304</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Eerste aanleg - enkelvoudig</description><contributor lang="nl">Rechter(s): mr. Th. Veling</contributor><issued>2013-07-11</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:CBB:2017:343</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CBB:2017:343</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:CBB:2017:343"><country>NL</country><court>CBB</court></isVersionOf><creator lang="nl">College van Beroep voor het bedrijfsleven</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2017-10-26</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Bestuursrecht</subject><abstract lang="nl">Boete Meststoffenwet. College volgt conclusie A-G Keus t.a.v. artikel 5:44 van de Awb: het tweede en derde lid van dit artikel strekt niet tot de bescherming van de belangen van de (mogelijke) overtreder. Voorts is sprake van een schending van artikel 5:10a, tweede lid, Awb omdat ten onrechte de cautie niet is gegeven. Verweerder was ten aanzien van 17 vrachten niet bevoegd om een boete op te leggen. De hoogte van de boete dient derhalve opnieuw te worden berekend. Bestuurlijke lus toegepast.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 15/246</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Tussenuitspraak bestuurlijke lus</description><contributor lang="nl">Rechter(s): H.L. van der Beek, C.M. Wolters, R.R. Winter, H.G. Rottier, C.J. Borman</contributor><issued>2017-10-26</issued><reference relation="citing" lang="nl">Meststoffenwet</reference><reference relation="citing" lang="nl">Meststoffenwet 7</reference><reference relation="citing" lang="nl">Meststoffenwet 8</reference></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:HR:1953:AY3463</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:1953:AY3463</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:HR:1953:AY3463"><country>NL</country><court>HR</court></isVersionOf><creator lang="nl">Hoge Raad</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>1953-10-28</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Belastingrecht</subject><abstract lang="nl">In dienst van een kerk of kerkgenootschap; stichting; perceel.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 11 459</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Cassatie</description><contributor lang="nl">Rechter(s): Nypels; Dubois; Rijn Van Alkemade, Van; Wiarda; Loos, Van Der</contributor><issued>2025-01-10</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:HR:1996:BI5433</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:1996:BI5433</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:HR:1996:BI5433"><country>NL</country><court>HR</court></isVersionOf><creator lang="nl">Hoge Raad</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>1996-06-05</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Belastingrecht</subject><abstract lang="nl">-</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 30.314</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Cassatie</description><contributor lang="nl">Rechter(s): Stoffer, Wildeboer, Urlings, Zuurmond, Herrmann</contributor><issued>2020-01-24</issued><reference type="ECLI" relation="precededBy" lang="nl">ECLI:NL:PHR:1995:13</reference></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:HR:2008:BD3163</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2008:BD3163</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:HR:2008:BD3163"><country>NL</country><court>HR</court></isVersionOf><creator lang="nl">Hoge Raad</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2008-06-06</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Belastingrecht</subject><abstract lang="nl">Art. 6, lid 1, EVRM. Verbod van zelfincriminatie.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 43178</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Cassatie</description><contributor lang="nl">Rechter(s): Vliet, van; Amersfoort, van; Lourens; Leemreis; Overgaauw</contributor><issued>2008-06-06</issued><reference type="ECLI" relation="precededBy" lang="nl">ECLI:NL:GHSHE:2006:AY0306</reference></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:HR:2009:BI1968</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2009:BI1968</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:HR:2009:BI1968"><country>NL</country><court>HR</court></isVersionOf><creator lang="nl">Hoge Raad</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2009-04-24</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Belastingrecht</subject><abstract lang="nl">Art. 229b Gemeentewet. Stelplicht en bewijslast limietoverschrijding.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 07/12961</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Cassatie</description><contributor lang="nl">Rechter(s): mr. Schaap, mr. Van den Berge, mr. Heisterkamp, mr. Feteris, Mr. Van Maanen</contributor><issued>2009-04-24</issued><reference relation="citing" lang="nl">Gemeentewet</reference><reference relation="citing" lang="nl">Gemeentewet 229b</reference><reference type="ECLI" relation="precededBy" lang="nl">ECLI:NL:GHSHE:2007:BC0297</reference></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:HR:1998:AA2500</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:1998:AA2500</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:HR:1998:AA2500"><country>NL</country><court>HR</court></isVersionOf><creator lang="nl">Hoge Raad</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>1998-04-15</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Belastingrecht</subject><abstract lang="nl">-</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 33281</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Cassatie</description><contributor lang="nl">Rechter(s): mrs Stoffer, Zuurmond, Fleers, Pos, Beukenhorst</contributor><issued>2001-07-04</issued><reference relation="citing" lang="nl">Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie 59</reference><reference relation="citing" lang="nl">Wet op de loonbelasting 1964 10</reference><reference relation="citing" lang="nl">Wet op de loonbelasting 1964 11</reference></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:HR:2009:BJ5159</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2009:BJ5159</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:HR:2009:BJ5159"><country>NL</country><court>HR</court></isVersionOf><creator lang="nl">Hoge Raad</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2009-08-14</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Belastingrecht</subject><abstract lang="nl">Douanerechten; artikel 9 van de Douanewet en artikel 27e, aanhef en letter d, van de AWR; ontbreken van een verzoek van de Inspecteur om schriftelijke stukken over te leggen; artikelen 8:28 en 8:31 Awb; rechter verzoekt partij om schriftelijke inlichtingen zonder te wijzen op de verplichting die inlichtingen te verstrekken.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 42913</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Cassatie</description><contributor lang="nl">Rechter(s): Vliet, van; Lourens; Punt; Overgaauw; Loon, van</contributor><issued>2009-08-14</issued><reference type="ECLI" relation="precededBy" lang="nl">ECLI:NL:GHAMS:2005:AU7518</reference></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:GHAMS:2019:1534</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2019:1534</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:GHAMS:2019:1534"><country>NL</country><court>GHAMS</court></isVersionOf><creator lang="nl">Gerechtshof Amsterdam</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2019-05-01</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Financieelrecht</subject><abstract lang="nl">OK; Enquete; aanwijzing onderzoeker; art. 2:345 lid 1 BW</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 200.252.245/01 OK</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Eerste aanleg - meervoudig</description><contributor lang="nl">Rechter(s): M.P. Nieuwe Weme, G.C. Makkink, A.M.L. Broekhuijsen-Molenaar, F. van der Wel RA, R.A.H. van der Meer</contributor><issued>2019-05-06</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:GHARN:2004:AR4814</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARN:2004:AR4814</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:GHARN:2004:AR4814"><country>NL</country><court>GHARN</court></isVersionOf><creator lang="nl">Gerechtshof Arnhem</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2004-09-28</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Belastingrecht</subject><abstract lang="nl">Wet waardering onroerende zaken. In voormalig schoolgebouw gehouden bezinningssamenkomsten vallen onder de in de gemeentewet opgenomen kerkenvrijstelling.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 03-02493</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Eerste aanleg - enkelvoudig</description><contributor lang="nl">Rechter(s): Matthijssen</contributor><issued>2004-11-02</issued><reference relation="citing" lang="nl">Gemeentewet 220d</reference></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RBMNE:2019:2031</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2019:2031</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RBMNE:2019:2031"><country>NL</country><court>RBMNE</court></isVersionOf><creator lang="nl">Rechtbank Midden-Nederland</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2019-03-22</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Burgerlijk recht</subject><abstract lang="nl">-</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: C/16/477432 / KG ZA 19-165</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Kort geding</description><contributor lang="nl">Rechter(s): mr. J.K.J. van den Boom</contributor><issued>2019-05-08</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RBROT:2019:2928</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2019:2928</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RBROT:2019:2928"><country>NL</country><court>RBROT</court></isVersionOf><creator lang="nl">Rechtbank Rotterdam</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2019-04-17</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Burgerlijk recht</subject><abstract lang="nl">Verdeling gemeenschap na echtscheiding. Man komt overeenkomst (echtscheidingsconvenant) niet na om vrouw 30% van de aandelen in zijn BV te leveren. Man keert zich zelf € 250.000 dividend uit. Ongerechtvaardigde verrijking. Stelplicht verjaring. Rekening-courantschuld aan BV is overgeslagen goed (althans: overgeslagen schuld) bij verdeling. Geen verjaring maar alsnog ‘verdeling’ van deze schuld. Regresrecht pas na voldoening meer dan eigen aandeel.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: C/10/557316 / HA ZA 18-811</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Eerste aanleg - enkelvoudig</description><contributor lang="nl">Rechter(s): mr. W.J. van den Bergh</contributor><issued>2019-05-09</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:HR:2004:AR3513</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2004:AR3513</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:HR:2004:AR3513"><country>NL</country><court>HR</court></isVersionOf><creator lang="nl">Hoge Raad</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2004-10-08</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Belastingrecht</subject><abstract lang="nl">Bestaat er een verband tussen de door de Stichting aan een B.V. - onderdeel van een fiscale eenheid - verstrekte lening en de door een andere B.V. - onderdeel van dezelfde fiscale eenheid - aan Stichting gedane dividenduitkering?</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 39435</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Cassatie</description><contributor lang="nl">Rechter(s): mr. A.E.M. van der Putt-Lauwers mr. F.W.G.M. van Brunschot mr. C.B. Bavinck</contributor><issued>2004-10-08</issued><reference relation="citing" lang="nl">Wet op de vennootschapsbelasting 1969 10a</reference><reference relation="citing" lang="nl">Wet op de vennootschapsbelasting 1969 15</reference></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:HR:1987:BH7136</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:1987:BH7136</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:HR:1987:BH7136"><country>NL</country><court>HR</court></isVersionOf><creator lang="nl">Hoge Raad</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>1987-07-01</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Belastingrecht</subject><abstract lang="nl">MRB; art. 1, lid 1, letter b, Wet op de motorrijtuigenbelasting 1966; personenauto; kampeerauto; mogelijkheid tot personenvervoer.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 24.351</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Cassatie</description><contributor lang="nl">Rechter(s): Royer; Jansen; Linde, Van Der; Baardman; Bellaart</contributor><issued>2023-09-18</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:HR:2017:640</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2017:640</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:HR:2017:640"><country>NL</country><court>HR</court></isVersionOf><creator lang="nl">Hoge Raad</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2017-04-21</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Belastingrecht</subject><abstract lang="nl">Vennootschapsbelasting. Art. 10a, leden 1 en 3, Wet Vpb 1969 (tekst 2008). Toepassing van de tegenbewijsregeling van lid 3, letter a, bij (indirect) externe lening.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 16/03669</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Cassatie</description><issued>2017-04-21</issued><reference type="ECLI" relation="precededBy" lang="nl">ECLI:NL:PHR:2017:52</reference><reference type="ECLI" relation="precededBy" lang="nl">ECLI:NL:GHAMS:2016:2218</reference></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RBGEL:2026:7245</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2026:7245</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RBGEL:2026:7245"><country>NL</country><court>RBGEL</court></isVersionOf><creator lang="nl">Rechtbank Gelderland</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-09-22</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Bestuursrecht</subject><abstract lang="nl">Vovo, kennelijk ongegrond, geen spoedeisend belang.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: ARN 26/4136</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Eerste aanleg - enkelvoudig, Voorlopige voorziening</description><contributor lang="nl">Rechter(s): M.J.M. Verhoeven</contributor><issued>2026-09-30</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RBDHA:2025:28157</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:28157</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RBDHA:2025:28157"><country>NL</country><court>RBDHA</court></isVersionOf><creator lang="nl">Rechtbank Den Haag</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2025-10-28</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Bestuursrecht</subject><abstract lang="nl">Oplegging bestuurlijke boete vanwege in gebruik geven woonruimte zonder huisvestingsvergunning - verweerder heeft onvoldoende onderzocht en gemotiveerd dat sprake was een duurzaam en gemeenschappelijk huishouden tussen de bewoners - beroep gegrond.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: SGR 25/2293</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Eerste aanleg - enkelvoudig</description><contributor lang="nl">Rechter(s): W.A. Timmer</contributor><issued>2026-09-30</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:CRVB:2014:1302</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2014:1302</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:CRVB:2014:1302"><country>NL</country><court>CRVB</court></isVersionOf><creator lang="nl">Centrale Raad van Beroep</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2014-04-18</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Sociale-zekerheidsrecht</subject><abstract lang="nl">1) Weigering ANW- uitkering. Echtgenoot van appellante was ten tijde van zijn overlijden niet (vrijwillig) verzekerd voor de ANW. 2) Weigering appellante toe te laten tot de vrijwillige verzekering voor de ANW. De aanvraag is te laat ingediend. Door appellante is niets aangevoerd dat zou kunnen meebrengen dat de niet-tijdige aanvraag om deelname aan de vrijwillige verzekering verschoonbaar is.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 13-3505 ANW</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Hoger beroep</description><contributor lang="nl">Rechter(s): mr. E.E.V. Lenos</contributor><issued>2014-04-22</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:CRVB:2013:BZ4716</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2013:BZ4716</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:CRVB:2013:BZ4716"><country>NL</country><court>CRVB</court></isVersionOf><creator lang="nl">Centrale Raad van Beroep</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2013-03-01</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Sociale-zekerheidsrecht</subject><abstract lang="nl">De Svb heeft in het bestreden besluit terecht besloten de echtgenoot postuum, dan wel appellante namens de echtgenoot, niet toe te laten tot de vrijwillige verzekering. De beoordeling die de Svb tot dit oordeel heeft geleid, heeft op een ondeugdelijke grondslag plaatsgevonden. Het bestreden besluit berust op een onjuiste motivering en moet dan ook wegens strijd met artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht worden vernietigd, zij het dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand kunnen blijven. Nu de rechtbank het bestreden besluit in stand heeft gelaten, zal de Raad de aangevallen uitspraak vernietigen en, doende wat de rechtbank had behoren te doen, het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen onder instandlating van de rechtsgevolgen ervan.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 12/1515 ANW</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Hoger beroep</description><contributor lang="nl">Rechter(s): Mrs. T.L. de Vries, E.E.V. Lenos, B.J. van der Net</contributor><issued>2013-03-19</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:CRVB:2000:AA8249</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2000:AA8249</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:CRVB:2000:AA8249"><country>NL</country><court>CRVB</court></isVersionOf><creator lang="nl">Centrale Raad van Beroep</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2000-10-04</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Bestuursrecht</subject><subject lang="nl">Sociale-zekerheidsrecht</subject><abstract lang="nl">Onderscheid tussen gehuwden en ongehuwden in art. 66a Anw vindt rechtvaardiging in doel van de invoering van deze bepaling. Het onderscheid dat art. 66a Anw maakt tussen gehuwden en ongehuwd samenwonenden valt rechtstreeks te herleiden tot het doel van de invoering van die bepaling; het gaat om een groep die aan de AWW wel aanspraak kon ontlenen en niet in staat is geweest het door de invoering van de Anw ongedekt geworden overlijdensrisico te verzekeren. De Raad acht dit doel van de bepaling alleszins gerechtvaardigd en is verder van oordeel dat het in dat verband gemaakte onderscheid tussen gehuwden en ongehuwd samenwonenden de toets aan evenvermelde verdragsbepalingen kan doorstaan; de twee groepen zijn immers niet vergelijkbaar op het punt van het bestaan van een wettelijke verzekering terzake van het overlijdensrisico onder de vigeur van de AWW. De Sociale Verzekeringsbank, gedaagde. mrs. N.J. Haverkamp, F.P. Zwart, R. Kooper</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 99/3814 Anw</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Hoger beroep</description><contributor lang="nl">Rechter(s): Haverkamp, Zwart, Kooper</contributor><issued>2000-10-04</issued><reference relation="citing" lang="nl">Algemene nabestaandenwet 14</reference><reference relation="citing" lang="nl">Algemene nabestaandenwet 66a</reference><reference relation="citing" lang="nl">Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten 26</reference></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:CRVB:2000:AE8644</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2000:AE8644</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:CRVB:2000:AE8644"><country>NL</country><court>CRVB</court></isVersionOf><creator lang="nl">Centrale Raad van Beroep</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2000-12-14</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Sociale-zekerheidsrecht</subject><abstract lang="nl">-</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 99/353 ZFW</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Hoger beroep</description><contributor lang="nl">Rechter(s): van der Net, Bekker, van der Wiel</contributor><issued>2002-10-10</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:CRVB:2001:AB1656</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2001:AB1656</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:CRVB:2001:AB1656"><country>NL</country><court>CRVB</court></isVersionOf><creator lang="nl">Centrale Raad van Beroep</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2001-04-11</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Bestuursrecht</subject><subject lang="nl">Sociale-zekerheidsrecht</subject><abstract lang="nl">-</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 99/1027 ANW en 99?1028 ANW</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Hoger beroep</description><contributor lang="nl">Rechter(s): Haverkamp, de Vries, Levelt-Overmars</contributor><issued>2001-07-19</issued><reference relation="citing" lang="nl">Algemene nabestaandenwet 10</reference><reference relation="citing" lang="nl">Algemene nabestaandenwet 18</reference><reference relation="citing" lang="nl">Algemene nabestaandenwet 46</reference><reference relation="citing" lang="nl">Inkomens- en samenloopbesluit Anw 8</reference></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:CRVB:2001:AB2195</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2001:AB2195</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:CRVB:2001:AB2195"><country>NL</country><court>CRVB</court></isVersionOf><creator lang="nl">Centrale Raad van Beroep</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2001-05-02</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Bestuursrecht</subject><subject lang="nl">Sociale-zekerheidsrecht</subject><abstract lang="nl">-</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 99/4643 Anw</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Hoger beroep</description><contributor lang="nl">Rechter(s): Haverkamp, Zwart, de Vries</contributor><issued>2001-08-02</issued><reference relation="citing" lang="nl">Algemene nabestaandenwet 4</reference></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:CRVB:2001:AD3637</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2001:AD3637</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:CRVB:2001:AD3637"><country>NL</country><court>CRVB</court></isVersionOf><creator lang="nl">Centrale Raad van Beroep</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2001-08-08</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Bestuursrecht</subject><abstract lang="nl">-</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 01/1366 ZFW</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Hoger beroep</description><contributor lang="nl">Rechter(s): 't Hooft, van Male, Berkel-Kikkert</contributor><issued>2001-09-20</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RBAMS:2008:BH3094</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2008:BH3094</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RBAMS:2008:BH3094"><country>NL</country><court>RBAMS</court></isVersionOf><creator lang="nl">Rechtbank Amsterdam</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2008-12-24</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Burgerlijk recht</subject><abstract lang="nl">Koopovereenkomst onroerende zaak, ABC-constructie vastgoed, overeenkomst van opdracht, toerekenbare tekortkoming, onrechtmatige daad, bedrog, misbruik van omstandigheden</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 368250</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Bodemzaak, Eerste aanleg - enkelvoudig</description><issued>2009-02-17</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RBOVE:2018:243</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBOVE:2018:243</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RBOVE:2018:243"><country>NL</country><court>RBOVE</court></isVersionOf><creator lang="nl">Rechtbank Overijssel</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2018-01-23</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Burgerlijk recht</subject><abstract lang="nl">Mocht de tussen partijen gesloten cursusovereenkomst ontbonden worden ingevolge artikel 6:230o lid 1 sub a BW of was er sprake van de uitzondering zoals genoemd in artikel 6:230p aanhef en onder d BW? Deze uitzondering op de bevoegdheid tot ontbinding heeft volgens de kantonrechter enkel betrekking op overeenkomsten waarbij de nakoming reeds heeft plaatsgevonden. Daarvan is geen sprake. Ook aan de overige criteria is niet voldaan. Ook geen betalingsverplichtingen op grond van artikel 6:230s lid 4 BW, omdat niet aan de voorwaarden van dat artikel is voldaan.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 6238479 \ CV EXPL 17-5321</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Eerste aanleg - enkelvoudig</description><contributor lang="nl">Rechter(s): S.J.S. Groeneveld-Koekkoek</contributor><issued>2018-01-26</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:CBB:2015:106</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CBB:2015:106</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:CBB:2015:106"><country>NL</country><court>CBB</court></isVersionOf><creator lang="nl">College van Beroep voor het bedrijfsleven</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2015-03-31</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Bestuursrecht</subject><abstract lang="nl">Aansluitverplichting Wet Bpf 2000 - Onverplichte vrijstelling artikel 6 Vrijstellings- en Boetebesluit Wet Bpf 2000 - Bpf mocht vrijstellingsverzoeken in redelijkheid afwijzen</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: AWB 13/601 ea</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Hoger beroep, Proceskostenveroordeling</description><contributor lang="nl">Rechter(s): W.A.J. van Lierop, M.M. Smorenburg, R.F.B. van Zutphen</contributor><issued>2015-04-09</issued><reference relation="citing" lang="nl">Pensioenwet</reference></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:CRVB:2019:924</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2019:924</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:CRVB:2019:924"><country>NL</country><court>CRVB</court></isVersionOf><creator lang="nl">Centrale Raad van Beroep</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2019-03-19</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Sociale-zekerheidsrecht</subject><abstract lang="nl">Geen beroep mogelijk tegen het niet tijdig beslissen op een aanvraag indien ten tijde van het beroep het besluit op de aanvraag al is genomen.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 17/5487 PW</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Hoger beroep</description><issued>2019-03-25</issued><reference type="ECLI" relation="precededBy" lang="nl">ECLI:NL:RBROT:2017:5203</reference></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:CRVB:2019:3747</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2019:3747</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:CRVB:2019:3747"><country>NL</country><court>CRVB</court></isVersionOf><creator lang="nl">Centrale Raad van Beroep</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2019-11-26</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Sociale-zekerheidsrecht</subject><abstract lang="nl">Beroep niet tijdig beslissen. Paragraaf 4.13.3 van de Awb is niet van toepassing op de PW, zodat van een positieve beschikking bij niet tijdig beslissen geen sprake is. Het College is geen dwangsom verschuldigd nu een ingebrekestelling ontbreekt.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 18/5269 PW</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Hoger beroep</description><issued>2019-12-02</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:CRVB:2016:443</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2016:443</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:CRVB:2016:443"><country>NL</country><court>CRVB</court></isVersionOf><creator lang="nl">Centrale Raad van Beroep</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2016-02-03</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Sociale-zekerheidsrecht</subject><abstract lang="nl">Het Uwv heeft ten onrechte aan de toenmalige gemachtigde van werkgeefster, werkzaam bij een verzekeringsmaatschappij, bijzondere toestemming voor kennisname van medische gegevens als bedoeld in artikel 105 van de Wet WIA onthouden. Niet gebleken van enige deugdelijke grond om die toestemming te weigeren. Het Uwv heeft niet onderbouwd dat bij de (toenmalige) gemachtigde van betrokkene een verhoogd risico bestond van oneigenlijk gebruik van de gegevens voor andere doeleinden.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 14/7022 WIA</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Hoger beroep</description><contributor lang="nl">Rechter(s): Mrs. Zeijen, Dijt, Koper</contributor><issued>2016-02-09</issued><reference relation="citing" lang="nl">Algemene wet bestuursrecht</reference><reference relation="citing" lang="nl">Algemene wet bestuursrecht 8:32</reference><reference relation="citing" lang="nl">Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen</reference><reference relation="citing" lang="nl">Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen 105</reference></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:HR:2011:BT7500</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2011:BT7500</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:HR:2011:BT7500"><country>NL</country><court>HR</court></isVersionOf><creator lang="nl">Hoge Raad</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2011-12-09</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Burgerlijk recht</subject><abstract lang="nl">Arbeidsrecht; BBA. Oordeel hof dat rechtsverhouding partijen, gelet op omstandigheden geval, aangemerkt moet worden als arbeidsverhouding als bedoeld in BBA. In art. 1, onder b sub 2, BBA genoemde criteria zijn objectief van aard (met uitzondering vereiste van het persoonlijk verrichten van de arbeid, omdat daarbij van belang is wat partijen zijn overeengekomen en derhalve ook de - subjectieve - partijbedoelingen een rol kunnen spelen (vgl. HR 21 maart 1969, LJN AC4919, NJ 1969/321)). Strekking BBA brengt mee dat voor bescherming betrokkene op moment beëindiging arbeidsverhouding vereist maar ook voldoende is dat op dat moment aan genoemde criteria wordt voldaan. Overige klachten verworpen met toepassing art. 81 RO.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 10/03210</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Cassatie</description><contributor lang="nl">Rechter(s): Mr. Streefkerk, Mr. Fleers, Mr. Van Oven, mr. Drion, mr. Bakels</contributor><issued>2011-12-09</issued><reference relation="citing" lang="nl">Buitengewoon Besluit Arbeidsverhoudingen 1945</reference><reference relation="citing" lang="nl">Buitengewoon Besluit Arbeidsverhoudingen 1945 1</reference><reference type="ECLI" relation="precededBy" lang="nl">ECLI:NL:PHR:2011:BT7500</reference></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:PHR:2011:BT7500</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2011:BT7500</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:PHR:2011:BT7500"><country>NL</country><court>PHR</court></isVersionOf><creator lang="nl">Parket bij de Hoge Raad</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2011-12-09</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Conclusie</type><subject lang="nl">Burgerlijk recht</subject><abstract lang="nl">Arbeidsrecht; BBA. Oordeel hof dat rechtsverhouding partijen, gelet op omstandigheden geval, aangemerkt moet worden als arbeidsverhouding als bedoeld in BBA. In art. 1, onder b sub 2, BBA genoemde criteria zijn objectief van aard (met uitzondering vereiste van het persoonlijk verrichten van de arbeid, omdat daarbij van belang is wat partijen zijn overeengekomen en derhalve ook de - subjectieve - partijbedoelingen een rol kunnen spelen (vgl. HR 21 maart 1969, LJN AC4919, NJ 1969/321)). Strekking BBA brengt mee dat voor bescherming betrokkene op moment beëindiging arbeidsverhouding vereist maar ook voldoende is dat op dat moment aan genoemde criteria wordt voldaan. Overige klachten verworpen met toepassing art. 81 RO.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 10/03210</description><issued>2011-12-09</issued><reference type="ECLI" relation="followedBy" lang="nl">ECLI:NL:HR:2011:BT7500</reference></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:CBB:2011:BV0546</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CBB:2011:BV0546</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:CBB:2011:BV0546"><country>NL</country><court>CBB</court></isVersionOf><creator lang="nl">College van Beroep voor het bedrijfsleven</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2011-12-08</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Bestuursrecht</subject><abstract lang="nl">wijziging polisvoorwaarden ziektekosten verzoek wijziging aard van de verzekerde zorg niet verenigbaar met zorgverzekeringswet. Motiveringsgebrek, vernietiging. Toepassen bestuurlijke lus. Nza dient opnieuw op het verzoek van appellanten om handhavend op te treden te beslissen.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: AWB 10/1309 AWB 10/1310 T</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Eerste aanleg - meervoudig</description><contributor lang="nl">Rechter(s): mr. M. van Duuren mr E.R. Eggeraat mr. E.M.H. Loozen</contributor><issued>2012-01-11</issued><reference relation="citing" lang="nl">Wet marktordening gezondheidszorg</reference><reference relation="citing" lang="nl">Wet marktordening gezondheidszorg 16</reference><reference relation="citing" lang="nl">Wet marktordening gezondheidszorg 77</reference><reference relation="citing" lang="nl">Wet marktordening gezondheidszorg 83</reference><reference relation="citing" lang="nl">Wet marktordening gezondheidszorg 105</reference><reference relation="citing" lang="nl">Zorgverzekeringswet</reference><reference relation="citing" lang="nl">Zorgverzekeringswet 1</reference><reference relation="citing" lang="nl">Zorgverzekeringswet 10</reference><reference relation="citing" lang="nl">Zorgverzekeringswet 11</reference><reference relation="citing" lang="nl">Zorgverzekeringswet 25</reference><reference relation="citing" lang="nl">Besluit zorgverzekering</reference><reference relation="citing" lang="nl">Besluit zorgverzekering 2.1</reference><reference relation="citing" lang="nl">Besluit zorgverzekering 2.4</reference><reference relation="citing" lang="nl">Besluit zorgverzekering 2.8</reference><reference relation="citing" lang="nl">Besluit zorgverzekering 2.11</reference><reference relation="citing" lang="nl">Algemene wet bestuursrecht</reference><reference relation="citing" lang="nl">Algemene wet bestuursrecht 1:2</reference><reference relation="citing" lang="nl">Algemene wet bestuursrecht 1:3</reference><reference relation="citing" lang="nl">Wet bestuursrechtspraak bedrijfsorganisatie</reference><reference relation="citing" lang="nl">Wet bestuursrechtspraak bedrijfsorganisatie 19</reference></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:GHLEE:2011:BR0320</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHLEE:2011:BR0320</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:GHLEE:2011:BR0320"><country>NL</country><court>GHLEE</court></isVersionOf><creator lang="nl">Gerechtshof Leeuwarden</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2011-07-05</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Burgerlijk recht</subject><abstract lang="nl">Loonvordering directeur grootaandeelhouder in faillissement. Hof relativeert diens arbeidsovereenkomst als bedoeld in artikel 40 Faillissementswet.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 200.068.619/01</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Hoger beroep</description><contributor lang="nl">Rechter(s): Mr. Fikkers, Mr. Kuiper, Mr. Boon-Niks</contributor><issued>2011-07-05</issued><reference relation="citing" lang="nl">Burgerlijk Wetboek Boek 2</reference><reference relation="citing" lang="nl">Burgerlijk Wetboek Boek 2 248</reference><reference relation="citing" lang="nl">Burgerlijk Wetboek Boek 7</reference><reference relation="citing" lang="nl">Burgerlijk Wetboek Boek 7 611</reference><reference relation="citing" lang="nl">Faillissementswet</reference><reference relation="citing" lang="nl">Faillissementswet 40</reference><reference type="ECLI" relation="precededBy" lang="nl">ECLI:NL:RBGRO:2010:BL8523</reference><reference type="ECLI" relation="followedBy" lang="nl">ECLI:NL:HR:2012:BW7009</reference><reference type="ECLI" relation="followedBy" lang="nl">ECLI:NL:PHR:2012:BW7009</reference></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RBMAA:2011:BR1173</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMAA:2011:BR1173</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RBMAA:2011:BR1173"><country>NL</country><court>RBMAA</court></isVersionOf><creator lang="nl">Rechtbank Maastricht</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2011-07-04</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Burgerlijk recht</subject><abstract lang="nl">Werknemer tracht in kort geding het wettelijk recht van de werkgever om - in beginsel te allen tijde en onder alle omstandigheden - het UWV om een ontslagvergunning te vragen, te doorkruisen met een beroep op tekortkoming in de nakoming van een garantiebeding (terugkeer in een gelijkwaardige positie) in de arbeidsovereenkomst. artikel 6 BBA 1945, artikel 7:861 en 7:862 BW, arbeidsrecht, ontslag, UWV, toestemming, ontslagvergunning, opzegging, arbeidsovereenkomst, terugkeergarantie, gelijkwaardige functie, garantiebeding.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 161970/KG ZA 11-243</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Kort geding</description><contributor lang="nl">Rechter(s): mr. E.P. van Unen</contributor><issued>2011-07-11</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:GHARN:2011:BR3312</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARN:2011:BR3312</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:GHARN:2011:BR3312"><country>NL</country><court>GHARN</court></isVersionOf><creator lang="nl">Gerechtshof Arnhem</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2011-07-12</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Burgerlijk recht</subject><abstract lang="nl">Toestemming als bedoeld in artikel 6 BBA vereist?</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 200.072.219</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Hoger beroep</description><contributor lang="nl">Rechter(s): Mr. Katz-Soeterboek, mr. Van Osch, mr. Duitemeijer</contributor><issued>2011-07-27</issued><reference relation="citing" lang="nl">Buitengewoon Besluit Arbeidsverhoudingen 1945</reference><reference relation="citing" lang="nl">Buitengewoon Besluit Arbeidsverhoudingen 1945 6</reference><reference type="ECLI" relation="followedBy" lang="nl">ECLI:NL:HR:2013:BZ7389</reference></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:GHSHE:2011:BT2869</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2011:BT2869</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:GHSHE:2011:BT2869"><country>NL</country><court>GHSHE</court></isVersionOf><creator lang="nl">Gerechtshof 's-Hertogenbosch</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2011-09-27</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Burgerlijk recht</subject><abstract lang="nl">Arbeidsrecht ontslag internationaal vrachtwagenchauffeur. BBA niet van toepassing.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: HD 200.072.829</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Hoger beroep</description><contributor lang="nl">Rechter(s): Mrs. E.A.G.M. Waaijers, C.A.M. Walsteijn, M. Breur</contributor><issued>2011-09-28</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RBHAA:2011:BP5392</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBHAA:2011:BP5392</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RBHAA:2011:BP5392"><country>NL</country><court>RBHAA</court></isVersionOf><creator lang="nl">Rechtbank Haarlem</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2011-02-17</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Burgerlijk recht</subject><subject lang="nl">Familierecht</subject><abstract lang="nl">Verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst. Ten gevolge van de herstructurering van de organisatie van werkgever, is de functie van werkneemster komen te vervallen. Daarvoor is de nieuwe functie van hoofd Customer Contact Center in de plaats gekomen. Werkneemster heeft op de nieuwe functie gesolliciteerd, maar heeft deze niet verworven. Werkgever verzoekt ontbinding van de arbeidsovereenkomst wegens een verandering in de omstandigheden. Hij is bereid om aan werkneemster, die gedurende bijna 25 jaar bij werkgever in dienst is geweest, een neutrale vergoeding toe te kennen conform de door de OR geadviseerde vaststellingsovereenkomst. Werkneemster refereert zich ten aanzien van de ontbinding aan het oordeel van de kantonrechter, maar vraagt een vergoeding met toepassing van de correctiefactor C=2. Zij voert daartoe aan dat werkgever haar heeft toegezegd dat zij in aanmerking zou komen voor de nieuwe functie van hoofd Customer Contact Center. Door die toezegging niet na te komen heeft werkgever zich zodanig verwijtbaar jegens werkneemster gedragen, dat dit, mede gelet op haar persoonlijke omstandigheden, de verzochte vergoeding rechtvaardigt. Werkgever heeft de toezegging betwist. De procedure leent zich niet voor bewijs door middel van getuigen, zodat dient te worden uitgegaan van de feiten en omstandigheden die zich in het kader van de herstructurering hebben voorgedaan en het gewicht dat daaraan moet worden toegekend. De kantonrechter is van oordeel dat werkgever bij werkneemster het gerechtvaardigd vertrouwen heeft gewekt dat deze, na het verval van haar oude functie, in aanmerking zou komen voor de nieuwe functie. Werkgever heeft zonder voorafgaande overleg met werkneemster besloten dat werkneemster op die nieuwe functie moest solliciteren. Nu niet is gebleken dat werkgever vervolgens serieuze inspanningen heeft verricht om werkneemster te helpen bij het vinden van een andere, passende functie binnen of buiten haar organisatie, heeft werkgever de norm van goed werkgeverschap zodanig geschonden, dat toekenning van de door werkgever aangeboden ‘neutrale’ vergoeding tot een evident onbillijke uitkomst zou leiden. De kantonrechterj wijst de door werkneemster verzochte vergoeding toe.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 489877 AO VERZ 10-742</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Eerste aanleg - enkelvoudig</description><contributor lang="nl">Rechter(s): mr. G.W.S. de Groot</contributor><issued>2011-02-22</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:HR:2008:BG1680</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2008:BG1680</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:HR:2008:BG1680"><country>NL</country><court>HR</court></isVersionOf><creator lang="nl">Hoge Raad</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2008-12-19</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Burgerlijk recht</subject><abstract lang="nl">Overeenkomstenrecht; opdracht en aanneming van werk. Vergoeding van bonus en meerwerk bij uitgevoerd herbouwproject recreatiecentrum; redelijk loon als bedoeld in art. 7:405 lid 2 BW, maatstaf; motiveringseisen.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: C07/133HR</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Cassatie</description><contributor lang="nl">Rechter(s): mr. J.B. Fleers mr. A. Hammerstein mr. J.C. van Oven mr. W.A.M. van Schendel mr. C.A. Streefkerk</contributor><issued>2008-12-19</issued><reference type="ECLI" relation="precededBy" lang="nl">ECLI:NL:PHR:2008:BG1680</reference></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:PHR:2008:BG1680</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2008:BG1680</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:PHR:2008:BG1680"><country>NL</country><court>PHR</court></isVersionOf><creator lang="nl">Parket bij de Hoge Raad</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2008-12-19</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Conclusie</type><subject lang="nl">Burgerlijk recht</subject><abstract lang="nl">Overeenkomstenrecht; opdracht en aanneming van werk. Vergoeding van bonus en meerwerk bij uitgevoerd herbouwproject recreatiecentrum; redelijk loon als bedoeld in art. 7:405 lid 2 BW, maatstaf; motiveringseisen.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: C07/133HR</description><issued>2008-12-19</issued><reference type="ECLI" relation="followedBy" lang="nl">ECLI:NL:HR:2008:BG1680</reference></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:HR:2010:BK9136</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2010:BK9136</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:HR:2010:BK9136"><country>NL</country><court>HR</court></isVersionOf><creator lang="nl">Hoge Raad</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2010-01-15</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Belastingrecht</subject><abstract lang="nl">Art. 220 Gemeentewet; art. 3.3. BW; Is woonark (on)roerend?; waardebepaling in goede justitie leent zich slechts in beperkte mate voor motivering.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 07/13305</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Cassatie</description><contributor lang="nl">Rechter(s): mr. J.W. van den Berge mr. C. Schaap mr. J.W.M. Tijnagel mr. A.H.T. Heisterkamp mr. M.W.C. Feteris</contributor><issued>2010-01-15</issued><reference type="ECLI" relation="precededBy" lang="nl">ECLI:NL:GHARN:2007:BB6079</reference></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:PHR:2008:BC9349</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2008:BC9349</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:PHR:2008:BC9349"><country>NL</country><court>PHR</court></isVersionOf><creator lang="nl">Parket bij de Hoge Raad</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2008-05-30</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Conclusie</type><subject lang="nl">Burgerlijk recht</subject><abstract lang="nl">Huurrecht. Opzegging duurovereenkomst; verschuldigdheid van schadeloosstelling door opzeggende partij. (81 RO)</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: C07/005HR</description><issued>2008-05-30</issued><reference relation="citing" lang="nl">Wet op de rechterlijke organisatie 81</reference><reference type="ECLI" relation="followedBy" lang="nl">ECLI:NL:HR:2008:BC9349</reference></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:HR:2008:BC9349</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2008:BC9349</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:HR:2008:BC9349"><country>NL</country><court>HR</court></isVersionOf><creator lang="nl">Hoge Raad</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2008-05-30</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Burgerlijk recht</subject><abstract lang="nl">Huurrecht. Opzegging duurovereenkomst; verschuldigdheid van schadeloosstelling door opzeggende partij. (81 RO)</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: C07/005HR</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Cassatie</description><contributor lang="nl">Rechter(s): mr. A.M.J. van Buchem-Spapens mr. J.C. van Oven mr. C.A. Streefkerk</contributor><issued>2008-05-30</issued><reference relation="citing" lang="nl">Wet op de rechterlijke organisatie 81</reference><reference type="ECLI" relation="precededBy" lang="nl">ECLI:NL:PHR:2008:BC9349</reference></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RBNNE:2016:5889</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNNE:2016:5889</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RBNNE:2016:5889"><country>NL</country><court>RBNNE</court></isVersionOf><creator lang="nl">Rechtbank Noord-Nederland</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2016-10-10</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Burgerlijk recht</subject><abstract lang="nl">Buitenwerkingstelling van verklaring van onherroepelijkheid van de volmacht (3:74 lid 4 BW)</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: C/18/168322 HA RK 16-195</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Eerste aanleg - enkelvoudig, Rekestprocedure, Op tegenspraak</description><contributor lang="nl">Rechter(s): P. Molema</contributor><issued>2019-04-08</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:HR:2012:BU8512</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2012:BU8512</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:HR:2012:BU8512"><country>NL</country><court>HR</court></isVersionOf><creator lang="nl">Hoge Raad</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2012-02-24</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Burgerlijk recht</subject><abstract lang="nl">Arbeidsrecht. Opzegging zonder toestemming als bedoeld in art. 6 BBA. Toepasselijkheid (art. 6 en 9) BBA hangt, zoals beslist in HR 23 oktober 1987, LJN AD0017, NJ 1988/842, af van mate van betrokkenheid sociaal-economische verhoudingen in Nederland en belangen Nederlandse arbeidsmarkt bij de arbeidsovereenkomst en het ontslag. Sinds wijziging art. 6 BBA bij Wet van 14 mei 1998 (Stb. 1998, 300) staat bescherming werknemer tegen sociaal ongerechtvaardigd ontslag nog meer op de voorgrond door vervallen van vergunningsplicht voor ontslagneming door werknemer. Oordeel hof dat doel BBA om een aan de werknemer toekomende vorm van bescherming tegen (sociaal) ongerechtvaardigd ontslag te bieden de nadruk verdient, is juist. Oordeel dat toepasselijkheid art. 6 en 9 BBA in onderhavig geval gerechtvaardigd is, geeft niet blijk van onjuiste rechtsopvatting.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 10/03971</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Cassatie</description><contributor lang="nl">Rechter(s): Mr. Numann, Mr. Snijders, Mr. Van Oven, Mr. Asser, mr. Drion</contributor><issued>2012-02-24</issued><reference relation="citing" lang="nl">Buitengewoon Besluit Arbeidsverhoudingen 1945</reference><reference relation="citing" lang="nl">Buitengewoon Besluit Arbeidsverhoudingen 1945 6</reference><reference relation="citing" lang="nl">Buitengewoon Besluit Arbeidsverhoudingen 1945 9</reference><reference relation="citing" lang="nl">Burgerlijk Wetboek Boek 7</reference><reference relation="citing" lang="nl">Burgerlijk Wetboek Boek 7 685</reference><reference type="ECLI" relation="precededBy" lang="nl">ECLI:NL:PHR:2012:BU8512</reference><reference type="ECLI" relation="precededBy" lang="nl">ECLI:NL:GHAMS:2010:BM9544</reference></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:PHR:2012:BU8512</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2012:BU8512</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:PHR:2012:BU8512"><country>NL</country><court>PHR</court></isVersionOf><creator lang="nl">Parket bij de Hoge Raad</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2012-02-24</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Conclusie</type><subject lang="nl">Burgerlijk recht</subject><abstract lang="nl">Arbeidsrecht. Opzegging zonder toestemming als bedoeld in art. 6 BBA. Toepasselijkheid (art. 6 en 9) BBA hangt, zoals beslist in HR 23 oktober 1987, LJN AD0017, NJ 1988/842, af van mate van betrokkenheid sociaal-economische verhoudingen in Nederland en belangen Nederlandse arbeidsmarkt bij de arbeidsovereenkomst en het ontslag. Sinds wijziging art. 6 BBA bij Wet van 14 mei 1998 (Stb. 1998, 300) staat bescherming werknemer tegen sociaal ongerechtvaardigd ontslag nog meer op de voorgrond door vervallen van vergunningsplicht voor ontslagneming door werknemer. Oordeel hof dat doel BBA om een aan de werknemer toekomende vorm van bescherming tegen (sociaal) ongerechtvaardigd ontslag te bieden de nadruk verdient, is juist. Oordeel dat toepasselijkheid art. 6 en 9 BBA in onderhavig geval gerechtvaardigd is, geeft niet blijk van onjuiste rechtsopvatting.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 10/03971</description><issued>2012-02-24</issued><reference type="ECLI" relation="precededBy" lang="nl">ECLI:NL:GHAMS:2010:BM9544</reference><reference type="ECLI" relation="followedBy" lang="nl">ECLI:NL:HR:2012:BU8512</reference></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:HR:2011:BT8469</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2011:BT8469</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:HR:2011:BT8469"><country>NL</country><court>HR</court></isVersionOf><creator lang="nl">Hoge Raad</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2011-12-16</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Burgerlijk recht</subject><abstract lang="nl">Art. 81 RO. Internationale koop; Weens Koopverdrag. Beroep op non-conformiteit.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 10/04959</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Cassatie</description><contributor lang="nl">Rechter(s): Mrs. F.B. Bakels, W.D.H. Asser, C.E. Drion</contributor><issued>2011-12-16</issued><reference type="ECLI" relation="precededBy" lang="nl">ECLI:NL:PHR:2011:BT8469</reference><reference type="ECLI" relation="precededBy" lang="nl">ECLI:NL:GHSHE:2008:BQ5850</reference><reference type="ECLI" relation="precededBy" lang="nl">ECLI:NL:GHSHE:2009:BQ5852</reference><reference type="ECLI" relation="precededBy" lang="nl">ECLI:NL:GHSHE:2010:BQ5853</reference></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:PHR:2011:BT8469</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2011:BT8469</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:PHR:2011:BT8469"><country>NL</country><court>PHR</court></isVersionOf><creator lang="nl">Parket bij de Hoge Raad</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2011-12-16</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Conclusie</type><subject lang="nl">Burgerlijk recht</subject><abstract lang="nl">Art. 81 RO. Internationale koop; Weens Koopverdrag. Beroep op non-conformiteit.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 10/04959</description><issued>2011-12-16</issued><reference type="ECLI" relation="precededBy" lang="nl">ECLI:NL:GHSHE:2008:BQ5850</reference><reference type="ECLI" relation="precededBy" lang="nl">ECLI:NL:GHSHE:2009:BQ5852</reference><reference type="ECLI" relation="precededBy" lang="nl">ECLI:NL:GHSHE:2010:BQ5853</reference><reference type="ECLI" relation="followedBy" lang="nl">ECLI:NL:HR:2011:BT8469</reference></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RBNHO:2026:12866</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2026:12866</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RBNHO:2026:12866"><country>NL</country><court>RBNHO</court></isVersionOf><creator lang="nl">Rechtbank Noord-Holland</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-08-20</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Bestuursrecht</subject><abstract lang="nl">OMGEVINGSWET. OMGEVINGSPLAN. LAST ONDER DWANGSOM. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college handhavend mocht optreden tegen de dam met duiker en beschoeiing. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: HAA 25/3115</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Eerste aanleg - enkelvoudig</description><contributor lang="nl">Rechter(s): J.H.A.C. Everaerts</contributor><issued>2026-09-30</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:CRVB:1996:AL0666</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:1996:AL0666</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:CRVB:1996:AL0666"><country>NL</country><court>CRVB</court></isVersionOf><creator lang="nl">Centrale Raad van Beroep</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>1996-05-29</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Sociale-zekerheidsrecht</subject><abstract lang="nl">Eigen bijdrage bij geïndiceerde ziekenhuisopname wegens bevalling — strijd met ILO-verdragen 102 en 103 — rechtstreekse werking.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 93/4 ZFW; 93/5 ZFW; 93/6 ZFW</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Hoger beroep</description><contributor lang="nl">Rechter(s): Haverkamp, Zwart, Hirsch Ballin</contributor><issued>2010-04-29</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:CRVB:1997:ZB6868</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:1997:ZB6868</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:CRVB:1997:ZB6868"><country>NL</country><court>CRVB</court></isVersionOf><creator lang="nl">Centrale Raad van Beroep</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>1997-03-14</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Bestuursrecht</subject><subject lang="nl">Sociale-zekerheidsrecht</subject><abstract lang="nl">-</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 96/2946 ZFW;96/2947 AWBZ</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Hoger beroep</description><contributor lang="nl">Rechter(s): 't Hooft, van der Vos, Olde Kalter</contributor><issued>2002-07-11</issued><reference relation="citing" lang="nl">Besluit zorgaanspraken bijzondere ziektekostenverzekering 19</reference><reference relation="citing" lang="nl">Verstrekkingenbesluit ziekenfondsverzekering 3</reference></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:CRVB:2002:AF2374</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2002:AF2374</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:CRVB:2002:AF2374"><country>NL</country><court>CRVB</court></isVersionOf><creator lang="nl">Centrale Raad van Beroep</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2002-11-15</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Bestuursrecht</subject><subject lang="nl">Sociale-zekerheidsrecht</subject><abstract lang="nl">-</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 01/1915 Anw</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Hoger beroep</description><contributor lang="nl">Rechter(s): van der Kade, de Vries, Simon</contributor><issued>2002-12-23</issued><reference relation="citing" lang="nl">Algemene nabestaandenwet 10</reference><reference relation="citing" lang="nl">Inkomens- en samenloopbesluit Anw 13</reference><reference relation="citing" lang="nl">Inkomens- en samenloopbesluit Anw 8</reference></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:CRVB:2002:AF2376</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2002:AF2376</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:CRVB:2002:AF2376"><country>NL</country><court>CRVB</court></isVersionOf><creator lang="nl">Centrale Raad van Beroep</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2002-12-03</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Bestuursrecht</subject><subject lang="nl">Sociale-zekerheidsrecht</subject><abstract lang="nl">-</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 00/5156 ZFW</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Hoger beroep</description><contributor lang="nl">Rechter(s): van Male, de Vrey, Rottier</contributor><issued>2002-12-23</issued><reference relation="citing" lang="nl">Verstrekkingenbesluit ziekenfondsverzekering 3</reference><reference relation="citing" lang="nl">Ziekenfondswet 8</reference></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:CRVB:2002:AF5489</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2002:AF5489</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:CRVB:2002:AF5489"><country>NL</country><court>CRVB</court></isVersionOf><creator lang="nl">Centrale Raad van Beroep</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2002-12-04</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Bestuursrecht</subject><subject lang="nl">Sociale-zekerheidsrecht</subject><abstract lang="nl">-</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 01/1735 ZFW</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Hoger beroep</description><contributor lang="nl">Rechter(s): 't Hooft, van Male, Berkel-Kikkert</contributor><issued>2003-03-11</issued><reference relation="citing" lang="nl">Besluit beperking kring verzekerden Ziekenfondswet 2</reference><reference relation="citing" lang="nl">Ziekenfondswet 3</reference></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:CRVB:2003:AF6578</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2003:AF6578</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:CRVB:2003:AF6578"><country>NL</country><court>CRVB</court></isVersionOf><creator lang="nl">Centrale Raad van Beroep</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2003-01-27</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Bestuursrecht</subject><subject lang="nl">Sociale-zekerheidsrecht</subject><abstract lang="nl">Niet tot uitbetaling gekomen uitkering toch meetellen bij loongrenstoetsing ZFW.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 01/3983 ZFW</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Hoger beroep</description><contributor lang="nl">Rechter(s): van der Net, van der Wiel, van der Ham</contributor><issued>2003-03-31</issued><reference relation="citing" lang="nl">Ziekenfondswet 3</reference></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:CRVB:2003:AF7499</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2003:AF7499</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:CRVB:2003:AF7499"><country>NL</country><court>CRVB</court></isVersionOf><creator lang="nl">Centrale Raad van Beroep</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2003-04-04</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Bestuursrecht</subject><subject lang="nl">Sociale-zekerheidsrecht</subject><abstract lang="nl">-</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 01/4438 ANW</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Hoger beroep</description><contributor lang="nl">Rechter(s): van der Kade, de Vries, Simon</contributor><issued>2003-04-18</issued><reference relation="citing" lang="nl">Algemene nabestaandenwet 15</reference><reference relation="citing" lang="nl">Algemene wet bestuursrecht 7:9</reference></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:CRVB:2003:AF9332</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2003:AF9332</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:CRVB:2003:AF9332"><country>NL</country><court>CRVB</court></isVersionOf><creator lang="nl">Centrale Raad van Beroep</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2003-04-25</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Bestuursrecht</subject><subject lang="nl">Sociale-zekerheidsrecht</subject><abstract lang="nl">Herleving recht op nabestaandenuitkering na overlijden partner binnen zes maanden?</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 01/2772 ANW</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Hoger beroep</description><contributor lang="nl">Rechter(s): van der Kade, de Vries, Simon</contributor><issued>2003-06-02</issued><reference relation="citing" lang="nl">Algemene nabestaandenwet 16</reference><reference relation="citing" lang="nl">Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten 26</reference></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:CRVB:2003:AH8674</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2003:AH8674</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:CRVB:2003:AH8674"><country>NL</country><court>CRVB</court></isVersionOf><creator lang="nl">Centrale Raad van Beroep</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2003-05-28</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Bestuursrecht</subject><subject lang="nl">Sociale-zekerheidsrecht</subject><abstract lang="nl">Aanvraag aangepaste stoel. Onderzoek onzorgvuldig geweest. Eerst medisch onderzoek vereist.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 01/6059 ZFW</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Hoger beroep</description><contributor lang="nl">Rechter(s): van Male, Berkel-Kikkert, Rottier</contributor><issued>2003-06-30</issued><reference relation="citing" lang="nl">Algemene wet bestuursrecht 3:2</reference></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:CRVB:2003:AH8611</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2003:AH8611</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:CRVB:2003:AH8611"><country>NL</country><court>CRVB</court></isVersionOf><creator lang="nl">Centrale Raad van Beroep</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2003-06-13</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Bestuursrecht</subject><subject lang="nl">Sociale-zekerheidsrecht</subject><abstract lang="nl">Toepassing art. 67 Anw. Het onderscheid tussen personen wier gezamenlijke huishouding is beëindigd door overlijden, en personen van wie de gezamenlijke huishouding door een andere oorzaak is geëindigd, berust op redelijke en objectieve gronden.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 01/5215 ANW + 5216 ANW</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Hoger beroep</description><contributor lang="nl">Rechter(s): De Vries, Simon, Stam</contributor><issued>2003-06-30</issued><reference relation="citing" lang="nl">Algemene nabestaandenwet 67</reference><reference relation="citing" lang="nl">Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten 26</reference><reference relation="citing" lang="nl">Europese Code inzake sociale zekerheid, Straatsburg, 16-04-1964 67</reference></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:CRVB:2003:AN8581</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2003:AN8581</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:CRVB:2003:AN8581"><country>NL</country><court>CRVB</court></isVersionOf><creator lang="nl">Centrale Raad van Beroep</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2003-10-20</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Sociale-zekerheidsrecht</subject><abstract lang="nl">Heeft het ziekenfonds terecht een zogenoemde forfaitaire schadevergoeding opgelegd wegens onrechtmatige inschrijving in de ziekenfondsverzekering?</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 02/2615 ZFW</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Hoger beroep</description><contributor lang="nl">Rechter(s): Mr. ’t Hooft, Mr. Berkel-Kikkert, Mr. Van Male</contributor><issued>2003-11-20</issued><reference relation="citing" lang="nl">Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten</reference><reference relation="citing" lang="nl">Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten 1:4</reference><reference relation="citing" lang="nl">Inschrijvingsbesluit ziekenfondsverzekering</reference><reference relation="citing" lang="nl">Inschrijvingsbesluit ziekenfondsverzekering 14</reference></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:CRVB:2026:1134</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2026:1134</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:CRVB:2026:1134"><country>NL</country><court>CRVB</court></isVersionOf><creator lang="nl">Centrale Raad van Beroep</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-08-13</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Sociale-zekerheidsrecht</subject><abstract lang="nl">In deze zaak gaat het om de vraag of de Svb terecht heeft aangenomen dat betrokkene en zijn in Turkije wonende echtgenote vanaf de huwelijkssluiting niet duurzaam gescheiden leven en dus het AOW-pensioen van betrokkene moet worden verlaagd naar de norm voor een gehuwde. De Raad volgt niet het oordeel van de rechtbank dat de Svb onvoldoende onderzoek heeft gedaan en het bewijsrisico moet dragen. Uit de door betrokkene aangedragen feiten en omstandigheden blijkt niet ondubbelzinnig dat vanaf de huwelijkssluiting sprake was van duurzaam gescheiden leven. De Svb heeft het AOW-pensioen van betrokkene terecht herzien naar de norm voor een gehuwde en het teveel betaalde bedrag van betrokkene teruggevorderd.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 26/58 AOW</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Hoger beroep</description><issued>2026-09-09</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:PHR:2008:BC1244</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2008:BC1244</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:PHR:2008:BC1244"><country>NL</country><court>PHR</court></isVersionOf><creator lang="nl">Parket bij de Hoge Raad</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2008-01-25</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Conclusie</type><subject lang="nl">Burgerlijk recht</subject><abstract lang="nl">Overeenkomstenrecht. Geschil tussen opdrachtgever en bouwer van carrosserie op oplegger over uitgebleven aanpassingswerkzaamheden en ontbinding wegens constructiefouten (81 RO).</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: C06/279HR</description><issued>2008-01-25</issued><reference relation="citing" lang="nl">Wet op de rechterlijke organisatie 81</reference><reference type="ECLI" relation="followedBy" lang="nl">ECLI:NL:HR:2008:BC1244</reference></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:HR:2008:BC1244</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2008:BC1244</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:HR:2008:BC1244"><country>NL</country><court>HR</court></isVersionOf><creator lang="nl">Hoge Raad</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2008-01-25</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Burgerlijk recht</subject><abstract lang="nl">Overeenkomstenrecht. Geschil tussen opdrachtgever en bouwer van carrosserie op oplegger over uitgebleven aanpassingswerkzaamheden en ontbinding wegens constructiefouten (81 RO).</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: C06/279HR</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Cassatie</description><contributor lang="nl">Rechter(s): mr. P.C. Kop mr. O. de Savornin Lohman mr. F.B. Bakels</contributor><issued>2008-01-25</issued><reference relation="citing" lang="nl">Wet op de rechterlijke organisatie 81</reference><reference type="ECLI" relation="precededBy" lang="nl">ECLI:NL:PHR:2008:BC1244</reference></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:HR:2008:BC2241</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2008:BC2241</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:HR:2008:BC2241"><country>NL</country><court>HR</court></isVersionOf><creator lang="nl">Hoge Raad</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2008-04-04</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Familierecht</subject><abstract lang="nl">Familierecht. Gezamenlijk ouderlijk gezag na echtscheiding; verzoek van (bijzonder curator van) minderjarig kind op voet van art. 1:251a BW tot toekenning eenhoofdig gezag, ontvankelijkheid.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: R07/119HR</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Cassatie</description><contributor lang="nl">Rechter(s): mr. D.H. Beukenhorst mr. O. de Savornin Lohman mr. P.C. Kop mr. E.J. Numann mr. C.A. Streefkerk</contributor><issued>2008-04-04</issued><reference type="ECLI" relation="precededBy" lang="nl">ECLI:NL:PHR:2008:BC2241</reference></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:PHR:2008:BC2241</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2008:BC2241</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:PHR:2008:BC2241"><country>NL</country><court>PHR</court></isVersionOf><creator lang="nl">Parket bij de Hoge Raad</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2008-04-04</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Conclusie</type><subject lang="nl">Familierecht</subject><abstract lang="nl">Familierecht. Gezamenlijk ouderlijk gezag na echtscheiding; verzoek van (bijzonder curator van) minderjarig kind op voet van art. 1:251a BW tot toekenning eenhoofdig gezag, ontvankelijkheid.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: R07/119HR</description><issued>2008-04-04</issued><reference type="ECLI" relation="followedBy" lang="nl">ECLI:NL:HR:2008:BC2241</reference></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:PHR:2008:BD7592</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2008:BD7592</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:PHR:2008:BD7592"><country>NL</country><court>PHR</court></isVersionOf><creator lang="nl">Parket bij de Hoge Raad</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2008-09-26</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Conclusie</type><subject lang="nl">Burgerlijk recht</subject><abstract lang="nl">Procesrecht; betwisting van procesvolmacht en last aan procureur van tijdens geding herleefde rechtspersoon; onderzoek rechter.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 07/13139</description><issued>2008-09-26</issued><reference type="ECLI" relation="followedBy" lang="nl">ECLI:NL:HR:2008:BD7592</reference></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:HR:2008:BD7592</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2008:BD7592</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:HR:2008:BD7592"><country>NL</country><court>HR</court></isVersionOf><creator lang="nl">Hoge Raad</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2008-09-26</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Burgerlijk recht</subject><abstract lang="nl">Procesrecht; betwisting van procesvolmacht en last aan procureur van tijdens geding herleefde rechtspersoon; onderzoek rechter.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 07/13139</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Cassatie</description><contributor lang="nl">Rechter(s): mr. J.B. Fleers mr. O. de Savornin Lohman mr. E.J. Numann mr. A. Hammerstein mr. F.B. Bakels</contributor><issued>2008-09-26</issued><reference type="ECLI" relation="precededBy" lang="nl">ECLI:NL:PHR:2008:BD7592</reference></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RBLEE:2011:BU2509</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBLEE:2011:BU2509</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RBLEE:2011:BU2509"><country>NL</country><court>RBLEE</court></isVersionOf><creator lang="nl">Rechtbank Leeuwarden</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2011-10-25</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Burgerlijk recht</subject><abstract lang="nl">Arbeidsrecht: artikel 7:611 BW inzake het goed werkgeverschap is niet rechtstreeks van toepassing op de verhouding tussen inlener en uitzendkracht. Wel reflexwerking.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 355407 - CV EXPL 11-3512</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Eerste aanleg - enkelvoudig</description><contributor lang="nl">Rechter(s): mr. Leijten</contributor><issued>2011-10-28</issued><reference relation="citing" lang="nl">Burgerlijk Wetboek Boek 6</reference><reference relation="citing" lang="nl">Burgerlijk Wetboek Boek 6 162</reference><reference relation="citing" lang="nl">Burgerlijk Wetboek Boek 7</reference><reference relation="citing" lang="nl">Burgerlijk Wetboek Boek 7 611</reference></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RBROT:2011:BU5268</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2011:BU5268</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RBROT:2011:BU5268"><country>NL</country><court>RBROT</court></isVersionOf><creator lang="nl">Rechtbank Rotterdam</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2011-11-18</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Burgerlijk recht</subject><abstract lang="nl">Relatiebeding. Eiser is in loondienst geweest bij gedaagde. In de arbeidsovereenkomst was een relatiebeding opgenomen, inhoudend dat eiser tot twee jaar na uitdiensttreding geen zakelijk relatie mag aangaan met klanten van gedaagde. Eiser vordert dat gedaagde hem een lijst met haar relaties overlegt. Gedaagde stelt dat zij hierdoor in haar belangen zou worden geschaad en dat partijen niet expliciet zijn overeengekomen dat gedaagde de lijst aan eiser zou verstrekken. De kantonrechter oordeelt dat gedaagde de lijst met haar relaties aan eiser dient te strekken, of dat zij eiser van het relatiebeding dient te ontslaan. Het is niet werkbaar voor eiser in diens nieuwe betrekking, dat hij voortdurend bij gedaagde moet nagaan of een potentiële klant een relatie van gedaagde zou zijn, zeker nu gedaagde tussen de 300 en 500 relaties heeft.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 1231581</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Eerste aanleg - enkelvoudig</description><contributor lang="nl">Rechter(s): Mr. A. Buizer</contributor><issued>2011-11-22</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RBZLY:2011:BT8860</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZLY:2011:BT8860</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RBZLY:2011:BT8860"><country>NL</country><court>RBZLY</court></isVersionOf><creator lang="nl">Rechtbank Zwolle-Lelystad</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2011-10-18</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Burgerlijk recht</subject><abstract lang="nl">Arbeidszaak. Kort Geding. Vordering wedertewerkstelling van medewerker van paardenstal afgewezen. Werkgever heeft bij wijziging van de functie conform het overeengekomen beding een voldoende zwaarwichtig belang, gelet op de voorshands gevolgde verklaringen van een collega-medewerker en de dierenarts dat werknemer de paarden ruw en verbaal agressief behandelt, als gevolg waarvan de paarden gestresst en moeilijk handelbaar zijn geworden en enkele paarden uit angst voor de werknemer zich hebben verwond. In de gegeven omstandigheden behoefde geen verbetertraject te worden geboden.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 571882 VV 11-71</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Voorlopige voorziening</description><contributor lang="nl">Rechter(s): mr. W.F. Boele</contributor><issued>2011-10-21</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:CRVB:1998:AA8684</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:1998:AA8684</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:CRVB:1998:AA8684"><country>NL</country><court>CRVB</court></isVersionOf><creator lang="nl">Centrale Raad van Beroep</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>1998-03-06</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Bestuursrecht</subject><subject lang="nl">Sociale-zekerheidsrecht</subject><abstract lang="nl">-</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 97/2260 AWBZ</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Hoger beroep</description><contributor lang="nl">Rechter(s): 't Hooft, van der Vos, Schelfhout</contributor><issued>2003-12-17</issued><reference relation="citing" lang="nl">Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten</reference><reference relation="citing" lang="nl">Verstrekkingenbesluit ziekenfondsverzekering 12</reference></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RBSGR:2006:AV7778</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBSGR:2006:AV7778</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RBSGR:2006:AV7778"><country>NL</country><court>RBSGR</court></isVersionOf><creator lang="nl">Rechtbank 's-Gravenhage</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2006-03-31</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Burgerlijk recht</subject><abstract lang="nl">Kort geding aangespannen door de Stichting Belangenbehartiging Nederlandse Gepensioneerden in het Buitenland en vijf individuele gepensioneerden, wonend in andere EU-landen tegen de Staat (het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport) over enkele onderdelen van het nieuwe zorgverzekeringsstelsel.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: KG 06/125</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Kort geding</description><contributor lang="nl">Rechter(s): mr. H.F.M. Hofhuis</contributor><issued>2006-03-31</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:GHSHE:2009:BQ3043</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2009:BQ3043</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:GHSHE:2009:BQ3043"><country>NL</country><court>GHSHE</court></isVersionOf><creator lang="nl">Gerechtshof 's-Hertogenbosch</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2009-10-20</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Burgerlijk recht</subject><abstract lang="nl">Huur. Hennepzaak. Is er sprake van een hennepkwekerij nu er geen planten zijn aangetroffen?</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: HD 103.005.723</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Hoger beroep</description><contributor lang="nl">Rechter(s): Mrs. N.J.M. van Etten, B.A. Meulenbroek, W.H.B. den Hartog Jager</contributor><issued>2011-04-29</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RBROT:2011:BQ3318</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2011:BQ3318</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RBROT:2011:BQ3318"><country>NL</country><court>RBROT</court></isVersionOf><creator lang="nl">Rechtbank Rotterdam</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2011-01-04</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Burgerlijk recht</subject><abstract lang="nl">Verzoek tot ontbinding van een arbeidsovereenkomst. Re-integratie is mislukt. Er zijn communicatieproblemen tussen werkgever en werknemer. Er wordt ontbonden wegens gewijzigde omstandigheden. Verder worden in deze beschikking beschouwingen gegeven over de noodzaak van mediation.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 1180192</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Eerste aanleg - enkelvoudig</description><contributor lang="nl">Rechter(s): mr. A.J.J. van Rijen</contributor><issued>2011-05-03</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RBUTR:2011:BQ7711</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBUTR:2011:BQ7711</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RBUTR:2011:BQ7711"><country>NL</country><court>RBUTR</court></isVersionOf><creator lang="nl">Rechtbank Utrecht</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2011-06-01</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Burgerlijk recht</subject><abstract lang="nl">Filmclub is geslaagd te bewijzen dat zij een DVD aan gedaagde heeft verhuurd. Gedaagde is gehouden een deel van de gevorderde contractuele boete te betalen. Filmclub had eerder moeten begrijpen dat gedaagde de DVD niet zou terugbrengen en had daarom eerder van haar bevoegdheid gebruik moeten maken de DVD te vervangen. Door dat niet te doen, heeft zij de boete onnodig laten oplopen.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 690324 UC EXPL 10-6653 mh</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Eerste aanleg - enkelvoudig</description><contributor lang="nl">Rechter(s): mr. M.E. Heinemann</contributor><issued>2011-06-10</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RBAMS:2011:BT7339</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2011:BT7339</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RBAMS:2011:BT7339"><country>NL</country><court>RBAMS</court></isVersionOf><creator lang="nl">Rechtbank Amsterdam</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2011-01-06</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Burgerlijk recht</subject><abstract lang="nl">Is een negatief salaris mogelijk? Uitleg van de arbeidsovereenkomst</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: CV09-41427</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Eerste aanleg - enkelvoudig</description><contributor lang="nl">Rechter(s): Mr. E.R.S.M. Marres</contributor><issued>2011-10-12</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RBLEE:2011:BR2580</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBLEE:2011:BR2580</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RBLEE:2011:BR2580"><country>NL</country><court>RBLEE</court></isVersionOf><creator lang="nl">Rechtbank Leeuwarden</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2011-07-13</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Burgerlijk recht</subject><abstract lang="nl">Geschil over betaling facturen van recreatiepark. Het recreatiepark heeft vanwege een betalingsachterstand percelen afgesloten van gas, water en elektriciteit. Vordering tot heraansluiting. Opschortingsrecht.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 112783 / KG ZA 11-161</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Kort geding</description><contributor lang="nl">Rechter(s): mr. M. Jansen</contributor><issued>2011-07-21</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:GHARN:2008:BG2086</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARN:2008:BG2086</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:GHARN:2008:BG2086"><country>NL</country><court>GHARN</court></isVersionOf><creator lang="nl">Gerechtshof Arnhem</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2008-10-07</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Burgerlijk recht</subject><abstract lang="nl">Op grond van het onder 4.11 en 4.12 overwogene is het hof (voor het geval dat sprake was van niet-aflevering die niet een wezenlijke tekortkoming opleverde) van oordeel dat is komen vast te staan dat Smit Arens een aanvullende termijn (als bedoeld in artikel 47 lid 1 CISG) voor de nakoming van haar verplichtingen heeft gesteld die afliep op 2/3 december 2002. Dit brengt derhalve ook voor het hier aan de orde zijnde geval mee dat het onderzoek van de deskundige naar de al dan niet non-conformiteit (zie artikel 35 CISG) van de Drillkopf betrekking diende te hebben op de Drillkopf zoals die door Arens op 2 en 3 december 2002 aan Smit ter beschikking was gesteld.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 104.003.479</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Hoger beroep</description><issued>2008-10-30</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:CRVB:1993:AN3357</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:1993:AN3357</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:CRVB:1993:AN3357"><country>NL</country><court>CRVB</court></isVersionOf><creator lang="nl">Centrale Raad van Beroep</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>1993-04-06</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Sociale-zekerheidsrecht</subject><abstract lang="nl">Weigering uitkering aan vroeggehandicapte.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: AAW 1988/39</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Hoger beroep</description><contributor lang="nl">Rechter(s): Haverkamp, Grendel, Zwart</contributor><issued>2009-06-24</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:CRVB:1993:ZB2889</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:1993:ZB2889</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:CRVB:1993:ZB2889"><country>NL</country><court>CRVB</court></isVersionOf><creator lang="nl">Centrale Raad van Beroep</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>1993-08-17</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Bestuursrecht</subject><subject lang="nl">Sociale-zekerheidsrecht</subject><abstract lang="nl">Maatmanloon; wijziging jurisprudentie.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: AAW 91/362</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Hoger beroep</description><contributor lang="nl">Rechter(s): Spaas, van den Hurk, van Male</contributor><issued>2005-12-21</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RBROT:2013:4653</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2013:4653</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RBROT:2013:4653"><country>NL</country><court>RBROT</court></isVersionOf><creator lang="nl">Rechtbank Rotterdam</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2013-06-26</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Burgerlijk recht</subject><abstract lang="nl">Beperking van aansprakelijkheid. LLMC 1976. Uitzondering voor wrakopruimingskosten. Welke vorderingen vallen daaronder?</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: CIV-342230_26062013</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Bodemzaak, Eerste aanleg - enkelvoudig, Op tegenspraak</description><contributor lang="nl">Rechter(s): A.N. van Zelm van Eldik</contributor><issued>2013-07-10</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:CRVB:2017:995</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2017:995</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:CRVB:2017:995"><country>NL</country><court>CRVB</court></isVersionOf><creator lang="nl">Centrale Raad van Beroep</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2017-03-07</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Sociale-zekerheidsrecht</subject><abstract lang="nl">Het bezwaar tegen het niet tijdig beslissen op de aanvraag is ongeveer 2 jaar later gemaakt, zodat dit onredelijk laat is. Het bezwaar is terecht niet-ontvankelijk verklaard.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 15-4388 WWB</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Hoger beroep</description><issued>2017-03-20</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:CRVB:2000:AE8737</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2000:AE8737</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:CRVB:2000:AE8737"><country>NL</country><court>CRVB</court></isVersionOf><creator lang="nl">Centrale Raad van Beroep</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2000-03-16</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Sociale-zekerheidsrecht</subject><abstract lang="nl">-</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 98/5368 ALGEM</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Hoger beroep</description><contributor lang="nl">Rechter(s): van der Net, Schoemaker, van der Wiel</contributor><issued>2002-10-11</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:CRVB:2000:ZB8731</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2000:ZB8731</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:CRVB:2000:ZB8731"><country>NL</country><court>CRVB</court></isVersionOf><creator lang="nl">Centrale Raad van Beroep</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2000-03-01</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Bestuursrecht</subject><subject lang="nl">Familierecht</subject><abstract lang="nl">-</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 98/4463 Anw</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Hoger beroep</description><contributor lang="nl">Rechter(s): Haverkamp, Zwart, de Vries</contributor><issued>2000-12-04</issued><reference relation="citing" lang="nl">Algemene nabestaandenwet 4</reference><reference relation="citing" lang="nl">Grondwet 93</reference><reference relation="citing" lang="nl">Grondwet 94</reference></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:CRVB:2000:ZB8921</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2000:ZB8921</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:CRVB:2000:ZB8921"><country>NL</country><court>CRVB</court></isVersionOf><creator lang="nl">Centrale Raad van Beroep</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2000-07-11</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Bestuursrecht</subject><subject lang="nl">Sociale-zekerheidsrecht</subject><abstract lang="nl">-</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 98/5322 ZFW</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Hoger beroep</description><contributor lang="nl">Rechter(s): 't Hooft, van der Vos, van Male</contributor><issued>2002-10-08</issued><reference relation="citing" lang="nl">Vreemdelingenbesluit 2000 3</reference><reference relation="citing" lang="nl">Vreemdelingenbesluit 2000 4</reference><reference relation="citing" lang="nl">Ziekenfondswet 8</reference><reference relation="citing" lang="nl">Regeling hulp in het buitenland ziekenfondsverzekering.</reference></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:CRVB:2000:AA7653</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2000:AA7653</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:CRVB:2000:AA7653"><country>NL</country><court>CRVB</court></isVersionOf><creator lang="nl">Centrale Raad van Beroep</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2000-09-28</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Bestuursrecht</subject><abstract lang="nl">Apotheker die geneesmiddel verstrekt is niet rechtstreeks getroffen door besluit om dit middel niet te vergoeden. Afwijzing aanvraag namens appellante 1 om verstrekking van het geneesmiddel CellCept. Appellante 2, zelfstandig apotheker te B, heeft het voorgeschreven geneesmiddel aan appellante 1 verstrekt, zonder dat de kosten ad f 1.035,62 per maand door gedaagde zijn vergoed. De Raad stelt vast dat appellante 2 in haar hoedanigheid van zelfstandig apotheker heeft zorggedragen voor de aflevering van CellCept aan appellante 1. Appellante 2 en gedaagde hebben hun onderlinge rechtspositie nader geregeld in een medewerkersovereenkomst als bedoeld in Hoofdstuk IV van de Zfw. Krachtens deze overeenkomst is de apotheker gehouden de farmaceutische hulp te verlenen waarop appellante 1 krachtens de Zfw aanspraak heeft. Gedaagde heeft zich verplicht deze hulp volgens overeengekomen tarieven te vergoeden. De Raad beantwoordt de vraag of appellante 2 als belanghebbende in de zin van art. 1:2, eerste lid, Awb kan worden aangemerkt ontkennend. De door appellante 2 gestelde belangen zijn ingebed in de tussen appellante 2 en appellante 1 bestaande rechtsbetrekking; deze belangen zijn derhalve niet rechtstreeks betrokken bij het bestreden besluit. Het gegeven dat tussen appellante 2 en gedaagde een in de Zfw geregelde medewerkersovereenkomst is gesloten maakt dit niet anders. Ook daarvoor geldt dat het belang van appellante 2 niet rechtstreeks is betrokken bij het bestreden besluit. Dat appellante 2 het een principiële zaak vindt dat het middel CellCept ten laste van de Zfw aan alle daarvoor op medische gronden in aanmerking komende verzekerden verstrekt kan worden, is geen belang waardoor appellante 2 individueel wordt geraakt en dat zich in relevante mate onderscheidt van het belang dat een ieder heeft bij het bestreden besluit. De Raad ziet tenslotte niet in dat in het onderhavige geval een rechtstreeks betrokken belang kan worden ontleend aan de Wet op de Geneesmiddelenvoorziening en het Besluit uitoefening artsenijbereidkunst, reeds niet omdat de door de gemachtigde gestelde absolute afleverplicht van geneesmiddelen daarin niet valt te lezen. Beroep van appellante 2 terecht niet-ontvankelijk verklaard. Onderlinge Waarborgmaatschappij OZ zorgverzekeringen U.A. te Breda, gedaagde. mrs. M.I. 't Hooft, D.J. van der Vos, R.M. van Male Awb 1:2 Zfw Verstrekkingenbesluit ziekenfondsverzekering 9.1.a Regeling farmaceutische hulp 1996</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 98/8878 ZFW</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Hoger beroep</description><contributor lang="nl">Rechter(s): 't Hooft, van der Vos, van Male</contributor><issued>2001-08-30</issued><reference relation="citing" lang="nl">Algemene wet bestuursrecht 1:2</reference><reference relation="citing" lang="nl">Algemene wet bestuursrecht 3:2</reference><reference relation="citing" lang="nl">Verstrekkingenbesluit ziekenfondsverzekering 9</reference><reference relation="citing" lang="nl">Verstrekkingenbesluit ziekenfondsverzekering 2</reference><reference relation="citing" lang="nl">Ziekenfondswet</reference><reference relation="citing" lang="nl">Regeling farmaceutische hulp 1996</reference></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RBAMS:2019:1142</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2019:1142</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RBAMS:2019:1142"><country>NL</country><court>RBAMS</court></isVersionOf><creator lang="nl">Rechtbank Amsterdam</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2019-02-01</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Burgerlijk recht</subject><abstract lang="nl">Fundering van mandelige muur. Noodzaak artikel 5:65 BW. Bijdrageplicht.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 6823542 / CV EXPL 18-8287</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Eerste aanleg - enkelvoudig</description><issued>2019-03-12</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:HR:2005:AR4481</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2005:AR4481</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:HR:2005:AR4481"><country>NL</country><court>HR</court></isVersionOf><creator lang="nl">Hoge Raad</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2005-01-28</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Burgerlijk recht</subject><abstract lang="nl">28 januari 2005 Eerste Kamer Nr. C03/284HR JMH Hoge Raad der Nederlanden Arrest in de zaak van: [Eiseres], gevestigd te [vestigingsplaats], EISERES tot cassatie, advocaat: mr. G. Snijders, t e g e n 1. [Verweerder 1], 2. [Verweerster 2], beiden wonende te [woonplaats], VERWEERDERS in cassatie, advocaat: mr. E. Grabandt. 1. Het geding in feitelijke instanties...</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: C03/284HR</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Cassatie</description><contributor lang="nl">Rechter(s): mr. P. Neleman mr. H.A.M. Aaftink mr. A.M.J. van Buchem-Spapens mr. J.C. van Oven mr. F.B. Bakels</contributor><issued>2005-01-28</issued><reference type="ECLI" relation="precededBy" lang="nl">ECLI:NL:PHR:2005:AR4481</reference></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:PHR:2005:AR4481</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2005:AR4481</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:PHR:2005:AR4481"><country>NL</country><court>PHR</court></isVersionOf><creator lang="nl">Parket bij de Hoge Raad</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2005-01-28</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Conclusie</type><subject lang="nl">Burgerlijk recht</subject><abstract lang="nl">28 januari 2005 Eerste Kamer Nr. C03/284HR JMH Hoge Raad der Nederlanden Arrest in de zaak van: [Eiseres], gevestigd te [vestigingsplaats], EISERES tot cassatie, advocaat: mr. G. Snijders, t e g e n 1. [Verweerder 1], 2. [Verweerster 2], beiden wonende te [woonplaats], VERWEERDERS in cassatie, advocaat: mr. E. Grabandt. 1. Het geding in feitelijke instanties...</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: C03/284HR</description><contributor lang="nl">Advocaat-/procureur-generaal: P-G Hartkamp</contributor><issued>2005-01-28</issued><reference type="ECLI" relation="followedBy" lang="nl">ECLI:NL:HR:2005:AR4481</reference></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:PHR:2008:BD3940</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2008:BD3940</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:PHR:2008:BD3940"><country>NL</country><court>PHR</court></isVersionOf><creator lang="nl">Parket bij de Hoge Raad</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2008-09-26</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Conclusie</type><subject lang="nl">Burgerlijk recht</subject><abstract lang="nl">Procesrecht. Voorlopig getuigenverhoor, misbruik van bevoegdheid; belang bij bodemprocedure. Vaststellingsovereenkomst; vernietiging wegens dwaling. Cassatie; ontvankelijkheid, berusting.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 07/13398</description><issued>2008-09-26</issued><reference relation="citing" lang="nl">Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering 186</reference><reference type="ECLI" relation="precededBy" lang="nl">ECLI:NL:GHSHE:2007:BB3959</reference><reference type="ECLI" relation="followedBy" lang="nl">ECLI:NL:HR:2008:BD3940</reference></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:HR:2008:BD3940</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2008:BD3940</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:HR:2008:BD3940"><country>NL</country><court>HR</court></isVersionOf><creator lang="nl">Hoge Raad</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2008-09-26</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Burgerlijk recht</subject><abstract lang="nl">Procesrecht. Voorlopig getuigenverhoor, misbruik van bevoegdheid; belang bij bodemprocedure. Vaststellingsovereenkomst; vernietiging wegens dwaling. Cassatie; ontvankelijkheid, berusting.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 07/13398</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Cassatie</description><contributor lang="nl">Rechter(s): mr. D.H. Beukenhorst mr. A.M.J. van Buchem-Spapens mr. E.J. Numann mr. J.C. van Oven mr. C.A. Streefkerk</contributor><issued>2008-09-26</issued><reference relation="citing" lang="nl">Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering 186</reference><reference type="ECLI" relation="precededBy" lang="nl">ECLI:NL:PHR:2008:BD3940</reference><reference type="ECLI" relation="precededBy" lang="nl">ECLI:NL:GHSHE:2007:BB3959</reference></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:PHR:2008:BC5977</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2008:BC5977</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:PHR:2008:BC5977"><country>NL</country><court>PHR</court></isVersionOf><creator lang="nl">Parket bij de Hoge Raad</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2008-04-22</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Conclusie</type><subject lang="nl">Strafrecht</subject><abstract lang="nl">In zijn arrest van HR LJN AZ1702 heeft de HR een aantal vragen besproken die zijn gerezen n.a.v. de wet van 10-11-2004 tot wijziging van het WvSv en het WvSr en de Wet RO i.v.m. het horen van getuigen en enkele verwante onderwerpen (Stb. 579). Deze vragen zagen o.m. op de wijzigingen in de regeling m.b.t. de wijze waarop de verdediging in h.b. getuigen en deskundigen kan opgeven en de voor de beoordeling van dergelijke verzoeken geldende maatstaven. De HR gaat i.c. nader in op de maatstaven voor de beoordeling van bij appelschriftuur (i.d.z.v. art. 410.1 Sv) opgegeven getuigen en deskundigen, meer in het bijzonder op de in art. 418.2 Sv voorziene weigeringsgrond. Uit de geschiedenis van eerdergenoemde wet blijkt dat de wetgever met de formulering van art. 418.2 Sv heeft willen aansluiten bij art. 410.3 Sv. Bij het schrappen van de woorden “daaraan voorafgaand” in art. 410.3 Sv bij de Wet stroomlijnen hoger beroep is kennelijk over het hoofd gezien dat ook art. 418.2 Sv in dat opzicht wijziging behoefde. De HR ziet daarin aanleiding om voor de toepassing van art. 418.2 Sv niet te eisen dat het verhoor van de R-C heeft plaatsgevonden vóór de 1e terechtzitting in 1e aanleg.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 01094/07</description><issued>2008-04-23</issued><reference type="ECLI" relation="followedBy" lang="nl">ECLI:NL:HR:2008:BC5977</reference></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:GHARN:2008:BH4155</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARN:2008:BH4155</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:GHARN:2008:BH4155"><country>NL</country><court>GHARN</court></isVersionOf><creator lang="nl">Gerechtshof Arnhem</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2008-12-09</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Insolventierecht</subject><abstract lang="nl">Het hof is van oordeel dat een belangenafweging in dit geval in het voordeel van Intertop uitvalt. Het restitutierisico is genoegzaam aangetoond. Ook in de berekeningen van de curator is terugbetaling van het door Intertop krachtens het vonnis waarvan beroep nog te betalen bedrag reeds op dit moment voor het grootste deel illusoir. Niet is gesteld of gebleken dat de financiële situatie van de boedel zal verbeteren. Een verslechtering ligt eerder in de lijn der verwachting. Bij de beoordeling van de financiële situatie moet namelijk rekening worden gehouden met de werkzaamheden van de curator in het kader van de behandeling van de zaak in hoger beroep. Anders dan de curator betoogt kan daaraan niet worden voorbijgegaan, ook al heeft Intertop dit niet expliciet genoemd. Ook hetgeen de curator subsidiair naar voren heeft gebracht leidt niet tot een ander oordeel. Uit de stellingen van de curator volgt dat ook hij meent dat Intertop recht heeft op een restitutie van een eventueel ten onrechte betaald bedrag en dat hij zelfs bereid is tot matiging van zijn salaris om tot die restitutie te kunnen overgaan. Een niet nader onderbouwd verhaalsrisico voor de curator is dan geen reden om een afweging van de belangen anders te laten uitvallen.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 200.013.584</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Hoger beroep</description><contributor lang="nl">Rechter(s): Mr. Hillen, Mr. Smeeïng-van Hees, Mr. Van Rossum</contributor><issued>2009-03-10</issued><reference relation="citing" lang="nl">Burgerlijk Wetboek Boek 3</reference><reference relation="citing" lang="nl">Burgerlijk Wetboek Boek 3 13</reference></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:HR:2008:BC5977</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2008:BC5977</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:HR:2008:BC5977"><country>NL</country><court>HR</court></isVersionOf><creator lang="nl">Hoge Raad</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2008-04-22</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Strafrecht</subject><abstract lang="nl">In zijn arrest van HR LJN AZ1702 heeft de HR een aantal vragen besproken die zijn gerezen n.a.v. de wet van 10-11-2004 tot wijziging van het WvSv en het WvSr en de Wet RO i.v.m. het horen van getuigen en enkele verwante onderwerpen (Stb. 579). Deze vragen zagen o.m. op de wijzigingen in de regeling m.b.t. de wijze waarop de verdediging in h.b. getuigen en deskundigen kan opgeven en de voor de beoordeling van dergelijke verzoeken geldende maatstaven. De HR gaat i.c. nader in op de maatstaven voor de beoordeling van bij appelschriftuur (i.d.z.v. art. 410.1 Sv) opgegeven getuigen en deskundigen, meer in het bijzonder op de in art. 418.2 Sv voorziene weigeringsgrond. Uit de geschiedenis van eerdergenoemde wet blijkt dat de wetgever met de formulering van art. 418.2 Sv heeft willen aansluiten bij art. 410.3 Sv. Bij het schrappen van de woorden “daaraan voorafgaand” in art. 410.3 Sv bij de Wet stroomlijnen hoger beroep is kennelijk over het hoofd gezien dat ook art. 418.2 Sv in dat opzicht wijziging behoefde. De HR ziet daarin aanleiding om voor de toepassing van art. 418.2 Sv niet te eisen dat het verhoor van de R-C heeft plaatsgevonden vóór de 1e terechtzitting in 1e aanleg.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 01094/07</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Cassatie</description><contributor lang="nl">Rechter(s): Mr. F.H. Koster Mr. J.P. Balkema Mr. W.A.M. van Schendel Mr. J. de Hullu Mr. W.M.E. Thomassen</contributor><issued>2008-04-23</issued><reference relation="citing" lang="nl">Wetboek van Strafvordering</reference><reference relation="citing" lang="nl">Wetboek van Strafvordering 288</reference><reference relation="citing" lang="nl">Wetboek van Strafvordering 410</reference><reference relation="citing" lang="nl">Wetboek van Strafvordering 418</reference><reference type="ECLI" relation="precededBy" lang="nl">ECLI:NL:PHR:2008:BC5977</reference></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RVS:2021:1474</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2021:1474</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RVS:2021:1474"><country>NL</country><court>RVS</court></isVersionOf><creator lang="nl">Raad van State</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2021-07-07</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Bestuursrecht</subject><abstract lang="nl">Bij besluit van 9 juni 2017 heeft het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam aan Leisure Fund West omgevingsvergunning verleend voor het verbouwen van een voormalig politiebureau naar een fitnesscentrum op de begane grond van het gebouw aan de Tweede Constantijn Huygensstraat 41 in Amsterdam (hierna: het pand).</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 201904332/1/R1 en 202001348/1/R1</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Hoger beroep</description><issued>2021-07-07</issued><reference type="ECLI" relation="precededBy" lang="nl">ECLI:NL:RBAMS:2019:2955</reference></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:CRVB:2011:BR7109</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2011:BR7109</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:CRVB:2011:BR7109"><country>NL</country><court>CRVB</court></isVersionOf><creator lang="nl">Centrale Raad van Beroep</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2011-08-30</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Bestuursrecht</subject><subject lang="nl">Sociale-zekerheidsrecht</subject><abstract lang="nl">Buitenwettelijk begunstigend beleid. Ingevolge het minimabeleid kan alleen aanspraak op de bijdrage van € 20,-- worden gemaakt, indien deelgenomen wordt aan de collectieve aanvullende ziektekostenverzekering van Agis. De bestuurlijke keuze om alleen deelnemers aan de collectieve aanvullende ziektekostenverzekering een bijdrage te verstrekken, is een keuze die de Raad rechtens dient te respecteren. Nu er geen aanknopingspunten zijn om aan te nemen dat het Dagelijks Bestuur het beleid niet op consistente toepast en appellant ten tijde van belang geen deelnemer was aan de collectieve aanvullende ziektekostenverzekering van Agis, is de Raad van oordeel dat de aanvraag van appellant terecht is afgewezen.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 09-5344 WWB</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Hoger beroep</description><contributor lang="nl">Rechter(s): van Vulpen-Grootjans, Heijs, Bangma</contributor><issued>2011-09-08</issued><reference relation="citing" lang="nl">Wet werk en bijstand</reference><reference relation="citing" lang="nl">Wet werk en bijstand 36</reference></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:CRVB:2015:2161</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2015:2161</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:CRVB:2015:2161"><country>NL</country><court>CRVB</court></isVersionOf><creator lang="nl">Centrale Raad van Beroep</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2015-06-19</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Sociale-zekerheidsrecht</subject><abstract lang="nl">Bevoegdheid. Afwijzing verzoek om terug te komen van. Wat de Stichting heeft aangevoerd bij het verzoek van 16 mei 2012 kan niet aangemerkt worden als nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden, nu de Stichting na ontvangst van de betalingen en de daarbij behorende specificaties in de jaren 2005 en 2006 had kunnen onderkennen dat de betalingen te laag waren. Het Uwv heeft er echter voor gekozen het verzoek niet op deze grond af te wijzen. Dat het Uwv het in de gedragslijn neergelegde beleid niet consistent zou hebben toegepast is niet gebleken. Het standpunt van het Uwv dat de, al dan niet anonieme, toekenningen waarop de Stichting zich in deze procedure heeft beroepen dateren uit de “ruimhartige periode”, die tot een einde kwam op 1 maart 2012, wordt gevolgd.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 13-6035 ZW</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Hoger beroep</description><issued>2015-07-07</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RBSGR:2008:BG9062</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBSGR:2008:BG9062</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RBSGR:2008:BG9062"><country>NL</country><court>RBSGR</court></isVersionOf><creator lang="nl">Rechtbank 's-Gravenhage</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2008-10-29</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Burgerlijk recht</subject><abstract lang="nl">Bemiddelingsovereenkomst. Voor bepaalde duur of voor volbrenging van de opdracht? Vaststelling van redelijk loon na opzegging voordat opdracht is volbracht.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 304853 / HA ZA 08-580</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Eerste aanleg - enkelvoudig</description><contributor lang="nl">Rechter(s): mr. E.P. Kuipéri</contributor><issued>2009-01-07</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RBHAA:2008:BG8061</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBHAA:2008:BG8061</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RBHAA:2008:BG8061"><country>NL</country><court>RBHAA</court></isVersionOf><creator lang="nl">Rechtbank Haarlem</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2008-12-03</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Burgerlijk recht</subject><abstract lang="nl">Koopovereenkomst. Gedaagde heeft het aanbod van eiseres aanvaard, zodat een overeenkomst tot stand is gekomen. Er is echter geen sprake van een koopovereenkomst, nu partijen nog geen overeenstemming hadden bereikt over de koopprijs. Geen dwaling.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 144000 / HA ZA 08-345</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Eerste aanleg - meervoudig</description><contributor lang="nl">Rechter(s): Mrs. M.A.C. Hofman, W. Aardenburg, W.S.J. Thijs</contributor><issued>2008-12-23</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:CRVB:2001:AD7078</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2001:AD7078</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:CRVB:2001:AD7078"><country>NL</country><court>CRVB</court></isVersionOf><creator lang="nl">Centrale Raad van Beroep</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2001-11-21</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Bestuursrecht</subject><abstract lang="nl">-</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 00/590 ZFW</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Hoger beroep</description><contributor lang="nl">Rechter(s): 't Hooft, van Male, Berkel-Kikkert</contributor><issued>2001-12-17</issued><reference relation="citing" lang="nl">Ziekenfondswet</reference></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:CRVB:2001:AD7094</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2001:AD7094</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:CRVB:2001:AD7094"><country>NL</country><court>CRVB</court></isVersionOf><creator lang="nl">Centrale Raad van Beroep</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2001-11-21</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Bestuursrecht</subject><subject lang="nl">Sociale-zekerheidsrecht</subject><abstract lang="nl">-</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 00/1094 ZFW</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Hoger beroep</description><contributor lang="nl">Rechter(s): 't Hooft, van Male, Berkel-Kikkert</contributor><issued>2001-12-17</issued><reference relation="citing" lang="nl">Ziekenfondswet</reference></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:CRVB:2002:AD8575</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2002:AD8575</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:CRVB:2002:AD8575"><country>NL</country><court>CRVB</court></isVersionOf><creator lang="nl">Centrale Raad van Beroep</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2002-01-08</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Bestuursrecht</subject><subject lang="nl">Sociale-zekerheidsrecht</subject><abstract lang="nl">-</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 00/7 ANW</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Hoger beroep</description><contributor lang="nl">Rechter(s): van Vulpen-Grootjans, Treffers, van Male</contributor><issued>2002-01-29</issued><reference relation="citing" lang="nl">Algemene nabestaandenwet 16</reference><reference relation="citing" lang="nl">Algemene nabestaandenwet 34</reference></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:CRVB:2002:AE0506</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2002:AE0506</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:CRVB:2002:AE0506"><country>NL</country><court>CRVB</court></isVersionOf><creator lang="nl">Centrale Raad van Beroep</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2002-01-29</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Bestuursrecht</subject><subject lang="nl">Sociale-zekerheidsrecht</subject><abstract lang="nl">-</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 01/515 ZFW</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Hoger beroep</description><contributor lang="nl">Rechter(s): 't Hooft, van Male, Goorden</contributor><issued>2002-03-22</issued><reference relation="citing" lang="nl">Verstrekkingenbesluit ziekenfondsverzekering 15</reference><reference relation="citing" lang="nl">Ziekenfondswet 8</reference><reference relation="citing" lang="nl">Regeling hulpmiddelen 1996 2</reference><reference relation="citing" lang="nl">Regeling hulpmiddelen 1996 26</reference></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:CRVB:2002:AE8305</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2002:AE8305</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:CRVB:2002:AE8305"><country>NL</country><court>CRVB</court></isVersionOf><creator lang="nl">Centrale Raad van Beroep</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2002-07-05</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Bestuursrecht</subject><subject lang="nl">Sociale-zekerheidsrecht</subject><abstract lang="nl">-</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 00/2879 ZFW</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Hoger beroep</description><contributor lang="nl">Rechter(s): Schoemaker, van der Wiel, Cusell</contributor><issued>2002-10-10</issued><reference relation="citing" lang="nl">Ziekenfondswet 3</reference></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:CRVB:2002:AI6094</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2002:AI6094</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:CRVB:2002:AI6094"><country>NL</country><court>CRVB</court></isVersionOf><creator lang="nl">Centrale Raad van Beroep</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2002-07-24</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Sociale-zekerheidsrecht</subject><abstract lang="nl">Kan het besluit waarbij is geoordeeld dat geen aanspraak bestaat op vergoeding van plastic luierbroeken in rechte stand houden?</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 01/2228 ZFW</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Hoger beroep</description><contributor lang="nl">Rechter(s): Mr. ’t Hooft, Mr. Van Male, Mr. De Bock</contributor><issued>2003-09-12</issued><reference relation="citing" lang="nl">Ziekenfondswet</reference><reference relation="citing" lang="nl">Ziekenfondswet 8</reference></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:CRVB:2002:AE9287</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2002:AE9287</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:CRVB:2002:AE9287"><country>NL</country><court>CRVB</court></isVersionOf><creator lang="nl">Centrale Raad van Beroep</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2002-10-01</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Bestuursrecht</subject><subject lang="nl">Sociale-zekerheidsrecht</subject><abstract lang="nl">-</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 01/2882 ZFW</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Hoger beroep</description><contributor lang="nl">Rechter(s): 't Hooft, van Male, Berkel-Kikkert</contributor><issued>2002-10-22</issued><reference relation="citing" lang="nl">Ziekenfondswet</reference><reference relation="citing" lang="nl">Regeling hulpmiddelen 1996 26</reference><reference relation="citing" lang="nl">Regeling hulpmiddelen 1996 2.1.t</reference></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:GHSGR:2009:BK0506</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSGR:2009:BK0506</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:GHSGR:2009:BK0506"><country>NL</country><court>GHSGR</court></isVersionOf><creator lang="nl">Gerechtshof 's-Gravenhage</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2009-06-30</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Burgerlijk recht</subject><abstract lang="nl">Spoedappel; arbeid; overplaatsing werkneemster nadat haar partner/collega bij een concurrent in dienst treedt; geen instemming werkneemster; eenzijdig wijzigingsbeding als bedoeld in artikel 7:613 BW niet overeengekomen; toetsing aan Stoof/Mammoet-criteria; aanvaarding voorstel tot overplaatsing kon naar voorlopig oordeel hof in redelijkheid van werkneemster gevergd worden.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 200.022.786-01</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Hoger beroep</description><contributor lang="nl">Rechter(s): Mrs. S.W. Kuip, V. Disselkoen, R.S. van Coevorden</contributor><issued>2009-12-03</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:HR:2018:818</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2018:818</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:HR:2018:818"><country>NL</country><court>HR</court></isVersionOf><creator lang="nl">Hoge Raad</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2018-06-01</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Burgerlijk recht</subject><abstract lang="nl">Financieel recht. Procesrecht. Arbeidsovereenkomst bankdirecteur beëindigd met overeengekomen vertrekvergoeding. Is die vergoeding in strijd met art. 1:125 lid 2 Wft en dus nietig op grond van art. 1:116 lid 3 Wft? Richtlijn 2013/36/EU (Vierde Richtlijn kapitaalvereisten). Overgangsrecht, temporeel toepassingsbereik (art. 1:125 lid 3 Wft). Verplichting appelrechter tot ambtshalve toepassing van art. 1:125 Wft in verbinding met art. 1:116 lid 3 Wft?</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 17/01238</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Cassatie</description><issued>2018-06-01</issued><reference type="ECLI" relation="precededBy" lang="nl">ECLI:NL:PHR:2018:154</reference><reference type="ECLI" relation="precededBy" lang="nl">ECLI:NL:GHDHA:2016:3626</reference></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:GHSHE:2010:BV3462</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2010:BV3462</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:GHSHE:2010:BV3462"><country>NL</country><court>GHSHE</court></isVersionOf><creator lang="nl">Gerechtshof 's-Hertogenbosch</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2010-07-13</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Burgerlijk recht</subject><abstract lang="nl">- afwikkeling franchise-overeenkomst door verkoop activa aan en schuldovername door franchisegever; - ontbindende voorwaarde - art. 6:21 BW; - kort geding: spoedeisend belang - geldvordering - belangenafweging i.v.m. restitutierisico; - toestemming schuldeiser i.v.m. schuldovername - art. 6:155 BW; - buitengerechtelijke kosten.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: HD 200.056.664</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Hoger beroep kort geding</description><contributor lang="nl">Rechter(s): mr. P.Th. Grundemann mr. P.M. Huijbers-Koopman mr. J.E.H.M. Pinckaers</contributor><issued>2012-02-09</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RBARN:2011:BV1788</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBARN:2011:BV1788</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RBARN:2011:BV1788"><country>NL</country><court>RBARN</court></isVersionOf><creator lang="nl">Rechtbank Arnhem</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2011-07-27</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Burgerlijk recht</subject><abstract lang="nl">Art. 7:611. Dienstverband sinds 1979 als Intern Specialist Verzekeringen. Verbetertraject wegens onvoldoende functioneren in 2009. Wat mag van een goed werkgever en een goed werknemer in dit verband worden verwacht?</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 752844 HA VERZ 11-1150</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Eerste aanleg - enkelvoudig</description><contributor lang="nl">Rechter(s): mr. J.W.M. Tromp</contributor><issued>2012-01-25</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RBSHE:2012:BV1551</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBSHE:2012:BV1551</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RBSHE:2012:BV1551"><country>NL</country><court>RBSHE</court></isVersionOf><creator lang="nl">Rechtbank 's-Hertogenbosch</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2012-01-19</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Burgerlijk recht</subject><abstract lang="nl">Incassovordering. Artikel 6:43 BW. Een deurwaarder incasseert meerdere vorderingen van verschillende schuldeisers bij een en dezelfde debiteur. De debiteur betaalt een bedrag zonder aan te geven welke vordering zij beoogt te betalen. Artikel 6:43 BW geeft de bevoegdheid tot toerekening van een betaling indien de shuldenaar niet aanwijst op welke verbintenis de betaling betrekking heeft. Deze mogelijkheid bestaat echter alleen bij twee of meer verbintenissen jegens een en dezelfde schuldeiser. Dat de deurwaarder vorderingen voor meerdere schuldeisers incasseert maakt echter niet dat deze vorderingen als verbintenissen jegens een en dezelfde schuldeiser mogen worden beschouwd. Het was niet aan de deurwaarder om de betaling toe te rekenen. De deurwaarder had bij de debiteur moeten navragen welke vordering zij beoogde te betalen.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 788851</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Eerste aanleg - enkelvoudig</description><contributor lang="nl">Rechter(s): mr. P.A.M. Penders</contributor><issued>2012-01-23</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RBSHE:2011:BU2154</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBSHE:2011:BU2154</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RBSHE:2011:BU2154"><country>NL</country><court>RBSHE</court></isVersionOf><creator lang="nl">Rechtbank 's-Hertogenbosch</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2011-10-27</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Burgerlijk recht</subject><abstract lang="nl">Toerekening betaling geldsom aan buitengerechtelijke incassokosten op grond van artikel 6:44 BW niet toegestaan.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 758829</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Eerste aanleg - enkelvoudig</description><contributor lang="nl">Rechter(s): Mr. P.M. Knaapen</contributor><issued>2011-10-28</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RBUTR:2011:BP9796</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBUTR:2011:BP9796</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RBUTR:2011:BP9796"><country>NL</country><court>RBUTR</court></isVersionOf><creator lang="nl">Rechtbank Utrecht</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2011-03-30</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Burgerlijk recht</subject><abstract lang="nl">Schending art. 5:25i lid 2 Wft. Gedaagde, een beursgenoteerde onderneming die op 4 september 2009 een overnamebod heeft ontvangen, heeft deze koersgevoelige informatie op 17 september 2009 openbaar gemaakt. Doordat gedaagde vanaf de avond van 10 september 2009 de vertrouwelijkheid van het bod van een supermarktketen niet langer kon waarborgen en zij deze koersgevoelige informatie niet uiterlijk vóór de opening van de beurs op 11 september 2009 openbaar heeft gemaakt, maar pas in de avond van 17 september 2009 (na het sluiten van de beurs), heeft zij artikel 5:25i lid 2 Wft geschonden. Hierdoor heeft gedaagde onrechtmatig gehandeld jegens haar aandeelhouders die in de periode van 11 tot en met 17 september hun aandelen hebben verkocht.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 288400 - HA ZA 10-1359</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Eerste aanleg - meervoudig</description><contributor lang="nl">Rechter(s): Mr. Van Rens, Mr. Van den Boom, mr. De Vaan</contributor><issued>2011-03-31</issued><reference relation="citing" lang="nl">Wet op het financieel toezicht</reference><reference relation="citing" lang="nl">Wet op het financieel toezicht 5:25i</reference><reference relation="citing" lang="nl">Wet op het financieel toezicht 5:53</reference><reference relation="citing" lang="nl">Burgerlijk Wetboek Boek 3</reference><reference relation="citing" lang="nl">Burgerlijk Wetboek Boek 3 305a</reference><reference relation="citing" lang="nl">Burgerlijk Wetboek Boek 6</reference><reference relation="citing" lang="nl">Burgerlijk Wetboek Boek 6 162</reference><reference type="ECLI" relation="followedBy" lang="nl">ECLI:NL:GHAMS:2012:BX0488</reference><reference type="ECLI" relation="followedBy" lang="nl">ECLI:NL:GHARL:2013:2660</reference><reference type="ECLI" relation="followedBy" lang="nl">ECLI:NL:GHARL:2014:8609</reference></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:GHAMS:2011:BQ1233</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2011:BQ1233</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:GHAMS:2011:BQ1233"><country>NL</country><court>GHAMS</court></isVersionOf><creator lang="nl">Gerechtshof Amsterdam</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2011-04-14</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Burgerlijk recht</subject><abstract lang="nl">Uitspraak Hermes Focus Asset Management Europe Ltd. c.s. tot het instellen van een onderzoek naar het beleid en de gang van zaken van ASM International N.V. na cassatie en verwijzing door de Hoge Raad (bij beschikking van 9 juli 2010). De Ondernemingskamer heeft het verzoek afgewezen.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 200.005.940/01 OK</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Eerste aanleg - meervoudig</description><contributor lang="nl">Rechter(s): Mr. Makkink, Mr. Faber, Mr. Ingelse, drs. Baart RA, drs. Van den Belt</contributor><issued>2011-04-14</issued><reference relation="citing" lang="nl">Burgerlijk Wetboek Boek 2</reference><reference relation="citing" lang="nl">Burgerlijk Wetboek Boek 2 350</reference></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RBSGR:2007:BB7623</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBSGR:2007:BB7623</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RBSGR:2007:BB7623"><country>NL</country><court>RBSGR</court></isVersionOf><creator lang="nl">Rechtbank 's-Gravenhage</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2007-11-13</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Burgerlijk recht</subject><abstract lang="nl">Achmea beoogt met haar vorderingen de buitenwerkingstelling van de algemeen verbindende voorschriften waarmee het stelsel van de contracteerruimte in de AWBZ in het leven is geroepen. De kern van het geschil wordt gevormd door de vraag of het stelsel van kostenbeheersing (met de contracteerruimten en de daarmee verbonden budgettaire plafonds) waarop de Aanwijzing en de gewraakte beleidsregel zijn gebaseerd, in algemene zin of door de wijze waarop het jegens Achmea wordt uitgevoerd onrechtmatig is doordat de zorgaanspraken van AWBZ-verzekerden daardoor worden beperkt of beknot. Aan de rechter komt op dit punt een volledige toetsing toe omdat deze zorgaanspraken een hard gegeven zijn. De Staat en de NZa hebben de vrijheid, en binnen de voor hen geldende kaders de plicht, om de kosten van de gezondheidszorg te beteugelen. Kostenbeheersing is een publieke, in de wetgeving verankerde taak. In de keuze van de (bestuurlijke en juridische) middelen zijn de betrokken overheidsorganen in hoge mate vrij. In dit opzicht past de rechter terughoudendheid. Maar de rechter kan wel steeds in volle omvang beoordelen of de zorgaanspraken op grond van de AWBZ gewaarborgd blijven. Het is aan Achmea om de feiten te stellen - en tegenover de betwisting daarvan door de Staat en de NZa in voldoende mate aannemelijk te maken - dat patiënten die bij haar verzekerd zijn of voor wie haar zorgkantoor werkzaam is, ondanks haar maximale inspanning niet de AWBZ-zorg kunnen krijgen waarop zij recht hebben. Binnen het beperkte kader van dit kort geding moet worden geoordeeld dat zij hierin niet is geslaagd. Dit leidt tot de conclusie dat binnen het beperkte kader van dit kort geding niet aannemelijk is geworden dat de contracteerruimte aanspraken van verzekerden frustreert. Alle vorderingen van Achmea worden derhalve afgewezen, met verwijzing van Achmea in de kosten van dit geding.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 295485 / KG 07/1152</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Kort geding</description><contributor lang="nl">Rechter(s): Mr. Hofhuis</contributor><issued>2007-11-13</issued><reference relation="citing" lang="nl">Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten</reference><reference relation="citing" lang="nl">Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten 6</reference><reference relation="citing" lang="nl">Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten 9b</reference><reference relation="citing" lang="nl">Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten 16</reference><reference relation="citing" lang="nl">Wet financiering sociale verzekeringen</reference><reference relation="citing" lang="nl">Wet financiering sociale verzekeringen 90</reference><reference relation="citing" lang="nl">Wet marktordening gezondheidszorg</reference><reference relation="citing" lang="nl">Wet marktordening gezondheidszorg 7</reference><reference relation="citing" lang="nl">Wet marktordening gezondheidszorg 35</reference><reference relation="citing" lang="nl">Wet marktordening gezondheidszorg 57</reference></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:PHR:2006:AY9717</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2006:AY9717</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:PHR:2006:AY9717"><country>NL</country><court>PHR</court></isVersionOf><creator lang="nl">Parket bij de Hoge Raad</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2006-11-17</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Conclusie</type><subject lang="nl">Burgerlijk recht</subject><abstract lang="nl">Verzekeringsrecht, regres bij dubbele verzekering. Geschil tussen verzekeraars over de vraag of de ziektekostenverzekeraar tegenover de reisverzekeraar (hulpverlening in het buitenland en repatriëring) op grond van de door beide verzekeraars in polisvoorwaarden gehanteerde ‘harde na-u-clausule’ aanspraak kan maken op vergoeding van de helft van aan verzekerden uitgekeerde ziektekosten voor zover die kosten waren gedekt onder de reisverzekering; uitleg van polisvoorwaarden; reisverzekeraar kan zich na uitkering door ziektekostenverzekeraar niet tegen de regresvordering verweren met een beroep op het ontbreken van een melding van de verzekerde; schaderegeling, ‘volgplicht’ samenlopende verzekering, redelijk handelende verzekeraar.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: C05/199HR</description><issued>2006-11-17</issued><reference type="ECLI" relation="followedBy" lang="nl">ECLI:NL:HR:2006:AY9717</reference></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:HR:2006:AY9717</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2006:AY9717</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:HR:2006:AY9717"><country>NL</country><court>HR</court></isVersionOf><creator lang="nl">Hoge Raad</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2006-11-17</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Burgerlijk recht</subject><abstract lang="nl">Verzekeringsrecht, regres bij dubbele verzekering. Geschil tussen verzekeraars over de vraag of de ziektekostenverzekeraar tegenover de reisverzekeraar (hulpverlening in het buitenland en repatriëring) op grond van de door beide verzekeraars in polisvoorwaarden gehanteerde ‘harde na-u-clausule’ aanspraak kan maken op vergoeding van de helft van aan verzekerden uitgekeerde ziektekosten voor zover die kosten waren gedekt onder de reisverzekering; uitleg van polisvoorwaarden; reisverzekeraar kan zich na uitkering door ziektekostenverzekeraar niet tegen de regresvordering verweren met een beroep op het ontbreken van een melding van de verzekerde; schaderegeling, ‘volgplicht’ samenlopende verzekering, redelijk handelende verzekeraar.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: C05/199HR</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Cassatie</description><contributor lang="nl">Rechter(s): J.B. Fleers, O. de Savornin Lohman, A.M.J. van Buchem-Spapens, E.J. Numann en J.C. van Oven</contributor><issued>2006-11-17</issued><reference type="ECLI" relation="precededBy" lang="nl">ECLI:NL:PHR:2006:AY9717</reference></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RBROE:2007:BA0751</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROE:2007:BA0751</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RBROE:2007:BA0751"><country>NL</country><court>RBROE</court></isVersionOf><creator lang="nl">Rechtbank Roermond</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2007-03-14</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Burgerlijk recht</subject><abstract lang="nl">Moeilijk bewijsbare tijdige verzending van de opzegging van de ziektekostenverzekering tegen 1 maart 2006 leidt toch niet tot verschuldigdheid van de premie nu gedaagde bij andere maatschappij was verzekerd en bovendien geen ziektekosten heeft geclaimd. Maatschappelijke commotie tegen 1 maart 2006 van belang.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 184154 \ CV EXPL 07-48</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Eerste aanleg - enkelvoudig</description><issued>2007-03-28</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RBUTR:2007:BA6717</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBUTR:2007:BA6717</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RBUTR:2007:BA6717"><country>NL</country><court>RBUTR</court></isVersionOf><creator lang="nl">Rechtbank Utrecht</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2007-06-08</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Burgerlijk recht</subject><abstract lang="nl">ONVZ heeft tussentijds de voorwaarden van haar aanvullende zorgverzekeringen gewijzigd, waardoor de dekking is beperkt. ONVZ baseert haar wijzigingsbevoegdheid op een en-bloc wijzigingsclausule in haar Algemene Bepalingen. De voorzieningenrechter oordeelt dat de toepassing van die clausule in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. ONVZ moet tot het einde van het lopende verzekeringsjaar de verzekeringen ongewijzigd voortzetten.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 229633 / KG ZA 07-411</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Kort geding</description><contributor lang="nl">Rechter(s): Mr. Van Delft-Baas</contributor><issued>2007-06-08</issued><reference relation="citing" lang="nl">Burgerlijk Wetboek Boek 6</reference><reference relation="citing" lang="nl">Burgerlijk Wetboek Boek 6 233</reference><reference relation="citing" lang="nl">Burgerlijk Wetboek Boek 6 234</reference><reference relation="citing" lang="nl">Burgerlijk Wetboek Boek 6 237</reference><reference relation="citing" lang="nl">Burgerlijk Wetboek Boek 6 248</reference><reference relation="citing" lang="nl">Burgerlijk Wetboek Boek 7</reference><reference relation="citing" lang="nl">Burgerlijk Wetboek Boek 7 940</reference></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RBBRE:2010:BM7088</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBBRE:2010:BM7088</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RBBRE:2010:BM7088"><country>NL</country><court>RBBRE</court></isVersionOf><creator lang="nl">Rechtbank Breda</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2010-06-02</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Burgerlijk recht</subject><abstract lang="nl">Vordering voortzetting huur na overlijden afgewezen. Duurzame gemeenschappelijke huishouding is onvoldoende onderbouwd. Bovendien is aan de stelplicht niet voldaan. Ontruiming toegewezen, maar de gevorderde uitvoerbaarverklaring bij voorraad wordt afgewezen.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 557211 cv 09-6739</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Eerste aanleg - enkelvoudig</description><contributor lang="nl">Rechter(s): Mr. H.L.L. Poeth</contributor><issued>2010-06-09</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:CRVB:2007:BB0087</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2007:BB0087</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:CRVB:2007:BB0087"><country>NL</country><court>CRVB</court></isVersionOf><creator lang="nl">Centrale Raad van Beroep</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2007-07-04</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Bestuursrecht</subject><subject lang="nl">Sociale-zekerheidsrecht</subject><abstract lang="nl">Afwijzing verzoek premierestitutie particuliere ziektekostenverzekering over relevante periode vanwege Ziekenfondsverzekering. 60 dagen termijn. Geen sprake van opzettelijk vertraagde aanmelding.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 05-5926 ZFW</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Hoger beroep</description><contributor lang="nl">Rechter(s): Mr. Simons, Mr. Berkel-Kikkert, Mr. De Mooij</contributor><issued>2007-07-23</issued><reference relation="citing" lang="nl">Ziekenfondswet</reference><reference relation="citing" lang="nl">Ziekenfondswet 10</reference><reference relation="citing" lang="nl">Verstrekkingenbesluit ziekenfondsverzekering</reference><reference relation="citing" lang="nl">Verstrekkingenbesluit ziekenfondsverzekering 25</reference><reference relation="citing" lang="nl">Verstrekkingenbesluit ziekenfondsverzekering 29</reference></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:CRVB:2007:BA9898</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2007:BA9898</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:CRVB:2007:BA9898"><country>NL</country><court>CRVB</court></isVersionOf><creator lang="nl">Centrale Raad van Beroep</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2007-07-04</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Bestuursrecht</subject><subject lang="nl">Sociale-zekerheidsrecht</subject><abstract lang="nl">Heeft het Uwv terecht het standpunt ingenomen dat de aan betrokkene toegekende ontbindingsvergoeding op grond van artikel 16, derde lid, van de WW moet worden gelijkgesteld met loon over de door de werkgever in acht te nemen opzegtermijn?</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 06-4407 WW</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Hoger beroep</description><contributor lang="nl">Rechter(s): M.A. Hoogeveen, C.P.J. Goorden, B.M. van Dun</contributor><issued>2007-07-20</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:CRVB:2016:435</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2016:435</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:CRVB:2016:435"><country>NL</country><court>CRVB</court></isVersionOf><creator lang="nl">Centrale Raad van Beroep</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2016-02-05</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Bestuursrecht</subject><abstract lang="nl">1) Immateriële schadevergoeding. De korpschef is appellant ten onrechte re-integratieverplichtingen blijven opleggen. Geestelijk leed. Aantasting van de persoon. Ten onrechte geen immateriële schadevergoeding toegekend. 2) Mededeling dat geen externe casemanager zal worden toegewezen is geen besluit in de zin van art. 1:3 Awb. 3) Geen beroep mogelijk tegen besluit ten aanzien van klacht. 4) Geen verplichting bezoldiging door te betalen. 5) Ontslag berust op goede gronden. IVA-uitkering toegekend. 6) Overschrijding redelijke termijn?</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 12-1635 AW</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Hoger beroep</description><contributor lang="nl">Rechter(s): mrs. Bangma, Kraan, Boerlage</contributor><issued>2016-02-10</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:CRVB:2016:480</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2016:480</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:CRVB:2016:480"><country>NL</country><court>CRVB</court></isVersionOf><creator lang="nl">Centrale Raad van Beroep</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2016-02-02</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Sociale-zekerheidsrecht</subject><abstract lang="nl">Afwijzing aanvraag om bijzondere bijstand kosten bewindvoerder. Wegingsfactor bij kosten van bezwaar t.a.v. verzoek dwangsom.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 14/3571 WWB</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Hoger beroep</description><contributor lang="nl">Rechter(s): Schut</contributor><issued>2016-02-15</issued><reference relation="citing" lang="nl">Algemene wet bestuursrecht</reference><reference relation="citing" lang="nl">Algemene wet bestuursrecht 7:15</reference><reference relation="citing" lang="nl">Algemene wet bestuursrecht 8:75</reference><reference relation="citing" lang="nl">Besluit proceskosten bestuursrecht</reference><reference relation="citing" lang="nl">Besluit proceskosten bestuursrecht 1</reference><reference relation="citing" lang="nl">Besluit proceskosten bestuursrecht 2</reference></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:HR:1986:AG5199</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:1986:AG5199</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:HR:1986:AG5199"><country>NL</country><court>HR</court></isVersionOf><creator lang="nl">Hoge Raad</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>1986-02-21</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Burgerlijk recht</subject><abstract lang="nl">Huurrecht woonruimte. Gezamenlijk verzoek tot bepaling medehuurder op de voet van art. 7A:1623h BW (thans art. 7:267 BW) na opname in ziekenhuis. Duurzame gemeenschappelijke huishouding zal in het algemeen bij opname in ziekenhuis of verpleeghuis van iemand die een gemeenschappelijke huishouding voert, pas na enige tijd eindigen. Onder bijzondere omstandigheden, waarbij ook de verwachtingen die ten tijde van de opname omtrent de terugkeer naar huis bestonden van belang kunnen zijn, kan dit anders zijn. Verzoek kan nog worden gedaan als de samenwoning zal gaan eindigen, nu men zich veelal pas dan bewust wordt van het belang van het verzoek.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 6957 rek.nr</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Cassatie</description><contributor lang="nl">Rechter(s): Ras, Van Den Blink, De Groot, Bloembergen, Boekman, Leijten</contributor><issued>2020-09-15</issued><reference type="ECLI" relation="precededBy" lang="nl">ECLI:NL:PHR:1986:AG5199</reference></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:PHR:1986:AG5199</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:1986:AG5199</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:PHR:1986:AG5199"><country>NL</country><court>PHR</court></isVersionOf><creator lang="nl">Parket bij de Hoge Raad</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>1986-02-21</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Conclusie</type><subject lang="nl">Burgerlijk recht</subject><abstract lang="nl">Huurrecht woonruimte. Gezamenlijk verzoek tot bepaling medehuurder op de voet van art. 7A:1623h BW (thans art. 7:267 BW) na opname in ziekenhuis. Duurzame gemeenschappelijke huishouding zal in het algemeen bij opname in ziekenhuis of verpleeghuis van iemand die een gemeenschappelijke huishouding voert, pas na enige tijd eindigen. Onder bijzondere omstandigheden, waarbij ook de verwachtingen die ten tijde van de opname omtrent de terugkeer naar huis bestonden van belang kunnen zijn, kan dit anders zijn. Verzoek kan nog worden gedaan als de samenwoning zal gaan eindigen, nu men zich veelal pas dan bewust wordt van het belang van het verzoek.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 6957 rek.nr</description><issued>2020-09-15</issued><reference type="ECLI" relation="followedBy" lang="nl">ECLI:NL:HR:1986:AG5199</reference></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:CRVB:2022:878</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2022:878</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:CRVB:2022:878"><country>NL</country><court>CRVB</court></isVersionOf><creator lang="nl">Centrale Raad van Beroep</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2022-04-12</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Sociale-zekerheidsrecht</subject><abstract lang="nl">Beroepen terecht niet-ontvankelijk verklaard. Met gedrag kenbaar maken langs elektronische weg bereikbaar te zijn. Misbruik van recht. De rechtbank heeft de beroepen van appellant tegen het niet tijdig nemen van besluiten op zijn bezwaarschriften terecht, maar in sommige zaken op onjuiste gronden niet-ontvankelijk verklaard. De kosten waarvoor bijzondere bijstand was gevraagd, deden zich niet (meer) voor of het besluit op het bezwaarschrift was al genomen en op de juiste wijze bekend gemaakt. Appellant heeft met zijn gedrag kenbaar gemaakt langs elektronische weg bereikbaar te zijn, ook voor het ontvangen van besluiten. In een andere zaak is het hoger beroep niet-ontvankelijk wegens misbruik van recht. Die zaak gaat over het uitblijven van een besluit over bijzondere bijstand voor de kosten van griffierecht voor een procedure waarvan inmiddels vaststaat dat sprake is van misbruik van recht.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 20/3820 PW e.v.</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Hoger beroep</description><issued>2022-05-03</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:CRVB:2022:873</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2022:873</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:CRVB:2022:873"><country>NL</country><court>CRVB</court></isVersionOf><creator lang="nl">Centrale Raad van Beroep</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2022-04-12</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Sociale-zekerheidsrecht</subject><abstract lang="nl">Het beroep is terecht niet-ontvankelijk verklaard wegens misbruik van recht. Appellant heeft beroep ingesteld wegens het niet tijdig nemen van een besluit op zijn aanvraag om bijzondere bijstand voor de kosten van griffierecht voor een Wob-procedure bij de rechtbank. In de Wob-procedure heeft de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk verklaard wegens misbruik van recht. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit niet-ontvankelijk verklaard wegens misbruik van recht. De Raad is van oordeel dat appellant ook de bevoegdheid om een aanvraag om bijzondere bijstand in te dienen voor de kosten van griffierecht in de Wob-procedure heeft gebruikt zonder redelijk doel of met een ander doel dan waartoe zij gegeven is, zodanig dat het aanwenden van die bevoegdheid blijk geeft van kwade trouw.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 20/3435 PW</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Hoger beroep</description><issued>2022-05-03</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RVS:2022:835</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2022:835</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RVS:2022:835"><country>NL</country><court>RVS</court></isVersionOf><creator lang="nl">Raad van State</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2022-03-23</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Bestuursrecht</subject><abstract lang="nl">VOLE heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een luchthavenbesluit voor de luchthaven Eelde door de Kroon. Luchthaven Eelde is een "overige burgerluchthaven van nationale betekenis" als bedoeld in artikel 8.1, tweede lid, van de Wet luchtvaart (hierna: de Wlv). Ingevolge artikel 8.1a, derde lid, van de Wlv is het verboden een overige burgerluchthaven in bedrijf te hebben indien voor deze luchthaven geen luchthavenbesluit of luchthavenregeling geldt. Niet in geschil is dat, gelet op artikel 8.1a, derde lid, van de Wlv, de vaststelling van een luchthavenbesluit vereist is voor de luchthaven Eelde. Ingevolge artikel 8.70, eerste lid, van de Wlv moet het luchthavenbesluit in dit geval te vastgesteld bij algemene maatregel van bestuur, en dus door de Kroon. VOLE is een vereniging die de belangen behartigt van omwonenden van de luchthaven Eelde. VOLE kan zich er niet mee verenigen dat er tot nu toe geen luchthavenbesluit is vastgesteld. Zij acht dit nadelig voor omwonenden.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 202104126/1/R1</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Eerste aanleg - meervoudig</description><issued>2022-03-23</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:CRVB:2022:228</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2022:228</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:CRVB:2022:228"><country>NL</country><court>CRVB</court></isVersionOf><creator lang="nl">Centrale Raad van Beroep</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2022-01-27</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Bestuursrecht</subject><abstract lang="nl">Het gesprek tussen partijen heeft nog niet tot plaatsing van appellant in een passende functie en daarmee tot een reëel besluit geleid. De minister blijft gehouden een nieuwe beslissing op bezwaar (een reëel besluit) te nemen. Het verzoek om toekenning van een dwangsom moet worden afgewezen. Appellant heeft de minister niet voorafgaand aan de indiening van het beroep niet tijdig beslissen in gebreke gesteld. De Raad is van oordeel dat appellant er belang bij heeft dat de minister een reëel besluit met voortvarendheid neemt. De Raad zal de minister opdragen binnen twee maanden na de datum van verzending van deze uitspraak een nieuwe beslissing op het bezwaar te nemen. Opleggen dwangsom van € 100,-, met een maximum van € 15.000,-, voor iedere dag waarmee de minister de hiervoor genoemde termijn overschrijdt.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 21/1587 AW</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Hoger beroep</description><issued>2022-02-03</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:CRVB:2022:880</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2022:880</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:CRVB:2022:880"><country>NL</country><court>CRVB</court></isVersionOf><creator lang="nl">Centrale Raad van Beroep</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2022-04-12</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Sociale-zekerheidsrecht</subject><abstract lang="nl">Misbruik van recht. Misbruikintentie. Het dagelijks bestuur heeft 26 bezwaren van appellant niet-ontvankelijk verklaard wegens misbruik van recht. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank de beroepen tegen de bestreden besluiten en het beroep niet tijdig beslissen niet-ontvankelijk verklaard wegens misbruik van recht. De civiele rechter heeft appellant verboden om meer dan twee keer per maand contact met de ISD te zoeken. Uit de processtukken blijkt dat eiser zich stelselmatig niet houdt aan voormeld verbod. In eerdere procedures is misbruik van recht vastgesteld. Appellant heeft dit niet weersproken. Hiervan uitgaande kan de misbruikintentie van appellant worden voorondersteld. Gelet hierop kan bij de beoordeling of de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat appellant in de voorliggende gevallen de bevoegdheid om een geschrift bij het college in te dienen heeft misbruikt, worden aangenomen dat dit het geval is, tenzij aannemelijk is dat een concreet en valide belang bij het indienen hiervan bestaat. Appellant hoeft niet met bewijsstukken aan te tonen dat in de betreffende maand slechts twee aanvragen door hem zijn gedaan. In 3 zaken komt de Raad tot het oordeel dat appellant geen concreet en valide belang aannemelijk heeft gemaakt. In 3 andere zaken heeft appellant dat wel aannemelijk gemaakt, en heeft de rechtbank het beroep dus ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard. Deze beroepen worden inhoudelijk beoordeeld.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 20/4259 PW e.v.</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Hoger beroep</description><issued>2022-05-03</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:CRVB:2018:2309</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2018:2309</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:CRVB:2018:2309"><country>NL</country><court>CRVB</court></isVersionOf><creator lang="nl">Centrale Raad van Beroep</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2018-07-26</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Sociale-zekerheidsrecht</subject><abstract lang="nl">Niet volgen oordeel deskundige. De door de rechtbank geraadpleegde deskundige heeft niet voldoende inzichtelijk gemotiveerd dat niet kon worden volstaan met de door de verzekeringsartsen aangenomen urenbeperking van vier uur per dag en twintig uur per week. Nu de rechtbank ten onrechte de conclusie van de deskundige heeft gevolgd, slaagt het hoger beroep van het Uwv. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in zijn rapport van 20 november 2014 afdoende gemotiveerd dat met een urenbeperking van vier uur per dag en twintig uur per week voldoende tegemoet wordt gekomen aan de problematiek van betrokkene en dat voor een ruimere urenbeperking geen aanknopingspunten zijn te vinden. Anders dan de rechtbank heeft geoordeeld, heeft het Uwv hiermee het door de rechtbank op dit punt geconstateerde gebrek hersteld. Ten aanzien van het incidentele hoger beroep van betrokkene wordt overwogen dat van de belastbaarheid van betrokkene, zoals vastgelegd in de FML van 21 november 2014, moet worden uitgegaan. Geen aanleiding om die FML voor te leggen aan de door de rechtbank benoemde deskundige of aan een door de Raad te benoemen deskundige. Geen aanknopingspunten dat de in beroep voorgehouden functies ongeschikt zijn voor betrokkene.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 17/1811 WIA</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Hoger beroep</description><issued>2018-07-30</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:CRVB:2018:1121</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2018:1121</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:CRVB:2018:1121"><country>NL</country><court>CRVB</court></isVersionOf><creator lang="nl">Centrale Raad van Beroep</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2018-04-11</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Sociale-zekerheidsrecht</subject><abstract lang="nl">De Centrale Raad van Beroep verzoekt het Hof van Justitie van de Europese Unie om bij wijze van prejudiciële beslissing antwoord te geven op de volgende vragen: 1. Kan een Turkse onderdaan die tot de legale arbeidsmarkt van een lidstaat is toegetreden, de nationaliteit van die lidstaat heeft verworven zonder afstand te doen van zijn Turkse nationaliteit, en vervolgens vrijwillig afstand heeft gedaan van de nationaliteit van die lidstaat van ontvangst en daarmee van het Unieburgerschap, een beroep doen op artikel 6 van Besluit 3/80 om zich te onttrekken aan een woonplaatsvoorwaarde in nationale socialezekerheidswetgeving die wel kan worden tegengeworpen aan Unieburgers? 2. Moet artikel 6, eerste lid, van Besluit 3/80 met inachtneming van artikel 59 van het Aanvullend Protocol aldus worden uitgelegd, dat het zich verzet tegen een wettelijke regeling van een lidstaat zoals artikel 4a van de TW, op grond waarvan een toegekende aanvullende prestatie wordt ingetrokken als de begunstigde naar Turkije verhuist, ook indien deze begunstigde het grondgebied van de lidstaat op eigen initiatief heeft verlaten nadat hij de nationaliteit van een lidstaat vrijwillig heeft opgegeven, terwijl niet is gebleken dat hij niet meer tot de legale arbeidsmarkt van die lidstaat behoort? Appellant bezit uitsluitend nog de Turkse nationaliteit en is met remigratievoorzieningen krachtens de Remigratiewet naar Turkije verhuisd. Toeslag op grond van de TW beëindigd. Appellant ontvangt een WIA-uitkering naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 40,1%.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 16/3331 WIA</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Hoger beroep</description><issued>2018-04-17</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:CRVB:2018:1120</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2018:1120</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:CRVB:2018:1120"><country>NL</country><court>CRVB</court></isVersionOf><creator lang="nl">Centrale Raad van Beroep</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2018-04-11</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Sociale-zekerheidsrecht</subject><abstract lang="nl">De Centrale Raad van Beroep verzoekt het Hof van Justitie van de Europese Unie om bij wijze van prejudiciële beslissing antwoord te geven op de volgende vragen: 1. Kan een Turkse onderdaan die tot de legale arbeidsmarkt van een lidstaat is toegetreden, de nationaliteit van die lidstaat heeft verworven zonder afstand te doen van zijn Turkse nationaliteit en vervolgens vrijwillig afstand heeft gedaan van de nationaliteit van die lidstaat van ontvangst en daarmee van het Unieburgerschap, een beroep doen op artikel 6 van Besluit 3/80 om zich aan de woonplaatsvoorwaarde van de TW te onttrekken? 2. Zo ja, op welk moment moet deze Turkse onderdaan voldoen aan de voorwaarde dat hij geen Unieburger is, om aanspraken te ontlenen aan artikel 6 van Besluit 3/80: reeds op het moment van vertrek uit de ontvangende lidstaat, dan wel pas vanaf het latere moment waarop de te exporteren uitkering in het buitenland zou moeten worden betaald? 3. Moet artikel 6, eerste lid, van Besluit 3/80 aldus worden uitgelegd dat aan een Turkse onderdaan die op het moment van remigratie naar Turkije nog over de nationaliteit van een lidstaat beschikte, maar deze op een later moment vrijwillig heeft opgegeven, vanaf dit laatste moment de aanspraak op een bijzondere, niet op premie- of bijdragebetaling berustende uitkering die ertoe strekt een minimuminkomen te waarborgen op basis van het sociaal minimum van de betreffende lidstaat, niet mag worden ontzegd om de enkele reden dat hij in Turkije woont, zelfs als hij tot het moment van vertrek uit de betreffende lidstaat geen aanspraak op deze bijzondere uitkering kon maken omdat toen nog niet aan de toekenningsvoorwaarden was voldaan? Appellant bezit uitsluitend nog de Turkse nationaliteit en is met remigratievoorzieningen krachtens de Remigratiewet naar Turkije verhuisd. Aanvraag afgewezen voor een toeslag op grond van de TW naast WIA-loonaanvullingsuitkering beneden het Nederlandse sociaal minimum.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 16/7488 TW</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Hoger beroep</description><issued>2018-04-17</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:CRVB:2003:AL7008</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2003:AL7008</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:CRVB:2003:AL7008"><country>NL</country><court>CRVB</court></isVersionOf><creator lang="nl">Centrale Raad van Beroep</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2003-08-29</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Bestuursrecht</subject><subject lang="nl">Sociale-zekerheidsrecht</subject><abstract lang="nl">Heeft de Nederlandse overheid bij het aangaan van de vrijwillige verzekering ingevolge de AWW gerechtvaardigde verwachtingen gewekt dat betrokkene na het overlijden van haar echtgenoot aanspraak zou kunnen maken op een ongekorte nabestaandenuitkering? Is sprake van strijdigheid met bepalingen van internationaal recht?</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 99/5747 ANW + 99/5748 ANW</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Hoger beroep</description><contributor lang="nl">Rechter(s): de Vries, Simon, Haverkamp</contributor><issued>2003-10-09</issued><reference relation="citing" lang="nl">Algemene nabestaandenwet 18</reference><reference relation="citing" lang="nl">Inkomens- en samenloopbesluit Anw</reference><reference relation="citing" lang="nl">Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten 26</reference></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:HR:2004:AR2314</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2004:AR2314</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:HR:2004:AR2314"><country>NL</country><court>HR</court></isVersionOf><creator lang="nl">Hoge Raad</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2004-09-17</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Belastingrecht</subject><abstract lang="nl">Ziekenfondszaak. Beroep op artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 38662</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Cassatie</description><contributor lang="nl">Rechter(s): mr. P.J. van Amersfoort mr. A.R. Leemreis mr. C.J.J. van Maanen</contributor><issued>2004-09-17</issued><reference relation="citing" lang="nl">Ziekenfondswet 3d</reference></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:CRVB:2003:AN8573</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2003:AN8573</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:CRVB:2003:AN8573"><country>NL</country><court>CRVB</court></isVersionOf><creator lang="nl">Centrale Raad van Beroep</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2003-10-08</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Sociale-zekerheidsrecht</subject><abstract lang="nl">Is terecht geweigerd toestemming te verlenen aan appellante voor een (nadere) plastisch chirurgische correctie van de mammae beiderzijds?</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 01/3841 ZFW</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Hoger beroep</description><contributor lang="nl">Rechter(s): Mr. ’t Hooft, Mr. Van Male, Mr. Levelt-Overmars</contributor><issued>2003-11-20</issued><reference relation="citing" lang="nl">Ziekenfondswet</reference></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:CRVB:2003:AN9591</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2003:AN9591</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:CRVB:2003:AN9591"><country>NL</country><court>CRVB</court></isVersionOf><creator lang="nl">Centrale Raad van Beroep</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2003-11-05</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Bestuursrecht</subject><subject lang="nl">Sociale-zekerheidsrecht</subject><abstract lang="nl">Heeft het onderhavige ziekenfonds terecht besloten geen Nutridrink te verstrekken, omdat het verstrekkingenbesluit hiervoor geen ruimte bood?</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 02/1998 ZFW</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Hoger beroep</description><contributor lang="nl">Rechter(s): 't Hooft, van Male, Berkel-Kikkert</contributor><issued>2003-12-18</issued><reference relation="citing" lang="nl">Algemene wet bestuursrecht 3:46</reference><reference relation="citing" lang="nl">Algemene wet bestuursrecht 7:12</reference><reference relation="citing" lang="nl">Verstrekkingenbesluit ziekenfondsverzekering 2</reference><reference relation="citing" lang="nl">Verstrekkingenbesluit ziekenfondsverzekering 9</reference><reference relation="citing" lang="nl">Ziekenfondswet</reference></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:CRVB:2003:AN9000</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2003:AN9000</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:CRVB:2003:AN9000"><country>NL</country><court>CRVB</court></isVersionOf><creator lang="nl">Centrale Raad van Beroep</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2003-11-07</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Bestuursrecht</subject><subject lang="nl">Sociale-zekerheidsrecht</subject><abstract lang="nl">Is er sprake van een financiële band tussen betrokkene en haar overleden ex-echtgenoot, op grond waarvan betrokkene met een nabestaande in de zin van de Anw kan worden gelijkgesteld?</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 02/4275 Anw</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Hoger beroep</description><contributor lang="nl">Rechter(s): de Vries</contributor><issued>2003-12-02</issued><reference relation="citing" lang="nl">Algemene nabestaandenwet 4</reference><reference relation="citing" lang="nl">Algemene nabestaandenwet 1e</reference></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:CRVB:2003:AO1599</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2003:AO1599</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:CRVB:2003:AO1599"><country>NL</country><court>CRVB</court></isVersionOf><creator lang="nl">Centrale Raad van Beroep</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2003-11-26</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Bestuursrecht</subject><subject lang="nl">Sociale-zekerheidsrecht</subject><abstract lang="nl">Gewezen echtgenote van overleden verzekerde nabestaande? Verplichting tot alimentatiebetaling?</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 01/6211 ANW</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Hoger beroep</description><contributor lang="nl">Rechter(s): De Vries, Simon, Stam</contributor><issued>2004-01-20</issued><reference relation="citing" lang="nl">Algemene nabestaandenwet 4</reference></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:CRVB:2003:AO2554</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2003:AO2554</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:CRVB:2003:AO2554"><country>NL</country><court>CRVB</court></isVersionOf><creator lang="nl">Centrale Raad van Beroep</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2003-12-05</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Bestuursrecht</subject><abstract lang="nl">Aanspraak op Anw te beschouwen als "possession" in de zin van art. 1 EVRM? Eenieder verbindende bepaling; toetsingsverbod; discriminatie.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 01/4843 ANW</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Hoger beroep</description><contributor lang="nl">Rechter(s): Van der Kade, Simon, Doornewaard</contributor><issued>2004-02-02</issued><reference relation="citing" lang="nl">Europees Sociaal Handvest 11</reference><reference relation="citing" lang="nl">Europees Sociaal Handvest 12</reference><reference relation="citing" lang="nl">Europees Sociaal Handvest 13</reference><reference relation="citing" lang="nl">Europees Sociaal Handvest 16</reference><reference relation="citing" lang="nl">Europees Sociaal Handvest 17</reference><reference relation="citing" lang="nl">Grondwet 93</reference><reference relation="citing" lang="nl">Grondwet 94</reference><reference relation="citing" lang="nl">Grondwet 120</reference></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:CRVB:2003:AO0598</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2003:AO0598</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:CRVB:2003:AO0598"><country>NL</country><court>CRVB</court></isVersionOf><creator lang="nl">Centrale Raad van Beroep</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2003-12-12</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Bestuursrecht</subject><subject lang="nl">Sociale-zekerheidsrecht</subject><abstract lang="nl">Weigering toelating tot de Regeling ex art. 66a ANW omdat de echtgenoot van betrokkene niet op grond van zijn gezondheidstoestand onverzekerbaar is. Is regeling in strijd met art. 26 IVBPR omdat onderscheid wordt gemaakt naar leeftijd?</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 02/15 ANW</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Hoger beroep</description><contributor lang="nl">Rechter(s): van der Kade, de Vries, Simon</contributor><issued>2004-01-08</issued><reference relation="citing" lang="nl">Algemene nabestaandenwet 66a</reference><reference relation="citing" lang="nl">Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten 26</reference><reference type="ECLI" relation="precededBy" lang="nl">ECLI:NL:CBB:2002:AE2676</reference></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:CRVB:2004:AO4504</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2004:AO4504</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:CRVB:2004:AO4504"><country>NL</country><court>CRVB</court></isVersionOf><creator lang="nl">Centrale Raad van Beroep</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2004-01-28</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Sociale-zekerheidsrecht</subject><abstract lang="nl">Weigering aflevering geneesmiddel acetylcysteïne omdat dit uitsluitend op grond van de Ziekenfondswet kan worden verstrekt, indien het een verzekerde betreft met chronisch obstructief longlijden (hierna COPD).</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 01/3242 ZFW</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Hoger beroep</description><contributor lang="nl">Rechter(s): Mr. ’t Hooft, Mr. Simons, Mr. Berkel-Kikkert</contributor><issued>2004-03-01</issued><reference relation="citing" lang="nl">Ziekenfondswet</reference><reference relation="citing" lang="nl">Ziekenfondswet 8</reference></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:CRVB:2004:AO5447</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2004:AO5447</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:CRVB:2004:AO5447"><country>NL</country><court>CRVB</court></isVersionOf><creator lang="nl">Centrale Raad van Beroep</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2004-03-03</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Bestuursrecht</subject><subject lang="nl">Sociale-zekerheidsrecht</subject><abstract lang="nl">Afwijzing vergoeding kosten aanschaf van een hoortoestel op grond van de ziekenfondswet.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 02/4366 ZFW</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Hoger beroep</description><contributor lang="nl">Rechter(s): 't Hooft, Simons, Berkel</contributor><issued>2004-03-12</issued><reference relation="citing" lang="nl">Ziekenfondswet 13</reference><reference relation="citing" lang="nl">Regeling hulpmiddelen 1996 1.1</reference><reference relation="citing" lang="nl">Regeling hulpmiddelen 1996 1.3</reference></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:CRVB:2004:AP1023</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2004:AP1023</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:CRVB:2004:AP1023"><country>NL</country><court>CRVB</court></isVersionOf><creator lang="nl">Centrale Raad van Beroep</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2004-05-26</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Sociale-zekerheidsrecht</subject><abstract lang="nl">Houtsmullertherapie. Vergoeding van onder meer de magistraal bereide middelen Megagenistin, Epigallo-catechine en KSM-itake. Deugdelijke motivering van besluit en controleerbaar medisch advies ten grondslag aan het besluit.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 02/3461 ZFW</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Hoger beroep</description><contributor lang="nl">Rechter(s): Mrs. 't Hooft, Simons, Berkel-Kikkert</contributor><issued>2004-06-08</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:CRVB:2004:AQ8102</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2004:AQ8102</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:CRVB:2004:AQ8102"><country>NL</country><court>CRVB</court></isVersionOf><creator lang="nl">Centrale Raad van Beroep</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2004-08-17</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Sociale-zekerheidsrecht</subject><abstract lang="nl">Afwijzing premierestitutie ziektekostenverzekering. Is terecht overwogen dat voor een beperking van de periode waarover premierestitutie wordt verleend, in de toepasselijke algemeen verbindende voorschriften geen steun is te vinden?</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 02/4600 ZFW</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Hoger beroep</description><contributor lang="nl">Rechter(s): Mr. ’t Hooft, Mr. Simons, Mr. Roelofs</contributor><issued>2004-08-27</issued><reference relation="citing" lang="nl">Ziekenfondswet</reference><reference relation="citing" lang="nl">Ziekenfondswet 10</reference><reference relation="citing" lang="nl">Verstrekkingenbesluit ziekenfondsverzekering</reference></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:PHR:2012:BT7496</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2012:BT7496</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:PHR:2012:BT7496"><country>NL</country><court>PHR</court></isVersionOf><creator lang="nl">Parket bij de Hoge Raad</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2012-01-20</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Conclusie</type><subject lang="nl">Burgerlijk recht</subject><abstract lang="nl">Overeenkomst en derden; aanneming; tekortschieten onderaannemer onrechtmatig jegens opdrachtgever? Normen maatschappelijk verkeer. In aanmerking te nemen omstandigheden (HR 24 september 2004, LJN AO9069, NJ 2008/587 (Vleesmeesters/Alog)). Onderaannemer zal in algemeen rekening hebben te houden met belangen opdrachtgever en opdrachtgever zal in algemeen erop mogen vertrouwen dat onderaannemer dat doet. Wanprestatie onderaannemer jegens hoofdaannemer op zichzelf nog geen onrechtmatige daad jegens opdrachtgever. Stellingen opdrachtgever kunnen in context onderhavige zaak oordeel wettigen dat onderaannemer bij uitvoering werk mede jegens opdrachtgever onzorgvuldig te werk is gegaan. Andersluidend oordeel hof onvoldoende gemotiveerd. Vordering tot oproeping in vrijwaring ten onrechte door hof toewijsbaar geoordeeld (HR 14 december 2007, LJN BB7189, NJ 2008/09). Bezwaar dat waarborg zonder voldoende rechtvaardiging instantie wordt ontnomen, geldt evenzeer indien vordering tot oproeping in vrijwaring in eerste aanleg is afgewezen en in hoger beroep eerst aan de orde is gekomen nadat in hoofdzaak in eerste aanleg einduitspraak is gedaan.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 10/02540</description><contributor lang="nl">Advocaat-/procureur-generaal: (concl. A-G Wissink)</contributor><issued>2012-01-20</issued><reference type="ECLI" relation="followedBy" lang="nl">ECLI:NL:HR:2012:BT7496</reference></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:HR:2012:BT7496</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2012:BT7496</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:HR:2012:BT7496"><country>NL</country><court>HR</court></isVersionOf><creator lang="nl">Hoge Raad</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2012-01-20</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Burgerlijk recht</subject><abstract lang="nl">Overeenkomst en derden; aanneming; tekortschieten onderaannemer onrechtmatig jegens opdrachtgever? Normen maatschappelijk verkeer. In aanmerking te nemen omstandigheden (HR 24 september 2004, LJN AO9069, NJ 2008/587 (Vleesmeesters/Alog)). Onderaannemer zal in algemeen rekening hebben te houden met belangen opdrachtgever en opdrachtgever zal in algemeen erop mogen vertrouwen dat onderaannemer dat doet. Wanprestatie onderaannemer jegens hoofdaannemer op zichzelf nog geen onrechtmatige daad jegens opdrachtgever. Stellingen opdrachtgever kunnen in context onderhavige zaak oordeel wettigen dat onderaannemer bij uitvoering werk mede jegens opdrachtgever onzorgvuldig te werk is gegaan. Andersluidend oordeel hof onvoldoende gemotiveerd. Vordering tot oproeping in vrijwaring ten onrechte door hof toewijsbaar geoordeeld (HR 14 december 2007, LJN BB7189, NJ 2008/09). Bezwaar dat waarborg zonder voldoende rechtvaardiging instantie wordt ontnomen, geldt evenzeer indien vordering tot oproeping in vrijwaring in eerste aanleg is afgewezen en in hoger beroep eerst aan de orde is gekomen nadat in hoofdzaak in eerste aanleg einduitspraak is gedaan.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 10/02540</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Cassatie</description><contributor lang="nl">Rechter(s): Mr. Streefkerk, Mr. Numann, Mr. Van Schendel, Mr. Snijders, Mr. Van Buchem-Spapens</contributor><issued>2012-01-20</issued><reference relation="citing" lang="nl">Burgerlijk Wetboek Boek 6</reference><reference relation="citing" lang="nl">Burgerlijk Wetboek Boek 6 74</reference><reference relation="citing" lang="nl">Burgerlijk Wetboek Boek 6 162</reference><reference type="ECLI" relation="precededBy" lang="nl">ECLI:NL:PHR:2012:BT7496</reference></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:CRVB:2011:BR4101</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2011:BR4101</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:CRVB:2011:BR4101"><country>NL</country><court>CRVB</court></isVersionOf><creator lang="nl">Centrale Raad van Beroep</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2011-07-26</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Bestuursrecht</subject><subject lang="nl">Sociale-zekerheidsrecht</subject><abstract lang="nl">Niet-ontvankelijkverklaring bezwaar. Aangezien de rijksbelastingdienst de bijdrage heft, is de Raad van oordeel dat de Svb als inhoudingsplichtig orgaan niet bevoegd was om een beslissing te nemen op het bezwaar van appellante. Nu appellante uitsluitend om vergoeding van de bijdrage door de Svb als inhoudingsplichtig orgaan heeft verzocht voor het geval het bezwaar betreffende het percentage van de bijdrage niet wordt gehonoreerd, dient de Svb alvorens hierover te beslissen het besluit van de rijksbelastingdienst over het bezwaar tegen de hoogte van de bijdrage af te wachten. Het bezwaarschrift wordt doorgezonden naar de rijksbelastingdienst.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 07-5825 AOW</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Hoger beroep</description><contributor lang="nl">Rechter(s): N.J. van Vulpen-Grootjans, G.M.T. Berkel-Kikkert, J.J.A. Kooijman</contributor><issued>2011-08-04</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:CRVB:2011:BR7012</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2011:BR7012</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:CRVB:2011:BR7012"><country>NL</country><court>CRVB</court></isVersionOf><creator lang="nl">Centrale Raad van Beroep</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2011-08-24</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Bestuursrecht</subject><subject lang="nl">Sociale-zekerheidsrecht</subject><abstract lang="nl">Afwijzing aanvraag om compensatie eigen risico Zvw 2008 terecht door de rechtbank vernietigd. Voor de stof hydroxcarbamide is geen DDD vastgesteld. De door het CAK gehanteerde dosering van 2,5 gram oraal is niet meer in overeenstemming met het reële gebruik van de stof. De aan betrokkene in 2006 en 2007 afgeleverde hydroxcarbamide was bij de door CAK ten onrechte gehanteerde standaard dagdosering, nagenoeg voldoende voor indeling in een FKG. De Raad voorvziet zelf door te bepalen dat betrokkene in aanmerking komt voor compensatie van het eigen risico in 2008, begroot op € 47,--.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 10-6915 ZVW</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Hoger beroep</description><contributor lang="nl">Rechter(s): H.J. De Mooij</contributor><issued>2011-09-08</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RBROT:2014:628</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2014:628</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RBROT:2014:628"><country>NL</country><court>RBROT</court></isVersionOf><creator lang="nl">Rechtbank Rotterdam</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2014-01-22</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Burgerlijk recht</subject><abstract lang="nl">Verklaringsprocedure. Mag beslagene verklaring herroepen? Betwisting gewijzigde verklaring beslagene.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: C/10/427921 / HA ZA 13-687</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Eerste aanleg - enkelvoudig</description><contributor lang="nl">Rechter(s): mr. F. Damsteegt-Molier</contributor><issued>2014-02-03</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:GHARN:2007:BA7786</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARN:2007:BA7786</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:GHARN:2007:BA7786"><country>NL</country><court>GHARN</court></isVersionOf><creator lang="nl">Gerechtshof Arnhem</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2007-06-19</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Burgerlijk recht</subject><abstract lang="nl">Uit de stellingen van partijen blijkt dat W&amp;P jegens appellant onder meer als financieel adviseur is opgetreden. Het hof gaat er dan ook vanuit dat partijen een overeenkomst zijn aangegaan die erop neerkomt dat W&amp;P in opdracht van appellant financieel advies aan hem heeft uitgebracht en dat zij hem in dat kader PFP 2 heeft geadviseerd. De omstandigheid dat W&amp;P hiervoor niet door appellant werd betaald (maar haar vergoeding verkreeg van partijen bij wie appellant de in het financiële plan voorziene financiële producten verkreeg) maakt dat in het licht van het bepaalde in artikelen 7:400 en 401 BW niet anders. Voor zover W&amp;P met haar verwijzing naar een clientenremisier bedoelt te betogen dat zij in dezen niet de zorgplicht van een financieel adviseur behoefde te betrachten, verwerpt het hof dat betoog.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 2006/424</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Hoger beroep</description><contributor lang="nl">Rechter(s): Mrs. Makkink, Vaessen, Sprenger</contributor><issued>2007-06-28</issued><reference type="ECLI" relation="precededBy" lang="nl">ECLI:NL:RBARN:2005:AU2382</reference></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:GHSHE:2006:AZ4053</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2006:AZ4053</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:GHSHE:2006:AZ4053"><country>NL</country><court>GHSHE</court></isVersionOf><creator lang="nl">Gerechtshof 's-Hertogenbosch</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2006-12-05</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Burgerlijk recht</subject><abstract lang="nl">[appellant] verwijt [geïntimeerde] dat zij een brochure heeft opgesteld met een onjuiste inhoud waardoor bij de kopers het vertrouwen is gewekt dat de boerderij bepaalde kwaliteiten bezat. Door de kwalificaties in de verkoopbrochure diende [appellant] op grond van de in artikel 8 van de koopakte opgenomen garantiebepaling in te staan voor het in de bodem en in het dakbeschot aanwezige asbest, terwijl zulks niet het geval zou zijn geweest als de kwalificaties achterwege waren gebleven, aldus [appellant].</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: C0500715-BR</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Hoger beroep</description><contributor lang="nl">Rechter(s): Mrs. J.T. Begheyn, T.C.M. Hendriks-Jansen, S. Riemens</contributor><issued>2006-12-11</issued><reference relation="citing" lang="nl">Burgerlijk Wetboek Boek 7</reference><reference relation="citing" lang="nl">Burgerlijk Wetboek Boek 7 17</reference></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RBROT:2006:AZ5359</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2006:AZ5359</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RBROT:2006:AZ5359"><country>NL</country><court>RBROT</court></isVersionOf><creator lang="nl">Rechtbank Rotterdam</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2006-12-13</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Burgerlijk recht</subject><abstract lang="nl">vordering tot schadevergoeding wegens toerekebare tekortkoming advocaten en vordering tot (gedeeltelijke) ontbinding van de opdrachtovereenkomst met advocaten</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 210124 / HA ZA 04-338</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Eerste aanleg - enkelvoudig</description><contributor lang="nl">Rechter(s): mr. J.F. Koekebakker</contributor><issued>2006-12-29</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:CRVB:2017:2836</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2017:2836</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:CRVB:2017:2836"><country>NL</country><court>CRVB</court></isVersionOf><creator lang="nl">Centrale Raad van Beroep</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2017-08-16</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Sociale-zekerheidsrecht</subject><abstract lang="nl">Geen recht meer op ziekengeld, omdat appellante meer dan 65% kon verdienen van het loon dat zij verdiende voordat zij ziek werd. Geen aanleiding de uitkomst van het medisch onderzoek door de artsen van het Uwv voor onjuist te houden.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 15/6693 ZW</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Hoger beroep</description><issued>2017-08-18</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:CRVB:2017:1664</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2017:1664</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:CRVB:2017:1664"><country>NL</country><court>CRVB</court></isVersionOf><creator lang="nl">Centrale Raad van Beroep</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2017-05-03</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Sociale-zekerheidsrecht</subject><abstract lang="nl">Medische beoordeling die aan de beëindiging van het ziekengeld ten grondslag ligt, is op een onvoldoende feitelijke grondslag gebaseerd, zodat deze de conclusie niet kan dragen dat appellant weer geschikt was voor de in aanmerking komende arbeid.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 16/1066 ZW</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Hoger beroep</description><issued>2017-05-04</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:CBB:2016:405</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CBB:2016:405</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:CBB:2016:405"><country>NL</country><court>CBB</court></isVersionOf><creator lang="nl">College van Beroep voor het bedrijfsleven</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2016-12-28</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Bestuursrecht</subject><abstract lang="nl">Warenwet; Warenwetbesluit Bereiding en behandeling van levensmiddelen; Warenwetregeling Vrijstelling vitaminepreparaten. De brief van de minister waarin hij aan appellante het verbod oplegt om in Nederland een voedingssupplement met 100 microgram vitamine D op de markt te bregen, is niet een appellabel besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb en ook niet een met een appellabel besluit gelijk te stellen bestuurlijk rechtsoordeel.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 15/605</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Hoger beroep, Proceskostenveroordeling</description><contributor lang="nl">Rechter(s): M.M. Smorenburg, J.L.W. Aerts, W.E. Doolaard</contributor><issued>2017-01-09</issued><reference relation="citing" lang="nl">Algemene wet bestuursrecht</reference><reference relation="citing" lang="nl">Algemene wet bestuursrecht 1:3</reference><reference relation="citing" lang="nl">Warenwet</reference><reference relation="citing" lang="nl">Warenwetbesluit Bereiding en behandeling van levensmiddelen</reference><reference type="ECLI" relation="precededBy" lang="nl">ECLI:NL:RBROT:2015:4791</reference></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:CRVB:2017:1784</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2017:1784</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:CRVB:2017:1784"><country>NL</country><court>CRVB</court></isVersionOf><creator lang="nl">Centrale Raad van Beroep</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2017-05-15</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Sociale-zekerheidsrecht</subject><abstract lang="nl">Geen recht op ziekengeld. Geschiktheid eigen functie. Voldoende medische en arbeidskundige grondslag.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 13/6238 ZW</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Hoger beroep</description><issued>2017-05-16</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:CRVB:2017:3340</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2017:3340</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:CRVB:2017:3340"><country>NL</country><court>CRVB</court></isVersionOf><creator lang="nl">Centrale Raad van Beroep</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2017-09-22</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Sociale-zekerheidsrecht</subject><abstract lang="nl">De tardief en in strijd met beginselen van goede procesorde geachte hoger beroepsgrond zal niet inhoudelijk worden besproken. Het oordeel van de rechtbank in overweging 4 wordt onderschreven. Verzekeringsarts mag in beginsel varen op zijn eigen oordeel, vaste rechtspraak. Dat geen eigen onderzoek door verzekeringsarts bezwaar en beroep is gedaan maar volstaan met dossierstudie, maakt niet dat onderzoek onzorgvuldig is geweest. Geen sprake van schending van “equality of arms” zodat geen aanleiding is tot benoeming van een deskundige. Er is geen aanleiding voor een ander oordeel over de inschatting van de belastbaarheid van appellante dan de rechtbank heeft gegeven. Overwegingen rechtbank worden onderschreven.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 17/843 WIA</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Hoger beroep</description><issued>2017-10-02</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RBROT:2013:BZ6034</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2013:BZ6034</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RBROT:2013:BZ6034"><country>NL</country><court>RBROT</court></isVersionOf><creator lang="nl">Rechtbank Rotterdam</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2013-03-13</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Burgerlijk recht</subject><abstract lang="nl">Verkeersongeval. Postwhiplashtrauma. Letselschade. Verjaring.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: C-10-366567 - HA ZA 10-3351</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Eerste aanleg - enkelvoudig</description><contributor lang="nl">Rechter(s): mr. P.F.G.T. Hofmeijer-Rutten</contributor><issued>2013-04-02</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RBROT:2013:CA2960</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2013:CA2960</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RBROT:2013:CA2960"><country>NL</country><court>RBROT</court></isVersionOf><creator lang="nl">Rechtbank Rotterdam</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2013-05-01</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Burgerlijk recht</subject><abstract lang="nl">Aanbesteding. Afgebroken onderhandelingen. Langdurige onderhandelingen. Geen (romp)overeenkomst tot stand gekomen? Precontractuele fase niet geëindigd. Geen schadevergoedingsplicht voor afbrekende partij in verband met langdurige passieve opstelling wederpartij.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: C/10/383901 / HA ZA 11-1732</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Eerste aanleg - enkelvoudig</description><contributor lang="nl">Rechter(s): mr. J.W. van den Hurk</contributor><issued>2013-06-12</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:CRVB:2015:3864</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2015:3864</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:CRVB:2015:3864"><country>NL</country><court>CRVB</court></isVersionOf><creator lang="nl">Centrale Raad van Beroep</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2015-11-06</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Sociale-zekerheidsrecht</subject><abstract lang="nl">Herziening ten onrechte toegekende nabestaandenuitkering met terugwerkende kracht. Terugvordering. Niet kan worden gezegd dat het appellante niet redelijkerwijs duidelijk kon zijn dat haar inkomsten uit arbeid bij het [werkgever] van invloed waren op de hoogte van haar nabestaandenuitkering. Op het aan haar toegezonden inkomstenopgaveformulier is duidelijk vermeld dat alle Nederlandse of niet-Nederlandse inkomensbestanddelen vermeld dienen te worden. Buitenwettelijk, begunstigend beleid. De herziening met volledige terugwerkende kracht is niet kennelijk onredelijk. Geen sprake van dringende redenen om van terugvordering af te zien.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 13/1499 ANW</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Hoger beroep</description><contributor lang="nl">Rechter(s): Mrs. M.M. van der Kade, T.L. de Vries, P.H. Banda</contributor><issued>2015-11-10</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RBAMS:2018:1491</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2018:1491</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RBAMS:2018:1491"><country>NL</country><court>RBAMS</court></isVersionOf><creator lang="nl">Rechtbank Amsterdam</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2018-03-02</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Burgerlijk recht</subject><abstract lang="nl">De projectontwikkelaar, die bezig is een pand naast het Frederik Park House (een hotel aan het Frederiksplein) te verbouwen, mag geen (verdere) werkzaamheden verrichten aan de gezamenlijke fundering en scheidingsmuur</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: C/13/643661 / KG ZA 18-176</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Kort geding</description><contributor lang="nl">Rechter(s): mr. C.M. Berkhout</contributor><issued>2018-03-16</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:CRVB:2016:1231</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2016:1231</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:CRVB:2016:1231"><country>NL</country><court>CRVB</court></isVersionOf><creator lang="nl">Centrale Raad van Beroep</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2016-04-06</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Sociale-zekerheidsrecht</subject><abstract lang="nl">Het beroep van appellante is door de rechtbank terecht niet-ontvankelijk verklaard. Het verzoek van appellante om op de GGD-lijst geplaatst te worden is niet aan te merken als een aanvraag in de zin van artikel 1:3, derde lid, van de Awb. Daarom was het college niet gehouden een besluit te nemen en kon het college niet in gebreke gesteld worden. Ingevolge artikel 6:12, tweede en derde lid, van de Awb was er geen mogelijkheid tot het instellen van beroep wegens het niet tijdig beslissen op een aanvraag.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 14/6463 WMO</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Hoger beroep</description><contributor lang="nl">Rechter(s): De Mooij</contributor><issued>2016-04-07</issued><reference relation="citing" lang="nl">Algemene wet bestuursrecht</reference><reference relation="citing" lang="nl">Algemene wet bestuursrecht 1:3</reference></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:CRVB:2016:132</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2016:132</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:CRVB:2016:132"><country>NL</country><court>CRVB</court></isVersionOf><creator lang="nl">Centrale Raad van Beroep</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2016-01-13</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Sociale-zekerheidsrecht</subject><abstract lang="nl">De door de Raad benoemde deskundige wordt gevolgd. De mate van arbeidsongeschiktheid wordt alsnog vastgesteld op 80 tot 100*. Geen pensioenschade en geen immateriële schade.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 12/3903 WAZ</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Hoger beroep</description><contributor lang="nl">Rechter(s): Mrs. J.J.T. van den Corput, J.S. van der Kolk, E.W. Akkerman</contributor><issued>2016-01-14</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:CBB:2015:288</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CBB:2015:288</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:CBB:2015:288"><country>NL</country><court>CBB</court></isVersionOf><creator lang="nl">College van Beroep voor het bedrijfsleven</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2015-09-21</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Bestuursrecht</subject><abstract lang="nl">Last onder dwangsom. Ingevolge artikel 1:74 van de Wft is AFM bevoegd om kopieën van bankafschriften te vorderen, uitsluitend voor zover deze bevoegdheid ten behoeve van het toezicht op de naleving van de bij of krachtens de Wft gestelde regels wordt uitgeoefend. Hoger-beroep ongegrond.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: AWB 13/986</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Hoger beroep</description><contributor lang="nl">Rechter(s): R.C. Stam, E.R. Eggeraat, A.J.C. De Moor-van Vugt</contributor><issued>2015-10-05</issued><reference relation="citing" lang="nl">Wet op het financieel toezicht</reference><reference type="ECLI" relation="precededBy" lang="nl">ECLI:NL:RBROT:2013:9229</reference></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:CBB:2015:287</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CBB:2015:287</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:CBB:2015:287"><country>NL</country><court>CBB</court></isVersionOf><creator lang="nl">College van Beroep voor het bedrijfsleven</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2015-09-21</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Bestuursrecht</subject><abstract lang="nl">Last onder dwangsom. Ingevolge artikel 1:74 van de Wft is AFM bevoegd om kopieën van bankafschriften te vorderen, uitsluitend voor zover deze bevoegdheid ten behoeve van het toezicht op de naleving van de bij of krachtens de Wft gestelde regels wordt uitgeoefend. Hoogte dwangsom. Hoger-beroep ongegrond.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 14/3</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Hoger beroep</description><contributor lang="nl">Rechter(s): R.C. Stam, E.R. Eggeraat, A.J.C. De Moor-van Vugt</contributor><issued>2015-10-05</issued><reference relation="citing" lang="nl">Wet op het financieel toezicht</reference><reference type="ECLI" relation="precededBy" lang="nl">ECLI:NL:RBROT:2013:10889</reference></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:CRVB:2015:4192</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2015:4192</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:CRVB:2015:4192"><country>NL</country><court>CRVB</court></isVersionOf><creator lang="nl">Centrale Raad van Beroep</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2015-12-02</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Sociale-zekerheidsrecht</subject><abstract lang="nl">De Raad is van oordeel dat artikel 9.1a, eerste lid, onder a, van de Wsf 2000 in verbinding met artikel 5:11 van de Awb, en de bij die bepalingen horende wetsgeschiedenis, bezien in samenhang met de in de praktijk gegeven sturing door de minister aan de controleurs en de afwezigheid van een commercieel belang bij het resultaat van de controle door de gekozen bezoldigingsafspraken, een voldoende wettelijke grondslag biedt om werknemers van een private partij als SV Land te belasten met het toezicht op de naleving van artikel 1.5 van de Wsf 2000. Dit betekent dat de minister een besluit tot herziening van de uitwonendenbeurs in een thuiswonendenbeurs in beginsel mag baseren op de resultaten van een huisbezoek dat is verricht door deze personen.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 14/4750 WSF</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Hoger beroep</description><contributor lang="nl">Rechter(s): Mrs. Brand, De Mooij, Wagner</contributor><issued>2015-12-03</issued><reference type="ECLI" relation="precededBy" lang="nl">ECLI:NL:RBROT:2014:5684</reference></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RBSGR:2011:BP9660</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBSGR:2011:BP9660</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RBSGR:2011:BP9660"><country>NL</country><court>RBSGR</court></isVersionOf><creator lang="nl">Rechtbank 's-Gravenhage</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2011-03-23</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Burgerlijk recht</subject><abstract lang="nl">schadevergoeding ivm uitgebrande treinstellen. Constructiefout? Geklaagd binnen bekwame tijd? Exoneratiebeding.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 249990 / HA ZA 05-2887</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Eerste aanleg - meervoudig</description><contributor lang="nl">Rechter(s): Mrs. I.F. Dam, B. Pries, I. Brand</contributor><issued>2011-03-30</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RBSGR:2011:BP4424</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBSGR:2011:BP4424</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RBSGR:2011:BP4424"><country>NL</country><court>RBSGR</court></isVersionOf><creator lang="nl">Rechtbank 's-Gravenhage</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2011-02-09</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Burgerlijk recht</subject><abstract lang="nl">Gevorderde buitentoepassing verklaring van artikel 2 van de Opiumwet wegens strijd met geloofsbelijdenis afgewezen.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 360601 - HA ZA 10-781</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Eerste aanleg - enkelvoudig</description><contributor lang="nl">Rechter(s): mr. H.M. Boone</contributor><issued>2011-02-14</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:GHAMS:2010:BL9011</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2010:BL9011</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:GHAMS:2010:BL9011"><country>NL</country><court>GHAMS</court></isVersionOf><creator lang="nl">Gerechtshof Amsterdam</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2010-02-09</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Familierecht</subject><abstract lang="nl">adoptie</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 200.049.439/01</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Hoger beroep</description><contributor lang="nl">Rechter(s): mr. M.M.A. Gerritzen-Gunst mr. A.L. Diender mr. B.F.P. Lhoest</contributor><issued>2010-03-26</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:GHSGR:2009:BK3903</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSGR:2009:BK3903</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:GHSGR:2009:BK3903"><country>NL</country><court>GHSGR</court></isVersionOf><creator lang="nl">Gerechtshof 's-Gravenhage</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2009-11-04</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Familierecht</subject><abstract lang="nl">Verdeling huwelijksgoederengemeenschap. Geen gronden: niet-ontvankelijk. Afstand ex artikel 1:103 BW. Proceskostenveroordeling.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 200.024.840-01</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Hoger beroep</description><contributor lang="nl">Rechter(s): Mrs. A.L.G.A. Stille, J.M. van de Poll, J.J.J. Engel</contributor><issued>2009-11-26</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:CRVB:1998:AA8799</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:1998:AA8799</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:CRVB:1998:AA8799"><country>NL</country><court>CRVB</court></isVersionOf><creator lang="nl">Centrale Raad van Beroep</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>1998-11-04</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Sociale-zekerheidsrecht</subject><abstract lang="nl">-</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 96/9963 ZFW, 97/4591 ZFW</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Hoger beroep</description><contributor lang="nl">Rechter(s): Mr. De Vries, Mr. Zwart, Mr. Haverkamp</contributor><issued>2000-12-04</issued><reference relation="citing" lang="nl">Ziekenfondswet</reference><reference relation="citing" lang="nl">Ziekenfondswet 3</reference></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:CRVB:1998:AA8800</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:1998:AA8800</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:CRVB:1998:AA8800"><country>NL</country><court>CRVB</court></isVersionOf><creator lang="nl">Centrale Raad van Beroep</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>1998-10-05</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Bestuursrecht</subject><subject lang="nl">Sociale-zekerheidsrecht</subject><abstract lang="nl">-</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 96/10054 ZFW</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Hoger beroep</description><contributor lang="nl">Rechter(s): 't Hooft, van der Vos, Schelfhout</contributor><issued>2002-09-27</issued><reference relation="citing" lang="nl">Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie 60</reference><reference relation="citing" lang="nl">Ziekenfondswet 9</reference><reference relation="citing" lang="nl">Ziekenfondswet</reference></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:CRVB:1999:AA8792</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:1999:AA8792</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:CRVB:1999:AA8792"><country>NL</country><court>CRVB</court></isVersionOf><creator lang="nl">Centrale Raad van Beroep</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>1999-04-23</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Sociale-zekerheidsrecht</subject><abstract lang="nl">-</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 96/11055 ZFW</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Hoger beroep</description><contributor lang="nl">Rechter(s): 't Hooft, van der Vos, Schelfhout</contributor><issued>2000-12-04</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:HR:2012:BX0357</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2012:BX0357</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:HR:2012:BX0357"><country>NL</country><court>HR</court></isVersionOf><creator lang="nl">Hoge Raad</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2012-10-26</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Burgerlijk recht</subject><abstract lang="nl">Aansprakelijkheid/verzekering. Schadeberekening bij zaaksbeschadiging (auto). Abstracte schadebegroting; Audatex-systeem. Vraag of rekening moet worden gehouden met door leasemaatschappij bedongen korting voor herstelwerkzaamheden. Belang van snelle, eenvoudige en uniforme afwikkeling. Hanteerbaarheid schadeberekening.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 11/04121</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Cassatie</description><contributor lang="nl">Rechter(s): (Mrs. E.J. Numann, C.A. Streefkerk, A.H.T. Heisterkamp, C.E. Drion en G. Snijders)</contributor><issued>2012-10-26</issued><reference type="ECLI" relation="precededBy" lang="nl">ECLI:NL:PHR:2012:BX0357</reference><reference type="ECLI" relation="precededBy" lang="nl">ECLI:NL:GHARN:2011:BR2166</reference></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:PHR:2012:BX0357</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2012:BX0357</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:PHR:2012:BX0357"><country>NL</country><court>PHR</court></isVersionOf><creator lang="nl">Parket bij de Hoge Raad</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2012-10-26</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Conclusie</type><subject lang="nl">Burgerlijk recht</subject><abstract lang="nl">Aansprakelijkheid/verzekering. Schadeberekening bij zaaksbeschadiging (auto). Abstracte schadebegroting; Audatex-systeem. Vraag of rekening moet worden gehouden met door leasemaatschappij bedongen korting voor herstelwerkzaamheden. Belang van snelle, eenvoudige en uniforme afwikkeling. Hanteerbaarheid schadeberekening.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 11/04121</description><issued>2012-10-26</issued><reference type="ECLI" relation="precededBy" lang="nl">ECLI:NL:GHARN:2011:BR2166</reference><reference type="ECLI" relation="followedBy" lang="nl">ECLI:NL:HR:2012:BX0357</reference></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:CRVB:2011:BT1941</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2011:BT1941</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:CRVB:2011:BT1941"><country>NL</country><court>CRVB</court></isVersionOf><creator lang="nl">Centrale Raad van Beroep</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2011-09-07</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Bestuursrecht</subject><subject lang="nl">Sociale-zekerheidsrecht</subject><abstract lang="nl">Bijdrage Zvn is terecht opgelegd. Verdragsgerechtigde. AOW is een wettelijk pensioen is als bedoeld in artikel 28 van Vo 1408/71. Door middel van een aanvullende bescherming is een adequate maatregel getroffen om de doelstelling van artikel 48 VWEU te realiseren. Aldus wordt immers het vrije verkeer van burgers binnen de EU veeleer vergemakkelijkt dan beperkt. Ten aanzien van de stelling van appellant dat de artikelen 28 en 28bis van Vo 1408/71 niet op hem van toepassing zijn omdat hij, wonend buiten Nederland, niet verzekerd is krachtens de Zvw en de AWBZ, stelt de Raad vast dat deze stelling door het Hof reeds is verworpen. Keuzerecht. Geen sprake van een mogelijke belemmering van het vrij van verkeer van unieburgers. Niet gebleken van een vorm van ongelijke behandeling van Cvz jegens appellant welke onverenigbaar zou zijn met enige bepaling van communautair en/of internationaal recht. Vo 1408/71 biedt voldoende basis voor een inhouding van een bijdrage op zijn ABP-pensioen. Het Hof heeft overwogen dat het een aangelegenheid is van de lidstaat ten laste waarvan de zorg wordt verstrekt en die op grond van artikel 33, eerste lid, van Vo 1408/71 bevoegd is in verband daarmee een bijdrage te heffen, om in zijn regelgeving vast te leggen welke inkomsten voor de berekening van de socialezekerheidspremies in aanmerking worden genomen.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 09-2458 ZFW</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Hoger beroep</description><contributor lang="nl">Rechter(s): De Vries, Simon, Lenos</contributor><issued>2011-09-20</issued><reference relation="citing" lang="nl">Zorgverzekeringswet 69</reference></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RBGEL:2017:2475</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2017:2475</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RBGEL:2017:2475"><country>NL</country><court>RBGEL</court></isVersionOf><creator lang="nl">Rechtbank Gelderland</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2017-04-07</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Burgerlijk recht</subject><abstract lang="nl">De kantonrechter heeft geoordeeld dat de consument in beginsel, naast de gebruikelijke consumentenbescherming, bescherming genoot van het herroepingsrecht zoals bedoeld in richtlijn 2011/83/EU. De ondernemer heeft betwist dat de consument in deze kwestie die bescherming toekomt. De kantonrechter heeft overwogen dat artikel 6:230p BW onderhavige transactie niet uitsluit van de in voormelde richtlijn vastgestelde regeling. De kantonrechter is onder de specifieke omstandigheden van het geval echter van oordeel dat de consument zodanig recht niet toekomt.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 5364377/CV EXPL 16-4995</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Eerste aanleg - enkelvoudig</description><contributor lang="nl">Rechter(s): mr. P.J. Wiegman</contributor><issued>2017-05-03</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RBROT:2017:751</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2017:751</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RBROT:2017:751"><country>NL</country><court>RBROT</court></isVersionOf><creator lang="nl">Rechtbank Rotterdam</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2017-01-12</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Burgerlijk recht</subject><abstract lang="nl">Koop op afstand (artikel 7:230g lid 1 sub e BW); koop droger op Marktplaats ook al wordt droger opgehaald in winkel. Ovk tijdens (verlengde) ontbindingstermijn ontbonden. Teruggave koopprijs en retourneren droger (op kosten verkoper nu niet is medegedeeld</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 5414557 CV EXPL 16-7603</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Eerste aanleg - enkelvoudig</description><contributor lang="nl">Rechter(s): mr. J.C. Halk</contributor><issued>2017-02-22</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:CBB:2008:BD8180</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CBB:2008:BD8180</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:CBB:2008:BD8180"><country>NL</country><court>CBB</court></isVersionOf><creator lang="nl">College van Beroep voor het bedrijfsleven</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2008-07-09</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Bestuursrecht</subject><abstract lang="nl">Kaderwet EZ-subsidies</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: AWB 07/612</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Eerste aanleg - meervoudig, Proceskostenveroordeling</description><contributor lang="nl">Rechter(s): mr J.L.W. Aerts mr R.R. Winter mr. M. van Duuren</contributor><issued>2008-07-22</issued><reference relation="citing" lang="nl">Algemene wet bestuursrecht 1:3</reference><reference relation="citing" lang="nl">Algemene wet bestuursrecht 4:21</reference><reference relation="citing" lang="nl">Kaderwet EZ-, LVVN- en KGG-subsidies</reference></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RBUTR:2012:BX2398</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBUTR:2012:BX2398</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RBUTR:2012:BX2398"><country>NL</country><court>RBUTR</court></isVersionOf><creator lang="nl">Rechtbank Utrecht</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2012-07-18</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Burgerlijk recht</subject><abstract lang="nl">Arbeidsongeschiktheidsverzekering. Zorgplicht.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 304212 - HA ZA 11-646</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Eerste aanleg - enkelvoudig</description><contributor lang="nl">Rechter(s): mr. M.E. Heinemann</contributor><issued>2012-07-24</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:CRVB:2005:AU4712</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2005:AU4712</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:CRVB:2005:AU4712"><country>NL</country><court>CRVB</court></isVersionOf><creator lang="nl">Centrale Raad van Beroep</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2005-10-19</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Sociale-zekerheidsrecht</subject><abstract lang="nl">In geschil is het antwoord op de vraag op welke datum de fictieve opzegtermijn in het geval van appellant eindigt.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 04/2673 WW</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Hoger beroep</description><contributor lang="nl">Rechter(s): Mr. Hoogeveen, Mr. Van Dun, Mr. Riphagen</contributor><issued>2005-10-20</issued><reference relation="citing" lang="nl">Werkloosheidswet</reference><reference relation="citing" lang="nl">Werkloosheidswet 16</reference><reference relation="citing" lang="nl">Burgerlijk Wetboek Boek 7</reference><reference relation="citing" lang="nl">Burgerlijk Wetboek Boek 7 672</reference></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RBALK:2011:BQ6464</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBALK:2011:BQ6464</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RBALK:2011:BQ6464"><country>NL</country><court>RBALK</court></isVersionOf><creator lang="nl">Rechtbank Alkmaar</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2011-04-20</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Burgerlijk recht</subject><abstract lang="nl">Vordering tot uitbetaling van depot onder notaris. Overeenkomstenrecht. [] stort geld in depot bij notaris ten behoeve van eiser. Tussen eiser en [] zijn de voorwaarden overeengekomen waaronder de notaris tot uitkering dient over te gaan. Deze voorwaarden zijn voor het faillissement van [] ook ingetreden. Desondanks weigert de curator van [] de notaris toestemming te verlenen tot uitbetaling van het depot aan eiser. Eiser spreekt vervolgens de notaris aan uit nakoming van de depotovereenkomst. Tevergeefs; nu tussen eiser en de notaris geen overeenkomst tot stand is gekomen. Het enkele feit dat het depot 'ten behoeve' van eiser werd aangehouden is daarvoor onvoldoende.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 120665</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Eerste aanleg - enkelvoudig</description><issued>2011-05-30</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RBAMS:2010:BO0392</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2010:BO0392</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RBAMS:2010:BO0392"><country>NL</country><court>RBAMS</court></isVersionOf><creator lang="nl">Rechtbank Amsterdam</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2010-04-21</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Burgerlijk recht</subject><abstract lang="nl">Nietigheid dividendbesluiten wegens strijd met art. 2:216 BW? De opvatting dat bij de toepassing van deze bepaling de vastgestelde jaarrekening, indien en voor zover zij niet zou voldoen aan de voorschriften uit het jaarrekeningenrecht, eerst aan die voorschriften moet worden aangepast, kan niet worden aanvaard. Verhouding tussen lid 3 en lid 4 van art. 2:216 BW. Toepassing maatstaf van lid 4. Bewijsvermoedens van art. 2:248 lid 2 BW zijn niet van toepassing als de jaarrekening wel tijdig is gepubliceerd, maar inhoudelijk niet voldoet aan de voorschriften van het jaarrekeningenrecht, omdat het daarin aan voorzieningen opgenomen bedrag ontoereikend is.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 407329 / HA ZA 08-2522</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Bodemzaak, Eerste aanleg - enkelvoudig</description><contributor lang="nl">Rechter(s): Mr. Schoonbrood-Wessels</contributor><issued>2010-10-14</issued><reference relation="citing" lang="nl">Burgerlijk Wetboek Boek 2</reference><reference relation="citing" lang="nl">Burgerlijk Wetboek Boek 2 14</reference><reference relation="citing" lang="nl">Burgerlijk Wetboek Boek 2 216</reference><reference relation="citing" lang="nl">Burgerlijk Wetboek Boek 2 248</reference><reference relation="citing" lang="nl">Burgerlijk Wetboek Boek 2 249</reference><reference relation="citing" lang="nl">Burgerlijk Wetboek Boek 2 256</reference><reference relation="citing" lang="nl">Burgerlijk Wetboek Boek 3</reference><reference relation="citing" lang="nl">Burgerlijk Wetboek Boek 3 42</reference></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RBDOR:2012:BV6246</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDOR:2012:BV6246</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RBDOR:2012:BV6246"><country>NL</country><court>RBDOR</court></isVersionOf><creator lang="nl">Rechtbank Dordrecht</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2012-02-07</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Familierecht</subject><abstract lang="nl">Afwijzing voorlopige ondertoezichtstelling in verband met levensvatbaarheidsgrens van ongeboren vrucht.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 96657 - JE RK 12-89</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Voorlopige voorziening</description><contributor lang="nl">Rechter(s): Mr. Eerdhuijzen</contributor><issued>2012-02-20</issued><reference relation="citing" lang="nl">Burgerlijk Wetboek Boek 1</reference><reference relation="citing" lang="nl">Burgerlijk Wetboek Boek 1 2</reference><reference relation="citing" lang="nl">Burgerlijk Wetboek Boek 1 255</reference></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:HR:2009:BJ9069</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2009:BJ9069</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:HR:2009:BJ9069"><country>NL</country><court>HR</court></isVersionOf><creator lang="nl">Hoge Raad</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2009-12-11</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Burgerlijk recht</subject><abstract lang="nl">Arbeidsrecht. Ontbinding arbeidsovereenkomst op grond van art. 7:685 BW na opzegging is mogelijk, maar die ontbinding zal slechts effect (kunnen) hebben voor de nog resterende looptijd van de arbeidsovereenkomst, dus tot datum waartegen is opgezegd; consequenties daarvan voor toewijsbaarheid verzoek ontbinding en ontbindingsvergoeding ex art. 7:685 lid 8 BW. Misbruik van bevoegdheid door tweede opzegging die uitsluitend ten doel had om door werknemer aangevangen ontbindingsprocedure te blokkeren.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 09/02318</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Cassatie</description><contributor lang="nl">Rechter(s): mr. J.B. Fleers mr. O. de Savornin Lohman mr. A. Hammerstein mr. C.A. Streefkerk mr. W.D.H. Asser</contributor><issued>2009-12-11</issued><reference type="ECLI" relation="precededBy" lang="nl">ECLI:NL:PHR:2009:BJ9069</reference><reference type="ECLI" relation="precededBy" lang="nl">ECLI:NL:GHAMS:2009:BJ2220</reference></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:PHR:2009:BJ9069</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2009:BJ9069</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:PHR:2009:BJ9069"><country>NL</country><court>PHR</court></isVersionOf><creator lang="nl">Parket bij de Hoge Raad</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2009-12-11</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Conclusie</type><subject lang="nl">Burgerlijk recht</subject><abstract lang="nl">Arbeidsrecht. Ontbinding arbeidsovereenkomst op grond van art. 7:685 BW na opzegging is mogelijk, maar die ontbinding zal slechts effect (kunnen) hebben voor de nog resterende looptijd van de arbeidsovereenkomst, dus tot datum waartegen is opgezegd; consequenties daarvan voor toewijsbaarheid verzoek ontbinding en ontbindingsvergoeding ex art. 7:685 lid 8 BW. Misbruik van bevoegdheid door tweede opzegging die uitsluitend ten doel had om door werknemer aangevangen ontbindingsprocedure te blokkeren.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 09/02318</description><issued>2009-12-11</issued><reference type="ECLI" relation="precededBy" lang="nl">ECLI:NL:GHAMS:2009:BJ2220</reference><reference type="ECLI" relation="followedBy" lang="nl">ECLI:NL:HR:2009:BJ9069</reference></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RBDOR:2001:AD6839</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDOR:2001:AD6839</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RBDOR:2001:AD6839"><country>NL</country><court>RBDOR</court></isVersionOf><creator lang="nl">Rechtbank Dordrecht</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2001-12-05</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Burgerlijk recht</subject><abstract lang="nl">-</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 30040</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Eerste aanleg - enkelvoudig</description><contributor lang="nl">Rechter(s): Halk</contributor><issued>2001-12-11</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RBDHA:2019:1817</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2019:1817</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RBDHA:2019:1817"><country>NL</country><court>RBDHA</court></isVersionOf><creator lang="nl">Rechtbank Den Haag</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2019-01-03</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Burgerlijk recht</subject><abstract lang="nl">Consumentenrecht; koop op afstand; toepassing van de artikelen 6:230o en 6:230p BW; recreatieve ballonvaart.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 7171316 CV18-3662</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Bodemzaak</description><contributor lang="nl">Rechter(s): M. Nijenhuis</contributor><issued>2019-02-28</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RBMNE:2026:6640</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:6640</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RBMNE:2026:6640"><country>NL</country><court>RBMNE</court></isVersionOf><creator lang="nl">Rechtbank Midden-Nederland</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-09-18</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Burgerlijk recht</subject><abstract lang="nl">Verzoek werkneemster tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst op grond van artikel 7:671c BW afgewezen. Omstandigheden die verzoekster benoemt leiden niet tot het laten einndigen van de arbeidsovereenkomst</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 12256161 \ ME VERZ 26-72</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Beschikking</description><contributor lang="nl">Rechter(s): K.G.F. van der Kraats</contributor><issued>2026-09-30</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:CRVB:2006:AY8221</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2006:AY8221</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:CRVB:2006:AY8221"><country>NL</country><court>CRVB</court></isVersionOf><creator lang="nl">Centrale Raad van Beroep</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2006-09-08</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Bestuursrecht</subject><subject lang="nl">Sociale-zekerheidsrecht</subject><abstract lang="nl">Artikelen Europese code verzetten zich tegen oplegging eigen bijdrage AWBZ aan verzekerde die ten gevolge van arbeidsongeval of beroepsziekte medische zorg behoeft.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 02-6144 AWBZ</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Hoger beroep</description><contributor lang="nl">Rechter(s): De Vries, Simon, Van Vulpen-Grootjans</contributor><issued>2006-09-15</issued><reference relation="citing" lang="nl">Bijdragebesluit zorg 2</reference><reference relation="citing" lang="nl">Europese Code inzake sociale zekerheid, Straatsburg, 16-04-1964 Deel VI</reference><reference relation="citing" lang="nl">Europese Code inzake sociale zekerheid, Straatsburg, 16-04-1964 32</reference><reference relation="citing" lang="nl">Europese Code inzake sociale zekerheid, Straatsburg, 16-04-1964 34</reference><reference relation="citing" lang="nl">Europese Code inzake sociale zekerheid, Straatsburg, 16-04-1964 38</reference></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:CRVB:2007:BB8069</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2007:BB8069</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:CRVB:2007:BB8069"><country>NL</country><court>CRVB</court></isVersionOf><creator lang="nl">Centrale Raad van Beroep</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2007-11-09</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Bestuursrecht</subject><subject lang="nl">Sociale-zekerheidsrecht</subject><abstract lang="nl">Betaling van de hoofdsom. Besluit.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 06-6555 WSF</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Hoger beroep</description><contributor lang="nl">Rechter(s): J. Janssen, I.M.J. Hilhorst-Hagen, J.P.M. Zeijen</contributor><issued>2007-11-19</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:CRVB:2007:BB9698</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2007:BB9698</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:CRVB:2007:BB9698"><country>NL</country><court>CRVB</court></isVersionOf><creator lang="nl">Centrale Raad van Beroep</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2007-12-05</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Bestuursrecht</subject><subject lang="nl">Sociale-zekerheidsrecht</subject><abstract lang="nl">Fictieve opzegtermijn. Vaststelling eerste werkloosheidsdag. Niet-vragen van een ontbindingsvergoeding: benadelingshandeling?</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 07-464 WW</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Hoger beroep</description><contributor lang="nl">Rechter(s): M.A. Hoogeveen, C.P.J. Goorden, B.M. van Dun</contributor><issued>2007-12-10</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:CRVB:2019:1306</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2019:1306</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:CRVB:2019:1306"><country>NL</country><court>CRVB</court></isVersionOf><creator lang="nl">Centrale Raad van Beroep</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2019-04-05</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Sociale-zekerheidsrecht</subject><abstract lang="nl">Aangevallen uitspraak 1, procesbelang. Het belang bij een beoordeling van het bestreden besluit 1 is gelegen in de vraag of het Uwv op goede gronden tot verrekening is overgegaan. De rechtbank heeft dat miskend en om die reden wordt de aangevallen uitspraak 1 vernietigd. Voor zover appellant zich op het standpunt heeft gesteld dat het Uwv al bij besluit van 7 juni 2001 rekening had moeten houden met zijn arbeidsverleden in Ierland, kan dat niet slagen. De Raad overweegt dat de berekening van deze uitkering zoals uiteengezet in het bestreden besluit 2 heeft plaatsgevonden met volledige inachtneming van de artikelen 52 tot en met 54 van Vo 883/2004. Het Uwv was, gelet op regelgeving, gehouden de Ierse uitkering in mindering te brengen op de WAO-uitkering. De stelling van appellant dat hij door zijn verplaatsing naar Nederland in een nadeliger positie is beland, kan niet leiden tot een ander oordeel. De hoogte van het nabetalingbedrag van het Ierse invaliditeitspensioen is lager dan het bedrag dat appellant aan het Uwv dient terug te betalen. Het Uwv is in een dergelijke situatie bevoegd om het gehele nabetalingsbedrag te verrekenen met het terugvorderingsbedrag. Dit betekent dat het beroep tegen het bestreden besluit 1 ongegrond dient te worden verklaard. Uwv veroordeeld in proceskosten.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 16/5502 WAO</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Hoger beroep</description><issued>2019-04-16</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:CRVB:2019:348</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2019:348</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:CRVB:2019:348"><country>NL</country><court>CRVB</court></isVersionOf><creator lang="nl">Centrale Raad van Beroep</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2019-01-24</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Sociale-zekerheidsrecht</subject><abstract lang="nl">Mate van arbeidsongeschiktheid juist vastgesteld. De rechtbank heeft het beginsel van hoor en wederhoor, het beginsel van goede procesorde en artikel 6 van het EVRM niet geschonden. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat het Uwv het medisch onderzoek in Nederland heeft kunnen laten plaatsvinden. In de uitspraak van 15 december 1999 (ECLI:NL:CRVB:1999:AA4556) heeft de Raad, onder verwijzing naar de beantwoording van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen van prejudiciële vragen van de Raad, overwogen dat artikel 40 van Vo. 574/72 zich er niet tegen verzet dat bij een eerste vaststelling van een invaliditeitsuitkering aan een persoon die woont op het grondgebied van een andere lidstaat dan die van het bevoegde orgaan, het bevoegde orgaan op basis van eigen medisch onderzoek de mate van invaliditeit bepaalt, zonder eerst een onderzoek door het orgaan van de woonplaats te hebben gevraagd. Beperkingen van appellante zijn door het Uwv niet onderschat. Schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 16/7247 WIA</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Hoger beroep</description><issued>2019-02-07</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:CRVB:2005:AT4965</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2005:AT4965</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:CRVB:2005:AT4965"><country>NL</country><court>CRVB</court></isVersionOf><creator lang="nl">Centrale Raad van Beroep</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2005-04-21</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Sociale-zekerheidsrecht</subject><abstract lang="nl">Verzoek om herziening. Restitutie van de betaalde premies ter zake van de voor appellanten werkzame automatiseringsdeskundigen.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 03/6604 CSV, 03/6608 CSV, 03/6610 CSV, 03/6606 CSV en 03/6607 CSV</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Hoger beroep</description><contributor lang="nl">Rechter(s): mr. B.J. van der Net, mr. M.C.M. van Laar, mr. drs. C.M. van Wechem</contributor><issued>2005-05-02</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:CRVB:2004:AR4049</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2004:AR4049</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:CRVB:2004:AR4049"><country>NL</country><court>CRVB</court></isVersionOf><creator lang="nl">Centrale Raad van Beroep</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2004-09-30</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Sociale-zekerheidsrecht</subject><abstract lang="nl">Vergoeding ziektekosten. Neutralisatiemethode.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 02/3634 ZFW</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Hoger beroep</description><contributor lang="nl">Rechter(s): Mr. ’t Hooft, Mr. Berkel-Kikkert, Mr. Van Male</contributor><issued>2004-10-18</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:CRVB:2004:AR6952</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2004:AR6952</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:CRVB:2004:AR6952"><country>NL</country><court>CRVB</court></isVersionOf><creator lang="nl">Centrale Raad van Beroep</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2004-12-01</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Sociale-zekerheidsrecht</subject><abstract lang="nl">Betrokkene, die lijdt aan ‘Morbus Bechterew’, heeft verzocht om de kosten van een behandeling in Oostenrijk te vergoeden. Is hier terecht afwijzend op beslist?</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 03/171 ZFW</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Hoger beroep</description><contributor lang="nl">Rechter(s): Mrs. 't Hooft, Van Male, Berkel-Kikkert</contributor><issued>2004-12-06</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:CRVB:2004:AR7494</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2004:AR7494</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:CRVB:2004:AR7494"><country>NL</country><court>CRVB</court></isVersionOf><creator lang="nl">Centrale Raad van Beroep</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2004-12-08</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Sociale-zekerheidsrecht</subject><abstract lang="nl">In geschil is of de weigering om toestemming te verlenen voor het aanbrengen van nieuwe borstprotheses in rechte stand kan houden.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 02/1997 ZFW</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Hoger beroep</description><contributor lang="nl">Rechter(s): Mrs. 't Hooft, Berkel-Kikkert, De Bock</contributor><issued>2004-12-14</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:CRVB:2004:AR8901</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2004:AR8901</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:CRVB:2004:AR8901"><country>NL</country><court>CRVB</court></isVersionOf><creator lang="nl">Centrale Raad van Beroep</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2004-12-08</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Sociale-zekerheidsrecht</subject><abstract lang="nl">Betrokkene heeft een niertransplantatie ondergaan. Ter voorkoming van afstotingsverschijnselen is het geneesmiddel Cyclosporine Sandimmune (hierna: Sandimmune) voorgeschreven. Worden de kosten van dit geneesmiddel terecht niet vergoed?</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 01/3588 ZFW</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Hoger beroep</description><contributor lang="nl">Rechter(s): Mr. ’t Hooft, Mr. Van Male, Mr. De Bock</contributor><issued>2005-01-10</issued><reference relation="citing" lang="nl">Ziekenfondswet</reference><reference relation="citing" lang="nl">Ziekenfondswet 8</reference><reference relation="citing" lang="nl">Verstrekkingenbesluit ziekenfondsverzekering</reference><reference relation="citing" lang="nl">Verstrekkingenbesluit ziekenfondsverzekering 2</reference><reference relation="citing" lang="nl">Verstrekkingenbesluit ziekenfondsverzekering 8</reference><reference relation="citing" lang="nl">Verstrekkingenbesluit ziekenfondsverzekering 9</reference></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:CRVB:2004:AS3350</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2004:AS3350</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:CRVB:2004:AS3350"><country>NL</country><court>CRVB</court></isVersionOf><creator lang="nl">Centrale Raad van Beroep</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2004-12-29</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Sociale-zekerheidsrecht</subject><abstract lang="nl">Heeft gedaagde zich terecht op het standpunt gesteld dat het aanbrengen van een discusprothese niet kan worden aangemerkt als een behandeling die behoort tot geneeskundige hulp die in de kring van de beroepsgenoten gebruikelijk is?</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 02/6146 ZFW</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Hoger beroep</description><contributor lang="nl">Rechter(s): Mrs. 't Hooft, Van Male, Berkel-Kikkert</contributor><issued>2005-01-20</issued><reference type="ECLI" relation="precededBy" lang="nl">ECLI:NL:RBZWO:2002:AF1092</reference></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:CRVB:2004:AS2728</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2004:AS2728</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:CRVB:2004:AS2728"><country>NL</country><court>CRVB</court></isVersionOf><creator lang="nl">Centrale Raad van Beroep</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2004-12-31</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Bestuursrecht</subject><subject lang="nl">Sociale-zekerheidsrecht</subject><abstract lang="nl">Opgave 'inkomsten uit arbeid'. Herziening en terugvordering Anw-uitkering in verband met 'inkomsten in verband met arbeid'.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 03/1145 ANW</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Hoger beroep</description><contributor lang="nl">Rechter(s): van Leeuwen, van der Kade, Simon</contributor><issued>2005-01-17</issued><reference relation="citing" lang="nl">Algemene nabestaandenwet 34</reference><reference relation="citing" lang="nl">Inkomens- en samenloopbesluit Anw 4</reference></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:CRVB:2005:AS7467</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2005:AS7467</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:CRVB:2005:AS7467"><country>NL</country><court>CRVB</court></isVersionOf><creator lang="nl">Centrale Raad van Beroep</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2005-02-10</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Sociale-zekerheidsrecht</subject><abstract lang="nl">Loongrensloon in verband met verzekeringsplicht op grond van ZFW. Ontvankelijk hoger beroep vanwege bindend materieel oordeel rechtbank, ondanks dat UWV zich heeft geconformeerd aan uitspraak rechtbank.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 03/3794 ALGEM</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Hoger beroep</description><contributor lang="nl">Rechter(s): Mr. Van der Wiel, Mr. Schoemaker, Mr. Van Wechem</contributor><issued>2005-02-24</issued><reference relation="citing" lang="nl">Ziekenfondswet</reference><reference relation="citing" lang="nl">Ziekenfondswet 3</reference><reference relation="citing" lang="nl">Burgerlijk Wetboek Boek 7</reference><reference relation="citing" lang="nl">Burgerlijk Wetboek Boek 7 610b</reference></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:CRVB:2005:AT5209</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2005:AT5209</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:CRVB:2005:AT5209"><country>NL</country><court>CRVB</court></isVersionOf><creator lang="nl">Centrale Raad van Beroep</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2005-04-13</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Sociale-zekerheidsrecht</subject><abstract lang="nl">Aanvraag WW-uitkering. Fictieve opzegtermijn.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 03/3658 WW</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Hoger beroep</description><contributor lang="nl">Rechter(s): Mr. Hoogenboom, Mr. Rottier, Mr. Van Dun</contributor><issued>2005-05-09</issued><reference relation="citing" lang="nl">Werkloosheidswet</reference><reference relation="citing" lang="nl">Werkloosheidswet 16</reference><reference relation="citing" lang="nl">Burgerlijk Wetboek Boek 7</reference><reference relation="citing" lang="nl">Burgerlijk Wetboek Boek 7 672</reference><reference relation="citing" lang="nl">Burgerlijk Wetboek Boek 7 676</reference></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:CRVB:2005:AT5201</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2005:AT5201</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:CRVB:2005:AT5201"><country>NL</country><court>CRVB</court></isVersionOf><creator lang="nl">Centrale Raad van Beroep</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2005-04-27</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Sociale-zekerheidsrecht</subject><abstract lang="nl">Overname achterstallige betalingsverplichtingen van failliet verklaarde werkgever ten onrechte gemaximeerd op zes weken.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 02/5368 WW</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Hoger beroep</description><contributor lang="nl">Rechter(s): mrs. M.A. Hoogeveen, H.G. Rottier, J. Riphagen</contributor><issued>2005-05-09</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:CRVB:2005:AT7377</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2005:AT7377</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:CRVB:2005:AT7377"><country>NL</country><court>CRVB</court></isVersionOf><creator lang="nl">Centrale Raad van Beroep</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2005-05-18</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Sociale-zekerheidsrecht</subject><abstract lang="nl">Weigering WW-uitkering. Is er sprake van een rechtsgeldig onslag? Benadelingshandeling. Heeft betrokkene loonaanspraken prijsgegeven?</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 02/5295 WW</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Hoger beroep</description><contributor lang="nl">Rechter(s): Mr. Hoogeveen, Mr. Goorden, Mr. Riphagen</contributor><issued>2005-06-16</issued><reference relation="citing" lang="nl">Werkloosheidswet</reference><reference relation="citing" lang="nl">Werkloosheidswet 16</reference><reference relation="citing" lang="nl">Werkloosheidswet 24</reference><reference relation="citing" lang="nl">Burgerlijk Wetboek Boek 7</reference><reference relation="citing" lang="nl">Burgerlijk Wetboek Boek 7 629</reference></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:CRVB:2005:AU0492</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2005:AU0492</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:CRVB:2005:AU0492"><country>NL</country><court>CRVB</court></isVersionOf><creator lang="nl">Centrale Raad van Beroep</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2005-07-13</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Sociale-zekerheidsrecht</subject><abstract lang="nl">Weigering WW-uitkering. Vaststelling fictieve opzegtermijn: op welke datum zou de dienstbetrekking bij opzegging door de werkgever met inachtneming van de rechtens geldende termijn zijn geëindigd.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 03/4511 WW</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Hoger beroep</description><contributor lang="nl">Rechter(s): mr. T. Hoogenboom, mr. H. Bolt, mr. J. Riphagen</contributor><issued>2005-08-04</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:OGHNAA:2009:BI7030</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:OGHNAA:2009:BI7030</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:OGHNAA:2009:BI7030"><country>NL</country><court>OGHNAA</court></isVersionOf><creator lang="nl">Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2009-06-02</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Familierecht</subject><abstract lang="nl">Na echtscheiding is er een kwijtingsverklaring opgesteld. Ex-echtgenote vordert daarna toch nog haar recht op deel van het ouderdomspensioen. Hof oordeelt dat uit de verklaring voldoende duidelijk is dat er afstand is gedaan van het recht nog enige vordering te doen ter zake van de huwelijksgoederengemeenschap. Een vordering tot verrekening van pensioenrechten is zo een vordering. Vordering wordt afgewezen.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: AR 292/07 - H 545/08</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Hoger beroep</description><contributor lang="nl">Rechter(s): Mrs. J. de Boer, G.C.C. Lewin, H.L. Wattel</contributor><issued>2009-06-09</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:CRVB:2012:BX7479</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2012:BX7479</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:CRVB:2012:BX7479"><country>NL</country><court>CRVB</court></isVersionOf><creator lang="nl">Centrale Raad van Beroep</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2012-09-07</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Bestuursrecht</subject><subject lang="nl">Sociale-zekerheidsrecht</subject><abstract lang="nl">Afwijzing aanvraag tweede nabestaandenuitkering. Appellante heeft een uitkering op grond van artikel 66a van de ANW en heeft daarnaast verzocht om toekenning van een “gewone of wettelijke” ANW-uitkering. Door deel te nemen aan de bijdrageregeling ex artikel 66a van de ANW heeft appellante bewerkstelligd dat zij, bij het overlijden van haar man, voldeed aan de voorwaarde voor een ANW-uitkering neergelegd in artikel 14, eerste lid, onder c, van de ANW. Van een vrijwillige, particuliere verzekering, die recht geeft op een daarvan te onderscheiden nabestaandenuitkering, is geen sprake.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 11-2946 ANW</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Hoger beroep</description><contributor lang="nl">Rechter(s): mr. M.M. van der Kade, H.J. Simon en E.E.V. Lenos</contributor><issued>2012-09-17</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:PHR:2012:BR4559</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2012:BR4559</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:PHR:2012:BR4559"><country>NL</country><court>PHR</court></isVersionOf><creator lang="nl">Parket bij de Hoge Raad</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2012-03-23</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Conclusie</type><subject lang="nl">Belastingrecht</subject><abstract lang="nl">Artikel 1.7, lid 1, aanhef en letter a, en art. 3.81 van de Wet IB 2001. Particuliere Anw vangnetverzekering. Geen negatief loon. Geen aftrek als premie lijfrente in verband met ontbreken vervreemdingsverbod respectievelijk verbod om tot zekerheid te dienen.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 10/03582</description><issued>2012-03-23</issued><reference type="ECLI" relation="precededBy" lang="nl">ECLI:NL:GHAMS:2010:BN0328</reference><reference type="ECLI" relation="followedBy" lang="nl">ECLI:NL:HR:2012:BR4559</reference></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:HR:2012:BR4559</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2012:BR4559</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:HR:2012:BR4559"><country>NL</country><court>HR</court></isVersionOf><creator lang="nl">Hoge Raad</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2012-03-23</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Belastingrecht</subject><abstract lang="nl">Artikel 1.7, lid 1, aanhef en letter a, en art. 3.81 van de Wet IB 2001. Particuliere Anw vangnetverzekering. Geen negatief loon. Geen aftrek als premie lijfrente in verband met ontbreken vervreemdingsverbod respectievelijk verbod om tot zekerheid te dienen.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 10/03582</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Cassatie</description><contributor lang="nl">Rechter(s): Van den Berge, Schaap, Heisterkamp, Feteris, Koopman</contributor><issued>2012-03-23</issued><reference type="ECLI" relation="precededBy" lang="nl">ECLI:NL:PHR:2012:BR4559</reference><reference type="ECLI" relation="precededBy" lang="nl">ECLI:NL:GHAMS:2010:BN0328</reference></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:CRVB:1994:ZB2991</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:1994:ZB2991</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:CRVB:1994:ZB2991"><country>NL</country><court>CRVB</court></isVersionOf><creator lang="nl">Centrale Raad van Beroep</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>1994-06-14</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Bestuursrecht</subject><subject lang="nl">Sociale-zekerheidsrecht</subject><abstract lang="nl">Maatman, geschiktheid voor maatmanfunctie, onmogelijkheid in eigen functie te hervatten, geschiktheid voor eigen functie bij andere werkgever.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: WAO 93/184</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Hoger beroep</description><contributor lang="nl">Rechter(s): van den Hurk, van der Kade, Schuttel</contributor><issued>2006-12-18</issued><reference relation="citing" lang="nl">Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering 18</reference></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:GHAMS:2008:BF3721</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2008:BF3721</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:GHAMS:2008:BF3721"><country>NL</country><court>GHAMS</court></isVersionOf><creator lang="nl">Gerechtshof Amsterdam</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2008-09-30</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Burgerlijk recht</subject><abstract lang="nl">Vriendendienst of overeenkomst? X heeft begin 2000 aan zijn vriend Y ƒ 1.000.000,- overgemaakt, op grond van een afspraak tussen beiden dat Y voor dat bedrag aandelen zou kopen in N.V. Ebcon Holding - waarvan Y al (minderheids)aandeelhouder was - en die aandelen vervolgens voor X zou houden. Y heeft het bedrag doorgestort naar Ebcon en vervolgens aan X geschreven dat hij de aandelen voor hem zou vasthouden. In werkelijkheid zijn er echter geen aandelen uitgegeven, en Ebcon is in juli 2001 failliet gegaan. Moet Y het door X betaalde bedrag terugbetalen? Het hof: ja, want er was een - rechtens bindende - overeenkomst tussen X en Y, in de nakoming waarvan Y is tekortgeschoten. Dus was X bevoegd die overeenkomst te ontbinden en heeft hij recht op terugbetaling van ƒ 1.000.000,-. Dat Y voor zijn bemoeienis geen vergoeding van X heeft bedongen en heeft bedoeld (slechts) een "vriendendienst" te verrichten, pleit hem niet vrij: hij had - op grond van de gemaakte afspraak - zich de belangen van X moeten aantrekken en dit heeft Y niet voldoende gedaan.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 106.005.396</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Hoger beroep</description><contributor lang="nl">Rechter(s): Mr. Cortenraad, Mr. Römer, Mr. Van Achterberg</contributor><issued>2008-09-30</issued><reference relation="citing" lang="nl">Burgerlijk Wetboek Boek 6</reference><reference relation="citing" lang="nl">Burgerlijk Wetboek Boek 6 74</reference><reference relation="citing" lang="nl">Burgerlijk Wetboek Boek 6 261</reference><reference relation="citing" lang="nl">Burgerlijk Wetboek Boek 6 265</reference></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:GHARL:2017:9984</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2017:9984</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:GHARL:2017:9984"><country>NL</country><court>GHARL</court></isVersionOf><creator lang="nl">Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2017-11-14</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Burgerlijk recht</subject><abstract lang="nl">Consumentenrecht: vordering tot betaling van haarstukjes; geen herroepingsrecht, onvoldoende onderbouwd beroep op wilsontbreken en misbruik van omstandigheden.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 200.188.242/01</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Hoger beroep</description><issued>2017-11-16</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RBAMS:2013:5253</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2013:5253</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RBAMS:2013:5253"><country>NL</country><court>RBAMS</court></isVersionOf><creator lang="nl">Rechtbank Amsterdam</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2013-07-18</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Burgerlijk recht</subject><abstract lang="nl">Wbp, Gedragscode Verwerking Persoonsgegevens Financiële Instellingen. Toetsingkader voor gegevens die in intern verwijzingsregister (IVR) van de bank zijn opgenomen. IVR valt niet onder nieuw Protocol uit 2011.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: C/13/528468 / HA RK 12-388</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Eerste aanleg - enkelvoudig, Rekestprocedure, Op tegenspraak</description><contributor lang="nl">Rechter(s): mr. L. Biller</contributor><issued>2013-08-21</issued><reference relation="citing" lang="nl">Wet bescherming persoonsgegevens</reference><reference relation="citing" lang="nl">Wet bescherming persoonsgegevens 36</reference></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:GHARN:2009:BH4737</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARN:2009:BH4737</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:GHARN:2009:BH4737"><country>NL</country><court>GHARN</court></isVersionOf><creator lang="nl">Gerechtshof Arnhem</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2009-02-17</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Burgerlijk recht</subject><abstract lang="nl">Tegen de verrekening van het hiervoor genoemde bedrag heeft [geïntimeerde] slechts aangevoerd dat het beroep van Hediemee op een onregelmatige opzegging te laat is gedaan, gelet op de in artikel 7:683 lid 1 BW genoemde verjaringstermijn. Dit verweer faalt. Een bevoegdheid tot verrekening eindigt immers niet door verjaring van de rechtsvordering (artikel 6:131 lid 1 BW).</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 200.004.010</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Hoger beroep</description><contributor lang="nl">Rechter(s): Mrs. I.A. Katz-Soeterboek, M.L. van der Bel, W. Duitemeijer</contributor><issued>2009-04-07</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:GHSHE:2026:1709</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2026:1709</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:GHSHE:2026:1709"><country>NL</country><court>GHSHE</court></isVersionOf><creator lang="nl">Gerechtshof 's-Hertogenbosch</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-07-01</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Belastingrecht</subject><abstract lang="nl">Belanghebbende betoogt dat de verkrijgingsprijs van de aandelen niet is doorgeschoven overeenkomstig artikel 4.17a Wet IB 2001 vanwege het ontbreken van een schriftelijk verzoek van alle gezamenlijke belanghebbenden. In de aangifte IB/PVV 2011 van erflaatster is geen (fictief) vervreemdingsvoordeel uit aanmerkelijk belang vermeld. Het hof oordeelt dat het verzoek tot doorschuiven door alle belanghebbenden gezamenlijk moet zijn gedaan. De aangifte IB/PVV 2011, ondertekend door belanghebbende voor zichzelf en als vertegenwoordiger van erflaatster en gevolmachtigde van de zus, geldt als een dergelijk schriftelijk verzoek. De vraag of sprake is van een materiële onderneming is niet langer relevant omdat de aanslag onherroepelijk is. Hoger beroep ongegrond.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 25/132</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Hoger beroep</description><contributor lang="nl">Rechter(s): A.J. Kromhout, H.J. Cosijn, E.P.A. Brakeboer</contributor><issued>2026-08-13</issued><reference relation="citing" lang="nl">Wet inkomstenbelasting 2001 4.17a</reference><reference type="ECLI" relation="precededBy" lang="nl">ECLI:NL:RBZWB:2025:16</reference></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:GHSHE:2026:1843</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2026:1843</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:GHSHE:2026:1843"><country>NL</country><court>GHSHE</court></isVersionOf><creator lang="nl">Gerechtshof 's-Hertogenbosch</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-07-15</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Belastingrecht</subject><abstract lang="nl">Belanghebbende, een stichting op het gebied van primair onderwijs, maakt met de door haar aangevoerde feiten en omstandigheden niet aannemelijk dat sprake is van financiële verwevenheid tussen haar en de andere stichtingen die diensten verlenen in de kinderopvang.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 24/1245</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Hoger beroep</description><contributor lang="nl">Rechter(s): A. van Dongen, W. de Wit, L.D.M.A. Reijs</contributor><issued>2026-08-27</issued><reference type="ECLI" relation="precededBy" lang="nl">ECLI:NL:RBZWB:2024:3986</reference></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RBZWB:2026:8667</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:8667</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RBZWB:2026:8667"><country>NL</country><court>RBZWB</court></isVersionOf><creator lang="nl">Rechtbank Zeeland-West-Brabant</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-09-07</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Belastingrecht</subject><abstract lang="nl">Artikel 8:54 van de Awb: de rechtbank verklaart de beroepen ongegrond. Het bezwaarschrift is ruim buiten de loontijdvakken ingediend, waardoor belanghebbende te laat is met het indienen van het bezwaarschrift. De rechtbank oordeelt dat de door belanghebbende genoemde reden geen verontschuldiging is voor het te laat indienen van het bezwaar.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: BRE 25/4735 en 26/4797</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Eerste aanleg - enkelvoudig</description><issued>2026-09-17</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:GHSHE:2026:1802</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2026:1802</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:GHSHE:2026:1802"><country>NL</country><court>GHSHE</court></isVersionOf><creator lang="nl">Gerechtshof 's-Hertogenbosch</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-07-08</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Belastingrecht</subject><abstract lang="nl">Artikel 14, lid 2 WBR. Overdrachtsbelasting 2%-tarief voor aanhorigheid. Boerenerf: alle percelen behoren bij de woning, zijn daarbij in gebruik en daaraan dienstbaar. Beoordeling op tijdstip verkrijging naar beoogd gebruik.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 25/1182</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Hoger beroep</description><contributor lang="nl">Rechter(s): F.J.P.M. Haas, M. Ferrier, J.P.R. van den Berg</contributor><issued>2026-08-20</issued><reference type="ECLI" relation="precededBy" lang="nl">ECLI:NL:RBZWB:2025:3476</reference></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:HR:2026:1503</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2026:1503</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:HR:2026:1503"><country>NL</country><court>HR</court></isVersionOf><creator lang="nl">Hoge Raad</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-09-18</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Belastingrecht</subject><abstract lang="nl">HR verklaart het beroep in cassatie n-o met toepassing van art. 80a RO.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 26/01618</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Cassatie, Artikel 80a RO-zaken</description><issued>2026-09-18</issued><reference type="ECLI" relation="precededBy" lang="nl">ECLI:NL:GHSHE:2026:1030</reference></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RBGEL:2026:6005</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2026:6005</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RBGEL:2026:6005"><country>NL</country><court>RBGEL</court></isVersionOf><creator lang="nl">Rechtbank Gelderland</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-07-22</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Belastingrecht</subject><abstract lang="nl">IB/PVV</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: ARN 24/8370 en 24/8370</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Eerste aanleg - enkelvoudig</description><contributor lang="nl">Rechter(s): W. Loof</contributor><issued>2026-08-07</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RBNHO:2026:6295</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2026:6295</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RBNHO:2026:6295"><country>NL</country><court>RBNHO</court></isVersionOf><creator lang="nl">Rechtbank Noord-Holland</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-05-26</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Belastingrecht</subject><abstract lang="nl">Vennootschapsbelasting. Ongegrond; aftrek kosten; managementvergoeding; prestatievergoeding; bewijslast; zorgvuldigheidsbeginsel; belastingrente; massaal bezwaar.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 25/4770</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Eerste aanleg - meervoudig</description><contributor lang="nl">Rechter(s): G.H. de Soeten, J.C. Brouwer, K.B. Woe</contributor><issued>2026-09-15</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:HR:2026:1502</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2026:1502</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:HR:2026:1502"><country>NL</country><court>HR</court></isVersionOf><creator lang="nl">Hoge Raad</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-09-18</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Belastingrecht</subject><abstract lang="nl">HR verklaart het beroep in cassatie n-o met toepassing van art. 80a RO.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 26/01463</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Cassatie, Artikel 80a RO-zaken</description><issued>2026-09-18</issued><reference type="ECLI" relation="precededBy" lang="nl">ECLI:NL:GHSHE:2026:597</reference></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RBGEL:2026:5889</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2026:5889</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RBGEL:2026:5889"><country>NL</country><court>RBGEL</court></isVersionOf><creator lang="nl">Rechtbank Gelderland</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-07-17</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Belastingrecht</subject><abstract lang="nl">IB/PVV 2022. Navordering van de eerder uitbetaalde heffingskortingen is terecht. Als gevolg van een ab-verlies dat is omgezet in een belastingkorting is de partner geen inkomensheffing verschuldigd. De belastingrechter is niet bevoegd om over de gevraagde betalingsregeling te oordelen. Beroep ongegrond. Wel IMSV.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: AWB 24/8187</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Eerste aanleg - enkelvoudig</description><contributor lang="nl">Rechter(s): M.F. Kossen</contributor><issued>2026-07-21</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RBGEL:2026:5958</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2026:5958</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RBGEL:2026:5958"><country>NL</country><court>RBGEL</court></isVersionOf><creator lang="nl">Rechtbank Gelderland</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-07-22</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Belastingrecht</subject><abstract lang="nl">Invorderingskosten zijn terecht door de ontvanger in rekening gebracht.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: ARN 25/1277 en 25/5835</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Eerste aanleg - enkelvoudig</description><contributor lang="nl">Rechter(s): J.A.L. Heldens</contributor><issued>2026-07-28</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:GHAMS:2026:2447</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2026:2447</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:GHAMS:2026:2447"><country>NL</country><court>GHAMS</court></isVersionOf><creator lang="nl">Gerechtshof Amsterdam</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-03-03</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Belastingrecht</subject><abstract lang="nl">WOZ 2021 14 woningen. Hoger beroep gegrond vanwege te lage kostenvergoeding in bezwaar en het ten onrechte niet-toekennen van imsv door rechtbank. Wrakingsverzoek voorafgaand aan zitting. Heropeningsverzoek na sluiting onderzoek.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 24/320 t/m 24/331</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Hoger beroep</description><issued>2026-09-04</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RBDHA:2026:21004</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:21004</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RBDHA:2026:21004"><country>NL</country><court>RBDHA</court></isVersionOf><creator lang="nl">Rechtbank Den Haag</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-07-21</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Belastingrecht</subject><abstract lang="nl">vennootschapsbelasting - Bij eiseres in rekening gebracht bedrag is terecht niet in aftrek toegelaten. Eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt, laat staan doen blijken, dat de op de factuur vermelde kosten daadwerkelijk zijn gemaakt, noch dat deze zakelijk zijn. Voor (verdere) vermindering van de aan eiser voor de jaren 2020 en 2021 opgelegde aanslagen Vpb bestaat geen aanleiding. Wel dient de in rekening gebrachte belastingrente te worden verminderd en ziet de rechtbank wegens de duur van de procedure aanleiding bij de aanslagen opgelegde verzuimboetes ambtshalve te matigen.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 24_2352 en 24_5382</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Eerste aanleg - meervoudig</description><contributor lang="nl">Rechter(s): S.E. Postema, A. van Welie, P.E. Halprin</contributor><issued>2026-08-28</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:GHARN:2006:AV6380</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARN:2006:AV6380</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:GHARN:2006:AV6380"><country>NL</country><court>GHARN</court></isVersionOf><creator lang="nl">Gerechtshof Arnhem</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2006-03-01</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Belastingrecht</subject><abstract lang="nl">Successierecht Nu erflaatster in 1993 is opgenomen in een verzorgingstehuis, kan niet worden gezegd dat de gemeenschappelijke huishouding tussen erflaatster, belanghebbende en diens echtgenote heeft voortgeduurd tot aan het overlijden van erflaatster in 2001. Tariefgroep I is daarom niet van toepassing.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 03-01949</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Eerste aanleg - meervoudig</description><contributor lang="nl">Rechter(s): mr. G.T.K. Meussen, mr. J.P.M. Kooijmans en mr. R. den Ouden</contributor><issued>2006-03-22</issued><reference relation="citing" lang="nl">Successiewet 1956 24</reference><reference type="ECLI" relation="followedBy" lang="nl">ECLI:NL:HR:2008:AZ6924</reference><reference type="ECLI" relation="followedBy" lang="nl">ECLI:NL:PHR:2008:AZ6924</reference></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RBGEL:2026:5866</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2026:5866</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RBGEL:2026:5866"><country>NL</country><court>RBGEL</court></isVersionOf><creator lang="nl">Rechtbank Gelderland</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-07-17</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Belastingrecht</subject><abstract lang="nl">Loonheffingen. Geen vermindering belastingrente als gevolg van latere start boekenonderzoek door coronamaatregelen. Belastingrente over de juiste periode berekend. Beroep ongegrond.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: ARN 25/433</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Eerste aanleg - enkelvoudig</description><contributor lang="nl">Rechter(s): J.A.L. Heldens</contributor><issued>2026-07-21</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RBNNE:2026:2526</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNNE:2026:2526</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RBNNE:2026:2526"><country>NL</country><court>RBNNE</court></isVersionOf><creator lang="nl">Rechtbank Noord-Nederland</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-06-30</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Belastingrecht</subject><abstract lang="nl">Aanslag BIZ-bijdrage. De onderneming van eiseres is medio 2024 gestaakt. De BIZ-is een tijdstipbelasting en omdat de onderneming van eiseres op 1 januari in het pand was gevestigd, is ze over het gehele belastingjaar 2024 een BIZ-bijdrage verschuldigd. Omdat de verordening geen bepaling kent om de BIZ-bijdrage tijdsevenredig te verlagen, kan de rechtbank de BIZ-bijdrage niet naar redelijkheid verlagen. Het beroep is ongegrond.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: LEE 24/4523</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Eerste aanleg - enkelvoudig</description><contributor lang="nl">Rechter(s): L.M. Praamstra</contributor><issued>2026-07-14</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:HR:2006:AU9517</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2006:AU9517</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:HR:2006:AU9517"><country>NL</country><court>HR</court></isVersionOf><creator lang="nl">Hoge Raad</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2006-01-13</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Belastingrecht</subject><abstract lang="nl">Verplichte ziekenfondsverzekering zelfstandigen; premieheffing in casu niet toegestaan.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 41129</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Cassatie</description><contributor lang="nl">Rechter(s): mr. P.J. van Amersfoort mr. A.R. Leemreis mr. C.J.J. van Maanen</contributor><issued>2006-01-13</issued><reference relation="citing" lang="nl">Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen 3</reference><reference relation="citing" lang="nl">Ziekenfondswet 3d</reference></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:GHARN:2000:AA7982</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARN:2000:AA7982</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:GHARN:2000:AA7982"><country>NL</country><court>GHARN</court></isVersionOf><creator lang="nl">Gerechtshof Arnhem</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2000-10-18</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Belastingrecht</subject><abstract lang="nl">-</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 99/00477</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Eerste aanleg - enkelvoudig</description><contributor lang="nl">Rechter(s): Kooijmans</contributor><issued>2001-07-04</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:HR:1997:AA3317</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:1997:AA3317</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:HR:1997:AA3317"><country>NL</country><court>HR</court></isVersionOf><creator lang="nl">Hoge Raad</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>1997-11-05</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Belastingrecht</subject><abstract lang="nl">-</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 32228</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Cassatie</description><contributor lang="nl">Rechter(s): mrs Stoffer, Urlings, Fleers, Pos, Beukenhorst</contributor><issued>2001-07-04</issued><reference relation="citing" lang="nl">Successiewet 1956 33</reference></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:HR:2001:AD3568</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2001:AD3568</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:HR:2001:AD3568"><country>NL</country><court>HR</court></isVersionOf><creator lang="nl">Hoge Raad</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2001-09-21</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Belastingrecht</subject><abstract lang="nl">-</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 36557</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Cassatie</description><contributor lang="nl">Rechter(s): Vliet, van; Lourens; Bavinck</contributor><issued>2001-09-21</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:GHAMS:2000:AA8668</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2000:AA8668</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:GHAMS:2000:AA8668"><country>NL</country><court>GHAMS</court></isVersionOf><creator lang="nl">Gerechtshof Amsterdam</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2000-10-30</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Belastingrecht</subject><abstract lang="nl">De inspecteur heeft het motorrijtuig, een Landrover, onder de vigeur van de huidige Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994 aanvankelijk aangemerkt als kampeerauto. Op grond van de overgangsregeling in het Besluit van 1 juni 1999, nummer VB 98/2647 (onderdeel 3, letter a) kon de inspecteur niet overgaan tot intrekking van de beschikking tot kwalificatie als kampeerauto.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: P99/03298</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Eerste aanleg - enkelvoudig</description><issued>2001-07-04</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:GHAMS:2001:AB2464</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2001:AB2464</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:GHAMS:2001:AB2464"><country>NL</country><court>GHAMS</court></isVersionOf><creator lang="nl">Gerechtshof Amsterdam</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2001-06-06</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Belastingrecht</subject><abstract lang="nl">Een redelijke verdeling van de bewijslast brengt met zich mee dat, nu het door belanghebbende genoten salaris significant hoger is dan de WAZ-norm, de inspecteur aannemelijk dient te maken dat in een situatie waarin een aanmerkelijk belang geen rol speelt, het gebruikelijke loon hoger is dan de in concreto aan belanghebbende in 1998 toegekende arbeidsbeloning. Het Hof acht de inspecteur niet in dit bewijs geslaagd. De inspecteur heeft zich daarnaast op het standpunt gesteld dat, nu er bij belanghebbende ten opzichte van het jaar 1997 een salarisverlaging heeft plaatsgevonden, belanghebbende aannemelijk dient te maken dat deze salarisverlaging op zakelijke gronden berust. Dit standpunt vindt geen steun in het recht. Het is de inspecteur die aannemelijk dient te maken dat bij het vaststellen van het salaris meer dan 30% is afgeweken van het gebruikelijke loon. Het Hof merkt in dit verband ten overvloede nog op dat uitgaande van een gebruikelijk loon van ƒ 296.900, als door de inspecteur gesteld, het feitelijk betaalde salaris minder dan 30% (te weten: 27%) afwijkt van het gebruikelijke loon.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 00/2714</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Cassatie</description><contributor lang="nl">Rechter(s): Boer, den; Faase; Meussen</contributor><issued>2001-07-06</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RBZWB:2026:8914</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:8914</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RBZWB:2026:8914"><country>NL</country><court>RBZWB</court></isVersionOf><creator lang="nl">Rechtbank Zeeland-West-Brabant</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-09-09</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Burgerlijk recht</subject><abstract lang="nl">Vonnis in kort geding. De huurder veroorzaakt structurele overlast, als gevolg waarvan hij de woning moet ontruimen. Kort voor de mondelinge behandeling is er een zorgmachtiging. Hoewel een ontruiming wellicht negatieve gevolgen heeft voor de te verlenen zorg, weegt dit belang niet op tegen het belang van de verhuurder.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 12321990 VV EXPL 26-46</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Kort geding</description><issued>2026-09-30</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:PHR:2024:467</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2024:467</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:PHR:2024:467"><country>NL</country><court>PHR</court></isVersionOf><creator lang="nl">Parket bij de Hoge Raad</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2024-04-26</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Conclusie</type><subject lang="nl">Belastingrecht</subject><abstract lang="nl">Sprongcassatie, verhuurderheffing, discriminatie van volle eigenaren doordat tijdelijk niet geheven kon worden van mede-eigenaren na HR BNB 2018/144? Schending gelijkheidsbeginsel door begunstigend beleid? (On)gelijke gevallen? Rechtvaardiging? Beroep op contra legem werking algemene rechtsbeginselen Feiten: De belanghebbende is een woningcorporatie. Zij heeft in 2019 op aangifte verhuurderheffing voldaan voor de huurwoningen die zij in eigendom heeft. De website van de Belastingdienst vermeldde in 2019 tot 24 december dat mede-eigenaren van huurwoningen voor 2019 geen aangifte hoefden te doen voor de verhuurderheffing, dit naar aanleiding van HR BNB 2018/144, waarin de Hoge Raad de willekeurige verhuurderheffing ten laste van mede-eigenaren onverenigbaar achtte met de discriminatie- en willekeurverboden. De belanghebbende meent dat daardoor op hun beurt in 2019 alle volle eigenaren werden gediscrimineerd, die immers wél aangifte moesten doen en betalen. Voor de Rechtbank was in geschil of de verhuurderheffing 2019 ook jegens de belanghebbende achterwege moet blijven op grond van het verdragsrechtelijke discriminatieverbod (art. 26 IVBPR en art. 14 EVRM jo. art. 1 Eerste Protocol EVRM en het Twaalfde Protocol EVRM) of het gelijkheidsbeginsel van behoorlijk bestuur. De Rechtbank heeft belanghebbendes beroep ongegrond verklaard. De belanghebbende is in 2019 inderdaad anders behandeld (belast) dan mede-eigenaren (niet belast), hoewel zij gelijk waren op basis van de ratio van de Wet maatregelen woningmarkt 2014 II (WMW), die ertoe diende om verhuurders van woningen in de gereguleerde sector te belasten. dat werd echter niet veroorzaakt door de WMW, maar door HR BNB 2018/144. De Rechtbank meende daarom alleen te kunnen beoordelen of de wetgever de door dat arrest ontstane ongelijkheid binnen een redelijke termijn heeft weggenomen. Dat heeft de wetgever volgens haar gedaan, zodat zij het discriminatieverbod niet geschonden achtte. De Rechtbank heeft in het midden gelaten of de mededeling op de website als beleid kan worden aangemerkt. Als dat al het geval zou zijn, berustte zij op een onjuiste rechtsopvatting die voldoende voortvarend door de wetgever is gecorrigeerd, waardoor ook het beroep op het gelijkheidsbeginsel als bestuursbeginsel strandt. Belanghebbende stelt in sprongcassatie drie middelen voor, waarin A-G Wattel vijf klachten leest. De Rechtbank heeft ten onrechte (i) geoordeeld dat de ongelijke behandeling niet rechtstreeks voortvloeit uit de WMW, maar uit HR BNB 2018/144, (ii) geoordeeld dat de wetgever niet onaanvaardbaar heeft getalmd met reparatie, (iii) zich niet uitgelaten over de aard van de mededeling op de website van de Belastingdienst en is ten onrechte voorbijgegaan aan belanghebbendes beroep op het evenredigheidsbeginsel, (iv) geoordeeld dat de mededeling op de website berust op een onjuiste rechtsopvatting over de verhuurderheffing, en (v) miskend dat de verhuurderheffing 2019 ten laste van de belanghebbende zozeer in strijd komt met algemene rechtsbeginselen dat zij achterwege moet blijven (contra legem werking van algemene rechtsbeginselen). A-G Wattel meent ad (i) dat mede-eigenaren zonder het arrest HR BNB 2018/144 net als volle eigenaren belast zouden zijn gebleven over de waarde van de volle eigendom, zij het volgens een bij die mede-eigenaren willekeurige en daarmee discriminatoire aanwijsregel van één mede-eigenaar zonder regresregeling. Dat de medewetgever Kamervragen over een mogelijk discriminatoir effect van art. 1.3 WMW op de heffing bij mede-eigenaren tijdens de parlementaire behandeling ten onrechte heeft weggewuifd, maakt dat niet anders. Het gaat bij die bepaling immers alleen om ongelijke behandeling van mede-eigenaren onderling, die evenredig naar waarde-aandeel in de heffing betrokken zouden hebben moeten worden. De onrechtmatige heffingsverdeling tussen mede-eigenaren had geen enkele invloed op de positie van volle eigenaren. Zij kunnen dan niet meeliften op onrechtmatigheid uitsluitend jegens bepaalde mede-eigenaren. De A-G Wattel meent dat klacht (i) doel mist. Hij meent dat de Rechtbank volle eigenaren en mede-eigenaren terecht vergelijkbaar heeft geacht, bezien vanuit de ratio van de verhuurderheffing. De stelling dat zij niet vergelijkbaar zijn omdat de buiten toepassing gelaten mede-eigendomsbepaling (art. 1.3 WMW) alleen gold voor mede-eigenaren, lijkt hem onjuist omdat art. 1.3 WMW na HR BNB 2018/144 evenmin nog gold voor mede-eigenaren, juist omdat die bepaling het discriminatieverbod schond. De vergelijkingsmaatstaf is uiteraard het doel van de verhuurderheffing. Ook in het arbeidskostenforfaitarrest HR BNB 1999/271 werd de vraag naar de vergelijkbaarheid van de gevallen uiteraard beoordeeld vanuit het doel van de inkomstenbelasting (het belasten van inkomen). Duidelijk is dan dat mede-eigenaren in 2019 gunstiger behandeld werden dan volle eigenaren. Dan is de vraag of daarvoor een objectieve en redelijke rechtvaardiging bestond. Uit de parlementaire geschiedenis van de reparatiewetgeving leidt A-G Wattel af dat de wetgever weliswaar andere opties heeft overwogen, maar dat de lange duur van de reparatie zijn oorzaak vond in de lage politieke en budgettaire prioriteit van het reparatiedossier: laten liggen kostte slechts een “beperkte” derving ad € 1 miljoen per jaar aan verhuurderheffing van mede-eigenaren. Het lijkt de A-G niet van elke redelijke grond ontbloot dat de wetgever zijn wetgevingsagenda prioriteert op basis van budgettair, politiek of maatschappelijk belang van het dossier. Dat de reparatie met haastwerk en terugwerkende kracht misschien ook een jaar eerder zou hebben kunnen ingaan, is geen grond om de gehele verhuurderheffing onrechtmatig te verklaren, die juist zozeer was bedoeld voor kleine verhuurders/mede-eigenaren, maar voor commerciële grote verhuurders/volle eigenaren. In 2019 zong wellicht ook al het voornemen rond om de verhuurderheffing af te schaffen. Het heeft weinig zin om een klein lek te dichten als de supertanker toch al naar de scrap yard vaart. De verhuurderheffing is per 1 januari 2023 afgeschaft. A-G Wattel meent daarom dat ook klacht (iii) strandt. Zelfs als wél een schending van het discriminatieverbod zou worden aangenomen, zou dat niet leiden tot vrijdom ook bij volle eigenaren. De ongelijke behandeling van volle en mede-eigenaren in 2019 berust niet op een inhoudelijke keuze van de wetgever, maar op het door de Hoge Raad buiten toepassing laten van art. 1.3 WMW, die tijdelijk een – inderdaad ongerechtvaardigd – privilege voor mede-eigenaren deed ontstaan. In zo’n geval moet rechtsherstel bestaan uit intrekking van dat privilege door de wetgever; niet uit maximale proliferatie van dat – immers ongerechtvaardigde - privilege door de rechter. Belanghebbendes betoog dat de mededeling op de website van de Belastingdienst als beleidsuiting getoetst had moeten worden aan het evenredigheidsbeginsel zoals bedoeld in de Harderwijk-uitspraak van de ABRvS (klacht (iii)) lijkt A-G Wattel niet ter zake. Die zaak betrof de (on)evenredigheid van een woningsluiting op basis van een discretionaire bevoegdheid van de burgemeester. In belanghebbendes zaak is geen sprake van enige discretionaire bevoegdheid of enig beleid van enig bestuursorgaan. De Executieve had geen keuze dan de uitspraak van de rechter volgen en kon niets anders dan de heffing achterwege laten bij mede-eigenaren totdat de Legislatieve zijn fout hersteld zou hebben. Bij belanghebbendes voldoening-op-aangifteplicht bestaat evenmin enige beleidsvrijheid of -ruimte voor de fiscus, die formeel-wettelijk verplicht is de verhuurderheffing bij eigenaren te heffen en te innen. Daarop stuit ook klacht (iv) af: de mededeling op de website is geen beleid of discretionair besluit. Overigens heeft de Rechtbank volgens de A-G terecht geoordeeld dat als het wel om beleid zou gaan, dat zou berusten op de rechtskundig onjuiste opvatting dat mede-eigenaren niet onderworpen zouden zijn, welke opvatting niet uitgebreid kan worden naar alle andere onderworpenen, tenzij de fiscus, na door de rechter op de onjuistheid ervan gewezen te zijn, dat onjuiste beleid voortzet (Bewindslieden-dienstauto-arrest). Daarvan is in casu geen sprake. De fiscus kon niets intrekken of wijzigen; dat kon alleen de wetgever. Ad klacht (v) meent A-G Wattel dat de belanghebbende geen beroep toekomst op de contra legem werking van algemene rechtsbeginselen bedoeld in het Harmonisatiewetarrest. Er kan geen twijfel over bestaan dat de wetgever wél voorzag en juist expliciet beoogde verhuurders zoals de belanghebbende te belasten. De wetgever voorzag weliswaar HR BNB 2018/144 niet en evenmin dat een ongerechtvaardigde tijdelijke privilegiëring van mede-eigenaren zou kunnen ontstaan, maar dat levert geen onvoorziene onaanvaardbare hardheid jegens volle eigenaren op. Conclusie: cassatieberoep ongegrond.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 23/03524</description><issued>2024-05-10</issued><reference type="ECLI" relation="followedBy" lang="nl">ECLI:NL:HR:2026:1066</reference></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:HR:2003:AO0653</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2003:AO0653</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:HR:2003:AO0653"><country>NL</country><court>HR</court></isVersionOf><creator lang="nl">Hoge Raad</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2003-12-19</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Belastingrecht</subject><abstract lang="nl">Nr. 38.932 19 december 2003 RvS gewezen op het beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Arnhem van 17 oktober 2002, nr. 01/00682, betreffende na te melden ten aanzien van X te Z gegeven beschikking als bedoeld in artikel 3d, lid 2, van de Ziekenfondswet (hierna: de Wet). 1. Beschikking, bezwaar en geding voor het Hof...</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 38932</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Cassatie</description><contributor lang="nl">Rechter(s): Van Amersfoort, Leemreis, Van Maanen</contributor><issued>2003-12-19</issued><reference relation="citing" lang="nl">Ziekenfondswet 3</reference><reference relation="citing" lang="nl">Ziekenfondswet 3d</reference></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:GHAMS:2004:AP0576</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2004:AP0576</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:GHAMS:2004:AP0576"><country>NL</country><court>GHAMS</court></isVersionOf><creator lang="nl">Gerechtshof Amsterdam</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2004-05-27</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Belastingrecht</subject><abstract lang="nl">Nalatenschap in Nederland belast ter zake van recht van successie, nu erflater ten tijde van overlijden woonplaats had binnen het Rijk. Artikel 24, lid 2 aanhef en sub a, Successiewet 1956, niet van toepassing.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 02/03833</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Eerste aanleg - meervoudig</description><contributor lang="nl">Rechter(s): mr. O.B. Onnes mr. R.A. Steenbergen mr. van Vijfeijken</contributor><issued>2004-06-09</issued><reference relation="citing" lang="nl">Algemene wet inzake rijksbelastingen 4</reference><reference relation="citing" lang="nl">Successiewet 1956 1</reference><reference relation="citing" lang="nl">Successiewet 1956 2</reference><reference relation="citing" lang="nl">Successiewet 1956 24</reference></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:HR:2004:AO3169</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2004:AO3169</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:HR:2004:AO3169"><country>NL</country><court>HR</court></isVersionOf><creator lang="nl">Hoge Raad</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2004-02-06</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Belastingrecht</subject><abstract lang="nl">Nr. 39.738 6 februari 2004 RvS gewezen op het beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Arnhem van 15 mei 2003, nr. 01/03292, betreffende na te melden ten aanzien van X te Z gegeven beschikking als bedoeld in artikel 3d, lid 2, van de Ziekenfondswet (hierna: de Wet). 1. Beschikking, bezwaar en geding voor het Hof...</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 39738</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Cassatie</description><contributor lang="nl">Rechter(s): mr. P.J. van Amersfoort mr. C.J.J. van Maanen mr. A.R. Leemreis</contributor><issued>2004-02-06</issued><reference relation="citing" lang="nl">Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen 3</reference><reference relation="citing" lang="nl">Ziekenfondswet 3</reference><reference relation="citing" lang="nl">Ziekenfondswet 3d</reference><reference relation="citing" lang="nl">Ziekenfondswet 15a</reference></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:GHSGR:2003:AN9842</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSGR:2003:AN9842</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:GHSGR:2003:AN9842"><country>NL</country><court>GHSGR</court></isVersionOf><creator lang="nl">Gerechtshof 's-Gravenhage</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2003-10-30</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Belastingrecht</subject><abstract lang="nl">Artikel 24, tweede lid, onderdeel a, gelezen in samenhang met artikel 32, eerste lid, aanhef en onderdeel e, van de Successiewet. 1956. Belanghebbende is niet geslaagd in het bewijs dat er sprake is geweest van het tot het tijdstip van het overlijden van de erflater gedurende een aaneengesloten periode van ten minste 5 jaren met de erflater voeren van een gemeenschappelijke huishouding.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: nummer BK-02/03758</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Eerste aanleg - meervoudig</description><contributor lang="nl">Rechter(s): mr. Biemond mr. Vonk mr. Van Leijenhorst</contributor><issued>2003-12-10</issued><reference relation="citing" lang="nl">Successiewet 1956 24</reference></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:HR:2004:AO3160</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2004:AO3160</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:HR:2004:AO3160"><country>NL</country><court>HR</court></isVersionOf><creator lang="nl">Hoge Raad</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2004-02-06</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Belastingrecht</subject><abstract lang="nl">Nr. 38.422 6 februari 2004 RvS gewezen op het beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Arnhem van 14 juni 2002, nr. 00/00921, betreffende na te melden ten aanzien van X te Z gegeven beschikking als bedoeld in artikel 3d, lid 2, van de Ziekenfondswet (tekst 2000; hierna: de Wet). 1. Beschikking, bezwaar en geding voor het Hof...</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 38422</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Cassatie</description><contributor lang="nl">Rechter(s): mr. P.J. van Amersfoort mr. C.J.J. van Maanen mr. A.R. Leemreis</contributor><issued>2004-02-06</issued><reference relation="citing" lang="nl">Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen 3</reference><reference relation="citing" lang="nl">Ziekenfondswet 3</reference><reference relation="citing" lang="nl">Ziekenfondswet 3d</reference><reference relation="citing" lang="nl">Ziekenfondswet 15a</reference></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:HR:2017:638</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2017:638</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:HR:2017:638"><country>NL</country><court>HR</court></isVersionOf><creator lang="nl">Hoge Raad</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2017-04-21</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Belastingrecht</subject><abstract lang="nl">Vennootschapsbelasting. Art. 16 , 67d en 67e AWR; art. 10a en 20a Wet Vpb 1969 (tekst 2005 tot en met 2008). Structuur waarbij winstvennootschappen zijn aangekocht en leningen zijn aangegaan met als doel de op die leningen verschuldigde rente ten laste te brengen van de ‘gekochte’ winst, zodat daarover geen vennootschapsbelasting zou worden geheven. Fraus legis. Bosal-gat. Compenserende heffing. Handelen in strijd met doel en strekking van de Wet Vpb rechtvaardigt beperking van de Unierechtelijke verdragsvrijheden. Nieuw feit. Kwade trouw. Geen verplichting om uit eigen beweging gegevens aan de Inspecteur te verstrekken. Geen vergrijpboete bij pleitbaar standpunt. Verhouding tot pleitbaar standpunt in het strafrecht.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 15/05278</description><description lang="nl">Zaaknummer: 15/05349</description><description lang="nl">Zaaknummer: 15/05350</description><description lang="nl">Zaaknummer: 15/05351</description><description lang="nl">Zaaknummer: 15/05352</description><description lang="nl">Zaaknummer: 15/05353</description><description lang="nl">Zaaknummer: 15/05354</description><description lang="nl">Zaaknummer: 15/05355</description><description lang="nl">Zaaknummer: 15/05356</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Cassatie</description><contributor lang="nl">Rechter(s): Mrs. Feteris, Overgaauw, Van den Berge, Van Loon, Van Hilten</contributor><issued>2017-04-21</issued><reference relation="citing" lang="nl">Algemene wet inzake rijksbelastingen</reference><reference relation="citing" lang="nl">Algemene wet inzake rijksbelastingen 16</reference><reference relation="citing" lang="nl">Algemene wet inzake rijksbelastingen 67d</reference><reference relation="citing" lang="nl">Algemene wet inzake rijksbelastingen 67e</reference><reference relation="citing" lang="nl">Algemene wet inzake rijksbelastingen 67f</reference><reference relation="citing" lang="nl">Algemene wet inzake rijksbelastingen 69</reference><reference relation="citing" lang="nl">Wet op de vennootschapsbelasting 1969</reference><reference relation="citing" lang="nl">Wet op de vennootschapsbelasting 1969 10a</reference><reference relation="citing" lang="nl">Wet op de vennootschapsbelasting 1969 20a</reference><reference type="ECLI" relation="precededBy" lang="nl">ECLI:NL:PHR:2016:897</reference><reference type="ECLI" relation="precededBy" lang="nl">ECLI:NL:GHAMS:2015:4098</reference></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:HR:2017:208</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2017:208</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:HR:2017:208"><country>NL</country><court>HR</court></isVersionOf><creator lang="nl">Hoge Raad</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2017-02-10</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Burgerlijk recht</subject><abstract lang="nl">Onrechtmatige daad. Schadeberekening in geval van ‘total loss’-verklaarde auto. Kan hiervoor afschrijvingsmethode worden gehanteerd? Waarde in het economisch verkeer van de zaak ten tijde van het verlies. Verweer dat met de vergoeding niet de schade wordt vergoed.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 15/04223</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Cassatie</description><contributor lang="nl">Rechter(s): Mrs. F.B. Bakels, A.H.T. Heisterkamp, G. Snijders, G. de Groot, T.H. Tanja-van den Broek; A-G mr. T. Hartlief</contributor><issued>2017-02-10</issued><reference relation="citing" lang="nl">Burgerlijk Wetboek Boek 6</reference><reference relation="citing" lang="nl">Burgerlijk Wetboek Boek 6 162</reference><reference type="ECLI" relation="precededBy" lang="nl">ECLI:NL:PHR:2016:1123</reference></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:GHARN:1999:AA1413</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARN:1999:AA1413</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:GHARN:1999:AA1413"><country>NL</country><court>GHARN</court></isVersionOf><creator lang="nl">Gerechtshof Arnhem</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>1999-06-02</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Belastingrecht</subject><abstract lang="nl">-</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 98/1711</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Eerste aanleg - enkelvoudig</description><contributor lang="nl">Rechter(s): Haas N.E.</contributor><issued>2001-07-04</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:GHARN:2001:AD6857</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARN:2001:AD6857</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:GHARN:2001:AD6857"><country>NL</country><court>GHARN</court></isVersionOf><creator lang="nl">Gerechtshof Arnhem</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2001-11-19</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Belastingrecht</subject><abstract lang="nl">-</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 99-01131</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Eerste aanleg - meervoudig</description><contributor lang="nl">Rechter(s): Schie, van; Haas, F.J.P.M.; Kroon, de</contributor><issued>2001-12-11</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RBNHO:2026:13068</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2026:13068</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RBNHO:2026:13068"><country>NL</country><court>RBNHO</court></isVersionOf><creator lang="nl">Rechtbank Noord-Holland</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-09-01</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Sociale-zekerheidsrecht</subject><abstract lang="nl">Deze zaak betreft de oplegging van een boete op grond van de Participatiewet vanwege het niet melden van een gezamenlijke huishouding. De rechtbank verlaagt de boete omdat niet van opzet kan worden uitgegaan.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: HAA 25/1781</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Eerste aanleg - enkelvoudig</description><contributor lang="nl">Rechter(s): I.S. Burggraaff</contributor><issued>2026-09-30</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:GHAMS:2001:AD3585</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2001:AD3585</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:GHAMS:2001:AD3585"><country>NL</country><court>GHAMS</court></isVersionOf><creator lang="nl">Gerechtshof Amsterdam</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2001-08-29</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Belastingrecht</subject><abstract lang="nl">Vervangingswaarde van een nieuw gebouwd museum vastgesteld zonder correcties voor technische of functionele veroudering. Het Hof verwerpt de stelling dat het object vanwege exploitatietekorten voor de eigenaar geen waarde heeft.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 00/130</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Eerste aanleg - meervoudig</description><contributor lang="nl">Rechter(s): Schaap; Onnes; Kruimel</contributor><issued>2001-09-19</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:GHARL:2013:9036</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2013:9036</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:GHARL:2013:9036"><country>NL</country><court>GHARL</court></isVersionOf><creator lang="nl">Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2013-11-27</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Belastingrecht</subject><abstract lang="nl">In geschil is of de Inspecteur de onder 1.1. tot en met 1.6 genoemde aanslagen tot te hoge bedragen heeft vastgesteld. Het geschil spitst zich toe op de vragen: a. of het eigenwoningforfait voor de woning voor elk van de jaren 2003 tot en met 2008 dient te worden berekend naar de volgens hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken voor dat jaar vastgestelde waarde van de woning zonder deze te verminderen in verband met de aanwezigheid van bodem- en asbestverontreiniging; b. of de bedragen die belanghebbende in de jaren 2003 tot en met 2006 heeft betaald ter zake van de onder 2.3. genoemde leningen van de ABN AMRO voor ten hoogste 50% als aftrekbare kosten met betrekking tot een eigen woning in aanmerking kunnen worden genomen. Bij bevestigende beantwoording van deze vraag is tevens in geschil of indien als gevolg daarvan het bedrag van de aftrekbare kosten lager is dan het ter zake bij de aanslagregeling in aanmerking genomen bedrag, of de Inspecteur bevoegd is het verschil te verrekenen met de door hem in beroep alsnog geaccepteerde vermindering(en) uit andere hoofde van het inkomen uit werk en woning (interne compensatie); c. welk deel van de bedragen die belanghebbende in de jaren 2006 tot en met 2008 heeft betaald ter zake van de onder 2.6 genoemde lening van de Friesland Bank als aftrekbare kosten met betrekking tot een eigen woning in aanmerking kunnen worden genomen; d. voor welke waarden de loods en de garageboxen voor elk van de jaren 2003 tot en met 2008 in aanmerking dienen te worden genomen bij de berekening van het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen; e. of, en zo ja tot welke bedragen, belanghebbende recht heeft op een vergoeding van kosten die hij in verband met de behandeling van de bezwaren, beroepen en hoger beroepen heeft moeten maken.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: BK 12/00293, 12/00294, 12/00295, 12/00296, 12/00297, 12/00298</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Hoger beroep</description><issued>2013-12-02</issued><reference type="ECLI" relation="followedBy" lang="nl">ECLI:NL:HR:2014:2716</reference></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:HR:2013:477</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2013:477</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:HR:2013:477"><country>NL</country><court>HR</court></isVersionOf><creator lang="nl">Hoge Raad</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2013-08-09</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Belastingrecht</subject><abstract lang="nl">Art. 16, letter c, art. 17 en art. 18, lid 3, letter c, Wet WOZ; art. 11, lid 1, letter a, onder 1°, Wet OB 1968. Één kantoorgebouw onderverdeeld in 15 WOZ-objecten (verdiepingen), waarvan één verdieping meer dan twee jaar tevoren in gebruik is genomen. Leegstaande verdiepingen waarderen inclusief btw. Toepasselijk worden van vrijstelling btw ná waardepeildatum vormt bijzondere omstandigheid.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 12/03419</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Cassatie</description><contributor lang="nl">Rechter(s): Feteris, Punt, Schaap, Van Loon, Koopman</contributor><issued>2013-08-09</issued><reference type="ECLI" relation="precededBy" lang="nl">ECLI:NL:PHR:2013:BZ8601</reference><reference type="ECLI" relation="precededBy" lang="nl">ECLI:NL:RBAMS:2012:BZ5426</reference></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:HR:2014:1319</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2014:1319</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:HR:2014:1319"><country>NL</country><court>HR</court></isVersionOf><creator lang="nl">Hoge Raad</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2014-06-06</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Belastingrecht</subject><abstract lang="nl">HR verklaart het beroep in cassatie n-o met toepassing van art. 80a RO.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 13/06396</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Cassatie, Artikel 80a RO-zaken</description><issued>2014-06-06</issued><reference type="ECLI" relation="precededBy" lang="nl">ECLI:NL:GHARL:2013:9040</reference></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:HR:2014:991</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2014:991</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:HR:2014:991"><country>NL</country><court>HR</court></isVersionOf><creator lang="nl">Hoge Raad</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2014-04-25</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Belastingrecht</subject><abstract lang="nl">HR: 81.1 RO.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 13/03414</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Artikel 81 RO-zaken, Cassatie</description><issued>2014-04-25</issued><reference type="ECLI" relation="precededBy" lang="nl">ECLI:NL:GHAMS:2013:2003</reference></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:GHSHE:2017:4148</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2017:4148</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:GHSHE:2017:4148"><country>NL</country><court>GHSHE</court></isVersionOf><creator lang="nl">Gerechtshof 's-Hertogenbosch</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2017-09-29</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Belastingrecht</subject><abstract lang="nl">Herinvesteringsreserve en fraus legis. Afwaardering onroerende zaken.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 15/00499</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Hoger beroep</description><contributor lang="nl">Rechter(s): A.J. Kromhout, P. Fortuin, M. Harthoorn</contributor><issued>2017-10-06</issued><reference type="ECLI" relation="precededBy" lang="nl">ECLI:NL:RBZWB:2015:508</reference><reference type="ECLI" relation="followedBy" lang="nl">ECLI:NL:HR:2018:1931</reference></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:HR:2013:2060</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2013:2060</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:HR:2013:2060"><country>NL</country><court>HR</court></isVersionOf><creator lang="nl">Hoge Raad</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2013-12-20</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Belastingrecht</subject><abstract lang="nl">HR: 81.1 RO</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 13/02164</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Artikel 81 RO-zaken, Cassatie</description><contributor lang="nl">Rechter(s): Mrs. M.W.C. Feteris, P.M.F. van Loon en Th. Groeneveld</contributor><issued>2013-12-20</issued><reference relation="citing" lang="nl">Wet waardering onroerende zaken 17</reference></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:HR:2014:207</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2014:207</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:HR:2014:207"><country>NL</country><court>HR</court></isVersionOf><creator lang="nl">Hoge Raad</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2014-01-31</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Belastingrecht</subject><abstract lang="nl">HR verklaart het beroep in cassatie n-o met toepassing van art. 80a RO.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 13/03957</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Cassatie, Artikel 80a RO-zaken</description><issued>2014-01-31</issued><reference type="ECLI" relation="precededBy" lang="nl">ECLI:NL:GHARL:2013:4673</reference></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:HR:2016:2932</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2016:2932</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:HR:2016:2932"><country>NL</country><court>HR</court></isVersionOf><creator lang="nl">Hoge Raad</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2016-12-23</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Belastingrecht</subject><abstract lang="nl">HR: art. 80a RO.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 16/01351</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Cassatie, Artikel 80a RO-zaken</description><issued>2016-12-23</issued><reference type="ECLI" relation="precededBy" lang="nl">ECLI:NL:GHARL:2016:636</reference></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:HR:2017:1325</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2017:1325</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:HR:2017:1325"><country>NL</country><court>HR</court></isVersionOf><creator lang="nl">Hoge Raad</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2017-07-14</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Belastingrecht</subject><abstract lang="nl">Loonbelasting. Art. 10 Wet Lb. Art. 11, lid 1, aanhef, letter a en letter k. Werknemer krijgt wegens kennelijke onredelijkheid van zijn ontslag vergoeding voor bij beëindiging dienstbetrekking verplichte overdracht van certificaten. Daarin gelegen voordeel is loon waarop loonbelasting moet worden ingehouden.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 16/01877</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Cassatie</description><issued>2017-07-14</issued><reference type="ECLI" relation="precededBy" lang="nl">ECLI:NL:PHR:2016:1239</reference></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RBZWB:2017:2454</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2017:2454</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RBZWB:2017:2454"><country>NL</country><court>RBZWB</court></isVersionOf><creator lang="nl">Rechtbank Zeeland-West-Brabant</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2017-04-20</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Belastingrecht</subject><abstract lang="nl">Premieheffing zeevarende; prejudiciële vragen aan de Hoge Raad; belanghebbende heeft de Letse nationaliteit en woont in het onderhavige jaar in Letland. Belanghebbende was in de in geding zijnde periode in dienstbetrekking bij een in Nederland gevestigde werkgever. De werkzaamheden vonden plaats op een zeeschip dat voer onder de vlag van de Bahama’s. Voor de beantwoording van de vraag of belanghebbende onder de nieuwe Verordening nr 883/2004 premieplichtig is in Nederland, legt de rechtbank prejudiciële vragen voor aan de Hoge Raad. In artikel 11, derde lid, onderdeel e, van de (nieuwe) Verordening is een restbepaling opgenomen. De vraag naar de (mogelijke) betekenis van de restbepaling voor het geval van belanghebbende, hangt mede af van hoe het arrest Kik in een zaak als de onderhavige en dus onder de (nieuwe) Verordening geïnterpreteerd moet worden.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: BRE - 16 _ 1532</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Eerste aanleg - meervoudig, Prejudiciële beslissing</description><contributor lang="nl">Rechter(s): M.H. van Schaik, M.J.C. Pieterse, M.R.T. Pauwels</contributor><issued>2017-04-21</issued><reference type="ECLI" relation="followedBy" lang="nl">ECLI:NL:HR:2017:2681</reference></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:HR:2017:730</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2017:730</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:HR:2017:730"><country>NL</country><court>HR</court></isVersionOf><creator lang="nl">Hoge Raad</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2017-04-21</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Belastingrecht</subject><abstract lang="nl">Vennootschapsbelasting. Fiscaal resultaat op obligatieportefeuilles is terecht in aanmerking genomen bij de partij waar het (gehele) economische belang ligt bij die obligatieportefeuilles en de daaruit voortvloeiende opbrengsten. Bij belanghebbende wordt voor fiscale doeleinden slechts een vergoeding voor verrichte diensten in aanmerking genomen. Geen ‘gekochte’ winst. Daarom geen strijd met doel en strekking van de Wet Vpb. Ook geen strijd met doel en strekking van artikel 10a Wet Vpb.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 16/03673</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Cassatie</description><issued>2017-04-21</issued><reference type="ECLI" relation="precededBy" lang="nl">ECLI:NL:PHR:2017:82</reference><reference type="ECLI" relation="precededBy" lang="nl">ECLI:NL:GHAMS:2016:2219</reference></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:PHR:2017:52</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2017:52</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:PHR:2017:52"><country>NL</country><court>PHR</court></isVersionOf><creator lang="nl">Parket bij de Hoge Raad</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2017-01-26</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Conclusie</type><subject lang="nl">Belastingrecht</subject><abstract lang="nl">Rente-aftrekbeperking (art. 10a Wet Vpb) en tegenbewijs van zakelijkheid van zowel de verbonden lening als de rechtshandeling (art. 10a(3)(a) Wet Vpb); parallellie tussen interne en externe schuld; safe haven in de wetsgeschiedenis die de dubbele zakelijkheidstoets verenkelvoudigt? Vertrouwen gewekt door een Besluit van 23 december 2005? ‘echte derdenlening’; ‘doorgeefluik’; ‘feitelijk bij een derde’; ‘parallellie’; tracing; Feiten en geschil: De feiten zijn niet overzichtelijk door de samenhang met en de verwijzingen naar de tien samenhangende zaken waarin de A-G op 25 augustus 2016 concludeerde (ECLI:NL:PHR:2016:897). De partijen lijken het echter eens dat de belanghebbende een art. 10a Wet Vpb-rechtshandeling heeft verricht (storting in een deelneming) die zij heeft gefinancierd met een verbonden lening. De belanghebbende had op 1 januari 2008 een schuld aan de met haar verbonden [C] ad € 191 miljoen. De Inspecteur heeft aftrek van rente op die lening geweigerd op grond van art. 10a Wet Vpb. De belanghebbende heeft een verklaring overgelegd van een trader van [C] waaruit volgens haar blijkt dat [C] het geld parallel van derden heeft ingeleend. In geschil is of de belanghebbende (daarmee) het in art. 10a(3)(a) Wet Vpb vereiste tegenbewijs van zakelijk handelen heeft geleverd, met name of voor dat tegenbewijs voldoende is dat de interne lening uiteindelijk ‘parallel’ extern is gefinancierd (zodat alsdan de (on)zakelijkheid van de storting niet ter zake doet) en subsidiair (zo ja), of voldoende parallellie bestaat tussen de interne lening en de externe financiering. De Rechtbank Noord-Holland heeft belanghebbendes beroep gegrond verklaard. Het Hof Amsterdam is er in hoger beroep vanuit gegaan dat aan de toepassingsvoorwaarden van art. 10a(1) Wet Vpb is voldaan, maar meende dat de wetgever niet heeft bedoeld de aftrek te beperken van rente op een extern gefinancierde schuld. Uit de parlementaire behandeling van art. 10a Wet Vpb heeft het Hof afgeleid dat de dubbele zakelijkheidstoets in lid(3)(a) in slechts één enkele toets overgaat als de lening extern is opgenomen en voldoende parallellie bestaat tussen de interne en de externe financiering. Gezien de verklaring van de trader achtte het Hof in beginsel aannemelijk dat tegenover de door [C] aan de belanghebbende verstrekte lening één of meer leningen van derden aan [C] hebben gestaan. Nu de Inspecteur die verklaring volgens het Hof niet gemotiveerd heeft weersproken, heeft het Hof voldoende schuldparallellie aannemelijk geacht en het hogere beroep van de Inspecteur verworpen. In cassatie bestrijdt de Staatssecretaris ‘s Hofs oordeel dat de belanghebbende het vereiste tegenbewijs heeft geleverd. Volgens A-G Wattel houdt ’s Hofs oordeel in dat de belanghebbende het in art. 10a(3)(a) vereiste tegenbewijs heeft geleverd omdat (i) uit de wetsgeschiedenis volgt dat bij schuldparallellie de motieven voor de gefinancierde rechtshandeling niet ter zake doen en (ii) de Inspecteur onvoldoende heeft weersproken dat uit de overgelegde verklaring volgt dat voldoende schuldparallellie bestaat. De A-G acht het eerste oordeel rechtskundig onjuist en het tweede onvoldoende gemotiveerd. De vraag is of de wetgever bedoeld heeft een safe haven te creëren (waarin hij afziet van de dubbele toets) voor alle gevallen waarin de verbonden schuld ‘parallel’ loopt met externe financiering. De A-G acht ’s Hofs bevestigende beantwoording van die vraag onjuist omdat zijns inziens (i) het verband tussen de interne en de externe lening veel nauwer moet zijn dan het Hof eist en (ii) het causale verband in belanghebbendes geval omgekeerd is aan de causaliteit die de wetgever voor ogen stond. Ad (ii): ook vóór de belanghebbende werd tussengeschakeld, bestonden zowel (vergelijkbare) externe leningen van [C] als (vergelijkbare) uiteindelijk externe bestemmingen voor die geleende gelden. De (mede)wetgever ging echter uit van het geval waarin een voornemen ontstaat tot een art. 10a-rechtshandeling die vervolgens gefinancierd wordt. In belanghebbendes geval is het causale en historische verband omgekeerd: de geldstroom bestond al, en het Hof heeft feitelijk vastgesteld dat de geleiding van die geldstroom langs de belanghebbende onderdeel was van een tax planning structuur. De verbonden schuld is dus aangegaan omdat er al externe schulden waren; niet andersom. De A-G meent daarom dat de passages in de parlementaire geschiedenis over ‘echte’ en ‘feitelijke’ derdenleningen en schuldparallellie niet over belanghebbendes geval gaan. Ad (i): ook als dat anders is, geldt volgens de A-G alleen een safe haven onder art. 10a(3)(a) als de verbonden schuld gelijkgesteld kan worden met een rechtstreekse externe lening en dat is in casu niet het geval. De parlementaire geschiedenis houdt volgens de A-G weliswaar inderdaad een safe haven in, maar niet één die men al binnenvaart bij een zekere parallellie tussen interne en externe financiering. Het moet gaan om een ‘echte derdenlening’ of een lening die ‘feitelijk bij een derde is aangegaan’ (om een ‘doorgeefluik’) en moet daarom in alle opzichten behalve wellicht het rentepercentage (bij een verbonden garantie) gelijkgesteld kunnen worden met een ‘echte derdenlening’. Kan dat niet, dan geldt de dubbele zakelijkheidstoets van art. 10a(3)(a) Wet Vpb. De parlementaire geschiedenis houdt volgens de A-G niet in dat de (on)zakelijkheid van de rechtshandeling – in strijd met de wettekst - reeds irrelevant is als boekhoudkundig verband kan worden gelegd tussen interne en externe financiering (tracing). De tweede zakelijkheidseis van art. 10a(3)(a) Wet Vpb zou anders zinloos zijn. Bij toepassing van de dubbele zakelijkheidstoets kan de zakelijkheid van de verbonden lening volgen uit ‘parallellie’ met een externe lening of uit het gegeven dat (boekhoudkundige) tracing mogelijk is, zoals in casu, maar dan moeten ook overwegend zakelijke redenen voor de gefinancierde rechtshandeling bestaan. Ook de (on)zakelijkheid van het doel van de storting had in casu dus volgens de A-G moeten worden onderzocht. Als dat anders is (als ‘parallellie’ al voldoende zou zijn voor een safe haven) dan acht de A-G ’s Hofs uitspraak onvoldoende gemotiveerd. De Inspecteur heeft gesteld dat ‘er (…) geen sprake is van parallelliteit tussen die leningen (verbonden leningen worden afgelost als belastingschuld is geëlimineerd).’ Uit de verklaring van de trader valt voorts slechts op te maken dat allerlei leningen van derden aan [C] boekhoudkundig te traceren waren naar lening(en) van [C] aan de belanghebbende. Er valt niet uit op te maken dat looptijd, aflossing, rentevergoeding, omvang en tijdstip van aangaan parallel liepen; eerder het tegendeel. ’s Hofs kennelijke honorering van belanghebbendes vertrouwensberoep op het Besluit houdt volgens de A-G evenmin stand, nu de verklaring van de trader niet de conclusie kan dragen dat de belanghebbende voldoet aan de in het Besluit gestelde criteria voor schuldparallellie. Het (onduidelijke) Besluit houdt bovendien volgens de A-G niet in dat voor de toepassing van art. 10a(3)(a) Wet Vpb de (on)zakelijkheid van de rechtshandeling irrelevant is als schuldparallellie bestaat. Dat zou ook zodanig haaks op de tekst van art. 10a(3)(a) staan dat die irrelevantie expliciet uit het beleidsbesluit zou moeten blijken om contra legem vertrouwen te kunnen wekken. Ook het Besluit eist in onderdeel 2.1.4 een ‘echte derdenlening’ en gaat daarbij overigens uit van een zakelijke rechtshandeling (een externe overname). Conclusie: cassatieberoep gegrond; verwijzen.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 16/03669</description><issued>2017-02-10</issued><reference type="ECLI" relation="followedBy" lang="nl">ECLI:NL:HR:2017:640</reference></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RBZWB:2017:207</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2017:207</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RBZWB:2017:207"><country>NL</country><court>RBZWB</court></isVersionOf><creator lang="nl">Rechtbank Zeeland-West-Brabant</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2017-01-12</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Belastingrecht</subject><abstract lang="nl">Belanghebbende woont en werkt in Polen. Tijdens haar vakantie bij haar Poolse werkgever werkt zij als seizoenkracht in Nederland. De rechtbank oordeelt dat sprake is van het permanent in twee lidstaten uitoefenen van elkaar afwisselende werkzaamheden. Belanghebbende pleegt aldus in twee of meer lidstaten werkzaamheden in loondienst te verrichten. Dit betekent dat belanghebbende premieplichtig is in de lidstaat waar zij woont, derhalve Polen.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: AWB - 15 _ 8293</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Eerste aanleg - enkelvoudig</description><contributor lang="nl">Rechter(s): W.A.P. van Roij</contributor><issued>2017-02-15</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:HR:2016:2934</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2016:2934</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:HR:2016:2934"><country>NL</country><court>HR</court></isVersionOf><creator lang="nl">Hoge Raad</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2016-12-23</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Belastingrecht</subject><abstract lang="nl">HR: art. 80a RO.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 16/02410</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Cassatie, Artikel 80a RO-zaken</description><issued>2016-12-23</issued><reference type="ECLI" relation="precededBy" lang="nl">ECLI:NL:GHDHA:2016:908</reference></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:PHR:2017:82</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2017:82</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:PHR:2017:82"><country>NL</country><court>PHR</court></isVersionOf><creator lang="nl">Parket bij de Hoge Raad</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2017-02-09</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Conclusie</type><subject lang="nl">Belastingrecht</subject><abstract lang="nl">Deze zaak is een tweede nakomer bij het cluster van tien zaken van [X] waarin het Hof op 8 oktober 2015 uitspraak deed en waarin A-G Wattel op 25 augustus 2016 concludeerde, en betreft de aangehouden zaak van de belanghebbende over 2007. De constructie: De belanghebbende heeft, net als in eerdere jaren, (veel) geld geleend bij een gelieerde groepsmaatschappij ([X] LB) om daarmee deelnemingen te financieren die vrijgestelde voordelen genereren (Bosal-gat). Anders dan in de tien eerdere zaken, is het aldus gecreëerde belastingabsorptievermogen (de aftrek van de betaalde rente) niet afgezet tegen realisatiewinsten van gevoegde aangekochte vennootschappen van derden, maar tegen obligatierente op met dat doel juridisch bij de belanghebbende gestalde obligatieportefeuilles van [F]. De belanghebbende hield daartoe indirect 95% in de vennootschappen [D] en [L], die in een fiscale eenheid met haar werden gevoegd. De overige 5% werd gehouden door [F], die de obligatieportefeuilles juridisch overdroeg aan [D] en [L], die dat financierden met van dezelfde [F] verkregen profit participation loans (PPL’s). [F] beheerde de portefeuilles en bepaalde het beleggingsbeleid. Doordat [D] en [L] gevoegd waren met de belanghebbende als moeder, zouden de voordelen uit de obligatieportefeuilles fiscaal in aanmerking worden genomen bij de belanghebbende en daar weggesaldeerd worden door de renteaftrek. Vermogensrisico’s werden afgedekt met put-optiecontracten met [F] waardoor waardeveranderingen alleen [F] aangingen en [F] de juridische eigendom kon terugverwerven wanneer gewenst. De PPL’s zouden fiscaalrechtelijk eigen vermogen vormen zodat de uitkeringen op de PPL’s aan [F] (de doorbetaling van de obligatierente) onder de deelnemingsvrijstelling zouden vallen. Het verschil tussen de ontvangen obligatierente en de daaruit betaalde winstdeling op de PPL’s bedroeg 12,24% van de ontvangen obligatierente, i.e. ongeveer de helft van de belastingbesparing ontstaan doordat de voorheen bij [F] belaste obligatierente na deze transacties niet meer belast zou worden door wegval tegen de door de belanghebbende georganiseerde renteaftrek. Het geschil: De Inspecteur heeft aftrek van belanghebbendes rentebetalingen aan [X]-LB geweigerd, de obligatierente bij de belanghebbende belast en haar een vergrijpboete ad 51% van de te weinig aangegeven belasting opgelegd. De Rechtbank heeft de correctie en de vergrijpboete in stand gelaten. Het Hof heeft onder verwijzing naar zijn uitspraak van 8 oktober 2015 geoordeeld dat de renteaftrek moet worden geweigerd op grond van fraus legis. Hij heeft voorts op basis van zijn bevinding dat de rechtshandelingen een onlosmakelijk geheel vormden en van zijn uitleg van (die samenhang tussen) die rechtshandelingen geoordeeld dat het volle economische belang bij de obligaties bij [F] is gebleven, zodat de voordelen uit de obligatieportefeuille niet de belanghebbende aangaan. Wel heeft het Hof bij de belanghebbende het verschil tussen de obligatierente en de PPL-‘winstdeling’ (gelijk aan 12,24% van de obligatierente) belast als vergoeding voor het bieden van tax shelter. Zowel de belanghebbende als de Staatssecretaris zijn in cassatie gekomen en hebben beiden ook (voorwaardelijke) incidentele beroepen ingesteld, onder meer opkomend tegen de (economische) duiding van de transactie door het Hof en diens fraus legis- en pleitbaarheidsoordelen. De Staatssecretaris meent dat de volle obligatierente bij de belanghebbende als genietster ervan belast is en dat zij strafwaardig heeft gehandeld. De belanghebbende meent dat de door haar aan het VK betaalde rente wél aftrekbaar is (zodat zij geen belastbare winst heeft), subsidiair dat de ‘winstdeling’ op de PPL’s aftrekbaar is. A-G Wattel acht geenszins onbegrijpelijk en qua rechtskundige kwalificatie juist ‘s Hofs uitleg van het samenstel van rechtshandelingen, diens feitelijke vaststellingen en diens juridische kwalificatie, implicerende dat ook civielrechtelijk slechts een blote juridische gerechtigdheid zonder economische gerechtigdheid aan de dochters van de belanghebbende is overgedragen en dat het bedrag dat [F] via dier dochters aan de belanghebbende vergoedde, ook civielrechtelijk als vergoeding voor dienstverlening moet worden gezien. Maar ook als de Hoge Raad met de Staatssecretaris zou oordelen dat het Hof fiscaalrechtelijk is afgeweken van de kwalificatie(s) waartoe het civiele recht leidt, is de obligatierente niet bij de belanghebbende belast. ’s Hofs analyse en oordeel houden onmiskenbaar mede in dat hij de aan separate civielrechtelijke kwalificatie van de afzonderlijke rechtshandelingen verbonden fiscale gevolgen onaanvaardbaar achtte gezien hun economische effect en de strekking van de belastingwet. Daarmee is (ook) voldaan aan de maatstaf voor fiscale kwalificatie in het door de Staatssecretaris ingeroepen arrest HR BNB 2000/126. De obligatierente is in elk geval fiscaalrechtelijk (maar volgens de A-G ook civielrechtelijk) door [F] genoten, onder de verplichting 12,24% van die rente aan de belanghebbende te doen toekomen als (aftrekbare) vergoeding voor dienstverlening. Aangezien uit ’s Hofs analyse volgt dat de belanghebbende er niet in is geslaagd om haar renteaftrek fiscaalrechtelijk samen te brengen met [B]’ belaste obligatievoordelen, doet zich volgens A-G Wattel – anders dan het Hof heeft geoordeeld - geen fraus legis voor met betrekking tot de renteaftrek. Gegeven ’s Hofs uitleg van de (samenhang van de) contracten en de volgens de A-G correctie kwalificatie van het samenstel van rechtshandelingen is de constructie immers mislukt: de obligatierente komt nog steeds op aan [F]; niet aan de belanghebbende. Anders dan in de eerdere tien samenhangende zaken, kan de renteaftrek in casu dus niet de aangekochte tax capacity van derden absorberen. Aan de belanghebbende kwam slechts een fee voor (mislukte) dienstverlening toe. Dat fee is eigen operationele winst van haar en daartegen kan zij haar rentebetaling volgens de A-G wél afzetten; het (enorme) overschot aan renteaftrek is zijns inziens een voortwentelbaar verlies dat afgezet kan worden tegen toekomstige eigen operationele winsten, maar niet tegen – op welke wijze ook -verworven derdenwinsten. Het Hof is volgens de AG ten onrechte voorbijgegaan aan belanghebbendes stelling dat ook een bedrag ad € 2.778.999, ontvangen van banken en groepsmaatschappijen, eigen operationele winst is en dus afgezet kan worden tegen de rentebetalingen. De AG meent daarom dat belanghebbendes cassatieberoep doel treft. Daaraan doet zijns inziens niet af dat, zoals de Staatssecretaris stelt, onderin de structuur geen belastbare inkomsten worden gegenereerd. Voor de compenserende heffing is slechts relevant de positie van belanghebbendes crediteur in het VK en die is onderworpen aan een compenserende heffing. Het ontbreken van pick up onderin de structuur is niet het gevolg van gelieerde leningen of slimmigheden, maar van het onjuiste Bosal-arrest van het HvJ EU. Het voorwaardelijk voorgestelde incidentele middel van de Staatssecretaris faalt daarom. Hetzelfde geldt volgens de A-G voor het tweede principale middel van de Staatssecretaris (geen pleitbaar standpunt), dat grotendeels gelijk is aan diens principale middel 3 tegen ’s Hofs uitspraak van 8 oktober 2015. De A-G concludeerde op 25 augustus 2016 te dier zake al dat dat middel faalt. De Staatssecretaris voegt daar thans aan toe dat de constructie extreem frauslegiaans is en dat daarom zodanig lichtvaardig gehandeld is dat het aan belanghebbendes (voorwaardelijk) opzet is te wijten dat de aangifte als onjuist moest worden aangemerkt. Volgens de A-G gaat de Staatssecretaris er echter aan voorbij dat de voordelen uit de obligatieportefeuille niet bij de belanghebbende maar bij [F] zijn opgekomen (onder aftrek van een fee). Dat leidt er toe dat de belanghebbende een groter verlies heeft dan zij heeft aangegeven (dat zij minder inkomsten heeft dan aangegeven). De grondslag voor een boete ex art. 67d(2) AWR ontbreekt dan. Als in casu al sprake is van een onpleitbaar standpunt, dan had volgens de A-G [F] beboet moeten worden. Conclusie: cassatieberoep van de belanghebbende gegrond; dat van de Staatssecretaris ongegrond; verwijzen voor feitelijk onderzoek.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 16/03673</description><issued>2017-03-03</issued><reference type="ECLI" relation="followedBy" lang="nl">ECLI:NL:HR:2017:730</reference></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RBNHO:2016:9418</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2016:9418</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RBNHO:2016:9418"><country>NL</country><court>RBNHO</court></isVersionOf><creator lang="nl">Rechtbank Noord-Holland</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2016-11-18</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Belastingrecht</subject><abstract lang="nl">Vrijwillig vertrekregeling is niet aan te merken als een regeling voor vervroegde uittreding. De inspecteur dient desgevraagd voor de invoering zijn opvatting over het karakter van een voorgestelde dergelijke regeling te geven.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: HAA - 15 _ 727 tot en met 15 _ 730</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Eerste aanleg - meervoudig</description><contributor lang="nl">Rechter(s): A.A. Fase, S.K.A. Efstratiades, R. van Scharrenburg</contributor><issued>2016-12-09</issued><reference relation="citing" lang="nl">Wet op de loonbelasting 1964 32a</reference></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:HR:2001:AA9396</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2001:AA9396</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:HR:2001:AA9396"><country>NL</country><court>HR</court></isVersionOf><creator lang="nl">Hoge Raad</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2001-01-10</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Belastingrecht</subject><abstract lang="nl">-</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 35973</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Cassatie</description><contributor lang="nl">Rechter(s): mrs R.J.J. Jansen, Zuurmond, Van Brunschot, Van Vliet, Lourens</contributor><issued>2001-08-09</issued><reference relation="citing" lang="nl">Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994 30</reference><reference relation="citing" lang="nl">Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994 37</reference></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:HR:1996:AA1745</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:1996:AA1745</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:HR:1996:AA1745"><country>NL</country><court>HR</court></isVersionOf><creator lang="nl">Hoge Raad</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>1996-09-25</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Belastingrecht</subject><abstract lang="nl">-</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 30998</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Cassatie</description><contributor lang="nl">Rechter(s): mrs Stoffer, Urlings, Zuurmond, C.H.M. Jansen, Fleers</contributor><issued>2001-07-04</issued><reference relation="citing" lang="nl">Gemeentewet 273 (oud)</reference><reference relation="citing" lang="nl">Waterschapswet 120</reference><reference relation="citing" lang="nl">Wet waardering onroerende zaken 17</reference></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:GHARN:1999:AA1358</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARN:1999:AA1358</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:GHARN:1999:AA1358"><country>NL</country><court>GHARN</court></isVersionOf><creator lang="nl">Gerechtshof Arnhem</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>1999-10-18</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Belastingrecht</subject><abstract lang="nl">-</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 97/21461</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Eerste aanleg - enkelvoudig</description><contributor lang="nl">Rechter(s): Röben</contributor><issued>2001-07-04</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:GHSHE:2000:AA5325</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2000:AA5325</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:GHSHE:2000:AA5325"><country>NL</country><court>GHSHE</court></isVersionOf><creator lang="nl">Gerechtshof 's-Hertogenbosch</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2000-03-30</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Belastingrecht</subject><abstract lang="nl">-</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 00/00130 en 00/00131</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Voorlopige voorziening+bodemzaak</description><contributor lang="nl">Rechter(s): Meijer</contributor><issued>2001-07-04</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:PHR:2000:AA6931</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2000:AA6931</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:PHR:2000:AA6931"><country>NL</country><court>PHR</court></isVersionOf><creator lang="nl">Parket bij de Hoge Raad</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2000-08-29</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Conclusie</type><subject lang="nl">Belastingrecht</subject><abstract lang="nl">-</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 35257</description><contributor lang="nl">Advocaat-/procureur-generaal: I</contributor><issued>2001-08-15</issued><reference relation="citing" lang="nl">Wet waardering onroerende zaken 17</reference><reference relation="citing" lang="nl">Wet waardering onroerende zaken 41</reference><reference type="ECLI" relation="followedBy" lang="nl">ECLI:NL:HR:2000:AA6931</reference></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:HR:2000:AA6931</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2000:AA6931</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:HR:2000:AA6931"><country>NL</country><court>HR</court></isVersionOf><creator lang="nl">Hoge Raad</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2000-08-29</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Belastingrecht</subject><abstract lang="nl">-</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 35257</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Cassatie</description><contributor lang="nl">Rechter(s): E. Korthals Altes, Zuurmond, Pos, Beukenhorst, Bavinck</contributor><issued>2001-08-15</issued><reference relation="citing" lang="nl">Wet waardering onroerende zaken 17</reference><reference relation="citing" lang="nl">Wet waardering onroerende zaken 41</reference><reference type="ECLI" relation="precededBy" lang="nl">ECLI:NL:PHR:2000:AA6931</reference></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:HR:2000:AA6115</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2000:AA6115</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:HR:2000:AA6115"><country>NL</country><court>HR</court></isVersionOf><creator lang="nl">Hoge Raad</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2000-06-07</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Belastingrecht</subject><abstract lang="nl">-</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 35211</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Cassatie</description><contributor lang="nl">Rechter(s): mrs Korthals Altes, Zuurmond, Monné</contributor><issued>2001-07-04</issued><reference relation="citing" lang="nl">Successiewet 1956 24</reference></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:GHAMS:2000:AA7626</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2000:AA7626</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:GHAMS:2000:AA7626"><country>NL</country><court>GHAMS</court></isVersionOf><creator lang="nl">Gerechtshof Amsterdam</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2000-05-31</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Belastingrecht</subject><abstract lang="nl">Het gerechtshof Amsterdam heeft de grieven van een kleine zelfstandige tegen de verplichte ziekenfondsverzekering verworpen. De inspecteur had een verklaring afgegeven dat de belanghebbende, op grond van de hoogte van haar inkomen over 1996 en 1997, verplicht verzekerd is ingevolge de Ziekenfondswet in 2000. De belanghebbende rekende voor dat zijn premie voor een particuliere ziektekostenverzekering lager zal zijn dan de ziekenfondspremie. De belanghebbende voerde vele grieven aan zowel tegen de wetgeving als tegen de verklaring van de inspecteur. Het Hof verwierp de grief van de belanghebbende dat de verklaring te laat, namelijk na 1 november 1999, was verstrekt. Volgens het Hof maakte dit de verklaring niet rechtsongeldig. Het Hof deelde evenmin zijn opvatting dat de verzekeringsplicht voor zelfstandigen niet voldoende in de Wet ziekenfondsverzekering zelfstandigen zelf is omschreven. De belanghebbende had nog een aantal bezwaren tegen de nieuwe Wet aangevoerd, maar het Hof achtte zich niet bevoegd tot oordelen over die bezwaren. Zij behoren gericht te worden aan het adres van de wetgever. Aan de vraag of het gelijkheidsbeginsel was geschonden, omdat zelfstandigen meer premie moeten gaan betalen dan de premie die op het loon van werknemers wordt ingehouden, kwam het Hof niet toe, nu alleen de verzekeringsplicht in het geding was en niet een premie-aanslag. Het Hof kon de belanghebbende ook niet volgen in zijn klacht dat de inspecteur onzorgvuldig en ongemotiveerd te werk was gegaan. Deze had in een vele pagina’s omvattend geschrift uiteengezet waarom de belanghebbende onder de verplichte ziekenfondsverzekering viel.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 00/468</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Eerste aanleg - meervoudig</description><contributor lang="nl">Rechter(s): Ballegooijen, van; Loon, van; Schoemaker</contributor><issued>2001-07-04</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:HR:2026:1561</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2026:1561</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:HR:2026:1561"><country>NL</country><court>HR</court></isVersionOf><creator lang="nl">Hoge Raad</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-09-25</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Belastingrecht</subject><abstract lang="nl">HR: 81.1 RO</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 24/01505</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Artikel 81 RO-zaken, Cassatie</description><issued>2026-09-25</issued><reference type="ECLI" relation="precededBy" lang="nl">ECLI:NL:GHSHE:2024:704</reference></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:HR:2026:1559</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2026:1559</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:HR:2026:1559"><country>NL</country><court>HR</court></isVersionOf><creator lang="nl">Hoge Raad</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-09-25</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Belastingrecht</subject><abstract lang="nl">HR: 81.1 RO</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 25/00257</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Artikel 81 RO-zaken, Cassatie</description><issued>2026-09-25</issued><reference type="ECLI" relation="precededBy" lang="nl">ECLI:NL:GHSHE:2024:4091</reference></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:CRVB:2018:3116</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2018:3116</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:CRVB:2018:3116"><country>NL</country><court>CRVB</court></isVersionOf><creator lang="nl">Centrale Raad van Beroep</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2018-10-03</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Sociale-zekerheidsrecht</subject><abstract lang="nl">Intrekking hoger beroep omdat het Uwv geheel aan appellant is tegemoetgekomen. Proceskostenveroordeling. Er is aanleiding het Uwv op te dragen de geleden immateriële schade te vergoeden. De Raad stelt de hoogte van deze vergoeding naar billijkheid vast op € 1.000,-. Vergoeding van de wettelijke rente over de na te betalen uitkering.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 16/5663 WIA</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Hoger beroep, Proceskostenveroordeling</description><issued>2018-10-11</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:CBB:2018:490</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CBB:2018:490</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:CBB:2018:490"><country>NL</country><court>CBB</court></isVersionOf><creator lang="nl">College van Beroep voor het bedrijfsleven</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2018-09-11</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Bestuursrecht</subject><abstract lang="nl">MDMA in maïs, onveilig levensmiddel en onveilig diervoeder</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 18/1207</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Eerste aanleg - meervoudig</description><contributor lang="nl">Rechter(s): M.M. Smorenburg, J.L. Verbeek, E.R. Eggeraat</contributor><issued>2018-09-17</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:CBB:2018:110</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CBB:2018:110</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:CBB:2018:110"><country>NL</country><court>CBB</court></isVersionOf><creator lang="nl">College van Beroep voor het bedrijfsleven</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2018-03-14</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Bestuursrecht</subject><abstract lang="nl">Regeling Superheffing. Verzoek reactivering van het vervallen melkquotum. Te laat ingediend. Eerder ingediende e-mail is geen verzoek om een besluit te nemen en dus geen aanvraag.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 16/1212</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Eerste aanleg - meervoudig</description><contributor lang="nl">Rechter(s): H.L. van der Beek, A. Venekamp, R.C. Stam</contributor><issued>2018-04-03</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:HR:2018:1319</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2018:1319</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:HR:2018:1319"><country>NL</country><court>HR</court></isVersionOf><creator lang="nl">Hoge Raad</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2018-08-17</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Belastingrecht</subject><abstract lang="nl">Inkomstenbelasting. Art. 8:42, lid 1, Awb. De omstandigheid dat belanghebbende zelf beschikt over (een afschrift van) een stuk dat van belang kan zijn voor de besluitvorming in een zaak, brengt niet mee dat de inspecteur niet is gehouden (een afschrift van) dat stuk als een op de zaak betrekking hebbend stuk over te leggen. Die omstandigheid kan wel belang zijn voor de beantwoording van de vraag welke gevolgtrekking de rechter maakt indien de inspecteur dat stuk niet overlegt.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 17/00879</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Cassatie</description><issued>2018-08-17</issued><reference type="ECLI" relation="precededBy" lang="nl">ECLI:NL:GHARL:2017:310</reference><reference type="ECLI" relation="precededBy" lang="nl">ECLI:NL:PHR:2017:1040</reference></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:CRVB:2018:3237</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2018:3237</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:CRVB:2018:3237"><country>NL</country><court>CRVB</court></isVersionOf><creator lang="nl">Centrale Raad van Beroep</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2018-10-11</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Bestuursrecht</subject><abstract lang="nl">De staatssecretaris heeft terecht geweigerd om aansprakelijkheid te erkennen. De Raad heeft eerder geoordeeld dat appellante onredelijk laat is opgekomen tegen het niet tijdig beslissen door de staatssecretaris. Het gevolg van deze uitspraak is dat de totstandbrenging van een beslissing op bezwaar niet meer rechtens afdwingbaar is. De functiebeschrijving moet onder die omstandigheden voor rechtmatig worden gehouden. Van aansprakelijkheid van de staatssecretaris kan aldus geen sprake zijn, nog los van het gegeven dat het besluit waartegen het bezwaar van appellante zich destijds richtte, geen betrekking had op de waardering van haar functie.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 17/6238 AW</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Hoger beroep</description><issued>2018-10-23</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:GHSHE:2004:AQ9821</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2004:AQ9821</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:GHSHE:2004:AQ9821"><country>NL</country><court>GHSHE</court></isVersionOf><creator lang="nl">Gerechtshof 's-Hertogenbosch</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2004-07-28</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Belastingrecht</subject><abstract lang="nl">Het geschil betreft het antwoord op de volgende vragen: (1) Heeft de inspecteur de belanghebbende terecht niet ontvankelijk in bezwaar verklaard? (2) Zo nee, heeft de Inspecteur de belanghebbende voor het jaar 1999 terecht betrokken in de premieheffing voor de AOW en de Anw?</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 01/01425</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Eerste aanleg - meervoudig</description><contributor lang="nl">Rechter(s): mr. P. Fortuin mr. G.D. van Norden mr. M.W.C. Feteris</contributor><issued>2004-09-07</issued><reference relation="citing" lang="nl">Algemene wet inzake rijksbelastingen 55</reference><reference relation="citing" lang="nl">Besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden volksverzekeringen 1999 22</reference></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:HR:2005:AS4106</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2005:AS4106</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:HR:2005:AS4106"><country>NL</country><court>HR</court></isVersionOf><creator lang="nl">Hoge Raad</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2005-01-28</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Belastingrecht</subject><abstract lang="nl">Ziekenfondswet. Aan de inspecteur na 1 oktober bekend geworden gegevens tellen niet mee voor bepaling verzekeringsplicht zelfstandigen.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 39837</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Cassatie</description><contributor lang="nl">Rechter(s): mr. P.J. van Amersfoort mr. A.R. Leemreis mr. C.J.J. van Maanen</contributor><issued>2005-01-28</issued><reference relation="citing" lang="nl">Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen 3</reference><reference relation="citing" lang="nl">Regeling tijdvak en inkomen ziekenfondsverzekering zelfstandigen 2</reference><reference relation="citing" lang="nl">Regeling tijdvak en inkomen ziekenfondsverzekering zelfstandigen 3</reference><reference type="ECLI" relation="precededBy" lang="nl">ECLI:NL:GHLEE:2003:AG1679</reference></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:HR:2005:AU2776</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2005:AU2776</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:HR:2005:AU2776"><country>NL</country><court>HR</court></isVersionOf><creator lang="nl">Hoge Raad</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2005-09-16</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Belastingrecht</subject><abstract lang="nl">Verplichte ziekenfondsverzekering voor zelfstandigen; toepassing van het Besluit van de Staatssecretaris van Financiën van 1 februari 2005, nr. CPP2004/1147M, V-N 2005/11.15.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 38825</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Cassatie</description><contributor lang="nl">Rechter(s): mr. P.J. van Amersfoort mr. A.R. Leemreis mr. C.J.J. van Maanen</contributor><issued>2005-09-16</issued><reference relation="citing" lang="nl">Zaaizaad- en Plantgoedwet 3</reference></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:CBB:2012:BV3421</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CBB:2012:BV3421</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:CBB:2012:BV3421"><country>NL</country><court>CBB</court></isVersionOf><creator lang="nl">College van Beroep voor het bedrijfsleven</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2012-02-01</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Bestuursrecht</subject><abstract lang="nl">- Ontbonden vennootschap ontvankelijk in beroep; vereffening van het vermogen duurt voort. - Verzoek om restitutie. Is de heffing voldaan? Heffingen ingehouden door veiling. Veiling gaat failliet voordat de ingehouden bedragen worden doorbetaald aan het productschap. Het productschap heeft met het sluiten van een incasso/afdrachtovereenkomst met de veiling een groot betalingsrisico genomen, dat niet mag worden afgewenteld op de ondernemers. Onder deze omstandigheid hebben de ondernemers met de inhouding van de heffingen door de veiling de vakheffing voldaan.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: AWB 09/1283 t/m AWB 09/1285</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Eerste aanleg - meervoudig, Proceskostenveroordeling</description><contributor lang="nl">Rechter(s): mr M. Munsterman mr. R.F.B. van Zutphen mr. C.J. Waterbolk</contributor><issued>2012-02-09</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:GHAMS:2019:1504</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2019:1504</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:GHAMS:2019:1504"><country>NL</country><court>GHAMS</court></isVersionOf><creator lang="nl">Gerechtshof Amsterdam</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2019-04-18</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Belastingrecht</subject><abstract lang="nl">Een groep investeerders heeft via buitenlandse hybride vennootschappen en daartoe opgerichte Nederlandse lichamen een onderneming gekocht. De winst van de gekochte onderneming is door middel van een hybride lening aan de hybride vennootschappen met ca. € 27 mln rente verminderd. Het Hof acht de rente niet aftrekbaar op grond van fraus legis. Daarnaast is een bonus voor het management van de gekochte onderneming ten onrechte bij belanghebbende in aftrek gebracht.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 18/00018 en 18/00019</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Hoger beroep</description><contributor lang="nl">Rechter(s): H.E. Kostense, R.C.H.M. Lips, E.A.G. van der Ouderaa</contributor><issued>2019-05-08</issued><reference type="ECLI" relation="precededBy" lang="nl">ECLI:NL:RBNHO:2017:11359</reference><reference type="ECLI" relation="followedBy" lang="nl">ECLI:NL:HR:2021:1152</reference></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RBGEL:2019:1123</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2019:1123</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RBGEL:2019:1123"><country>NL</country><court>RBGEL</court></isVersionOf><creator lang="nl">Rechtbank Gelderland</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2019-02-27</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Burgerlijk recht</subject><abstract lang="nl">Vervolg op ECLI:NL:RBGEL:2015:7999 en ECLI:NL:RBGEL:2016:7064. Begroting van schade als gevolg van beroepsfout door accountant. Gemiste fiscale voordelen uit MIA-Vamil-regeling.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 281070 eindvonnis 27-2-2019</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Eerste aanleg - enkelvoudig, Op tegenspraak</description><contributor lang="nl">Rechter(s): mr. N.W. Huijgen</contributor><issued>2019-03-15</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:HR:2004:AR5995</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2004:AR5995</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:HR:2004:AR5995"><country>NL</country><court>HR</court></isVersionOf><creator lang="nl">Hoge Raad</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2004-11-19</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Belastingrecht</subject><abstract lang="nl">Verplichte ziekenfondsverzekering voor zelfstandigen. Art. 1, aanhef en letter q van het Aanwijzingsbesluit verzekerden Zfw onverbindend?</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 38663</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Cassatie</description><contributor lang="nl">Rechter(s): mr. A.G. Pos mr. L. Monné mr. P.J. van Amersfoort mr. A.R. Leemreis mr. C.J.J. van Maanen</contributor><issued>2004-11-19</issued><reference relation="citing" lang="nl">Ziekenfondswet 3d</reference></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:GHSGR:2011:BT1810</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSGR:2011:BT1810</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:GHSGR:2011:BT1810"><country>NL</country><court>GHSGR</court></isVersionOf><creator lang="nl">Gerechtshof 's-Gravenhage</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2011-07-12</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Belastingrecht</subject><abstract lang="nl">Inkomstenbelasting. Belanghebbende heeft de voor de MIA en de VAMIL in aanmerking genomen investeringsverplichtingen niet (tijdig) gemeld. In zoverre bestaat geen recht op MIA en VAMIL voor deze investeringen.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: BK-10/00435</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Hoger beroep</description><contributor lang="nl">Rechter(s): Mrs. H.A.J. Kroon, P.J.J. Vonk, Chr. Th. P.M. Zandhuis</contributor><issued>2011-09-16</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:HR:2019:67</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2019:67</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:HR:2019:67"><country>NL</country><court>HR</court></isVersionOf><creator lang="nl">Hoge Raad</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2019-01-18</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Financieelrecht</subject><abstract lang="nl">Ondernemingsrecht. Kort geding over door internationale sancties getroffen beleggingsfonds op Kaaimaneilanden met Libisch vermogen. Enig aandeelhouder (entiteit van de staat Libië, die zelf onder de VN-sancties valt) van het beleggingsfonds ontslaat bestuurder en benoemt twee nieuwe bestuurders. Valt gebruikmaking van stemrecht door aandeelhouder onder bevriezing van de goederen? Betekenis van Resolutie 1970 (2011) en Resolutie 1973 (2011) van VN Veiligheidsraad, en van EU-Verordening 204/2011 (thans: Verordening 44/2016). Voorziening in kort geding in afwachting van oordeel van bodemrechter op Kaaimaneilanden. Is aannemelijk dat ontslag en benoeming bestuurders door bodemrechter rechtsgeldig worden geoordeeld? Hoge Raad doet zelf de zaak af.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 17/03964</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Cassatie</description><issued>2019-01-18</issued><reference type="ECLI" relation="precededBy" lang="nl">ECLI:NL:GHAMS:2017:2419</reference><reference type="ECLI" relation="precededBy" lang="nl">ECLI:NL:PHR:2018:1145</reference></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:HR:2019:1400</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2019:1400</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:HR:2019:1400"><country>NL</country><court>HR</court></isVersionOf><creator lang="nl">Hoge Raad</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2019-09-20</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Internationaal privaatrecht</subject><abstract lang="nl">IPR. Internationale bevoegdheid. Vervolg van HR 14 juni 2019, ECLI:NL:HR:2019:925. Hoge Raad stelt prejudiciële vragen aan HvJEU over art. 7, aanhef en punt 2, Verordening Brussel I-bis (nr. 1215/2012). Collectieve actie ten behoeve van aandeelhouders met Nederlandse beleggingsrekening op de grond dat BP hen onjuist, onvolledig of misleidend heeft geïnformeerd over de olieramp uit 2010 in de Golf van Mexico. Rechtbank en hof hebben zich onbevoegd verklaard. Biedt schade op beleggingsrekening voldoende aanknopingspunten om Nederland als 'Erfolgsort' te kwalificeren? Bijzondere of bijkomende omstandigheden voor bevoegdheid Nederlandse rechter. Betekenis van de omstandigheid dat sprake is van collectieve actie op de voet van art. 3:305a BW.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 18/00524</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Cassatie, Prejudicieel verzoek</description><issued>2019-09-20</issued><reference type="ECLI" relation="followedBy" lang="nl">ECLI:EU:C:2021:377</reference></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RBROT:2026:12941</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:12941</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RBROT:2026:12941"><country>NL</country><court>RBROT</court></isVersionOf><creator lang="nl">Rechtbank Rotterdam</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-09-18</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Strafrecht</subject><abstract lang="nl">De verdachte wordt veroordeeld voor het opzettelijk behulpzaam zijn bij het wederrechtelijk verblijf van meerdere personen tot een haventerrein door een niet aan hen toebehorende toegangspas te activeren. Hij wordt vrijgesproken van computervredebreuk. De rechtbank legt een taakstraf op van 180 uur en een voorwaardelijke gevangenisstraf van drie maanden.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 10-032936-25</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Eerste aanleg - meervoudig</description><issued>2026-09-29</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:CBB:2019:156</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CBB:2019:156</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:CBB:2019:156"><country>NL</country><court>CBB</court></isVersionOf><creator lang="nl">College van Beroep voor het bedrijfsleven</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2019-04-16</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Bestuursrecht</subject><abstract lang="nl">Boete wegens overtreding van artikel 5:20 Awb</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 18/127</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Hoger beroep, Proceskostenveroordeling</description><contributor lang="nl">Rechter(s): J.L. Verbeek, J.L.W. Aerts, H.S.J. Albers</contributor><issued>2019-04-19</issued><reference type="ECLI" relation="precededBy" lang="nl">ECLI:NL:RBROT:2017:9881</reference></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:GHAMS:2002:AF2198</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2002:AF2198</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:GHAMS:2002:AF2198"><country>NL</country><court>GHAMS</court></isVersionOf><creator lang="nl">Gerechtshof Amsterdam</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2002-12-13</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Belastingrecht</subject><abstract lang="nl">Driejarenbeleid / relevant tijdsverloop. Eiser is afkomstig uit Somalië en verblijft sedert 31 januari 1995 in Nederland. Op 1 februari 1995 heeft hij een aanvraag ingediend om toelating als vluchteling en om verlening van een vtv. Bij beschikking van 23 oktober 1995 heeft verweerder de aanvraag om toelating als vluchteling niet ingewilligd en hem een vtv geweigerd. Bij beschikking van 6 juni 1996 heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen de beschikking in primo d.d. 23 oktober 1995 ongegrond verklaard. Bij afzonderlijk primair besluit d.d. 6 juni 1996 is aan eiser een voorwaardelijke vergunning tot verblijf (vvtv) verleend met ingang van 1 februari 1995. Het beroep gericht tegen de beschikking op bezwaar d.d. 6 juni 1996 is bij uitspraak van 24 juni 1998 ongegrond verklaard. Bij beschikking van 13 november 1997 heeft verweerder de laatstelijk tot 1 februari 1998 verlengde vvtv ingetrokken. Eiser heeft op 9 december 1997 tegen de beschikking d.d. 13 november 1997 bezwaar ingediend. Bij besluit van 5 juli 2000 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard. Op 2 augustus 2000 heeft eiser tegen dit besluit bij deze rechtbank beroep ingesteld. Tussen partijen is in het kader van het beroep op het driejarenbleid, neergelegd in hoofdstuk A4/6.22 Vc-1994, met name in geschil of het tijdsverloop in de asielprocedure en in de procedure met betrekking tot de intrekking van de vvtv bij elkaar opgeteld dienen te worden. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat dit in het onderhavige geval niet dient te gebeuren. De rechtbank verwijst in dit kader naar de REK-uitspraken AWB 00/7754 en AWB 00/7749 d.d. 1 november 2000. Nu de beschikking op bezwaar in de asielprocedure reeds was genomen vóór de intrekking van de vvtv, is na de intrekking van de vvtv een nieuwe periode gaan lopen. Beroep ongegrond.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 02/03834 PV</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Eerste aanleg - enkelvoudig</description><contributor lang="nl">Rechter(s): Ballegooijen, Van</contributor><issued>2002-12-19</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:GHAMS:2003:AF6358</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2003:AF6358</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:GHAMS:2003:AF6358"><country>NL</country><court>GHAMS</court></isVersionOf><creator lang="nl">Gerechtshof Amsterdam</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2003-01-22</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Belastingrecht</subject><abstract lang="nl">Het Hof heeft de inspecteur veroordeeld tot vergoeding van de schade die belanghebbende heeft geleden door opleggen en handhaven van een naheffingsaanslag in de motorrijtuigenbelasting. De schade bestaat uit het verschil tussen de waarde van het motorrijtuig en het bedrag dat belanghebbende heeft ontvangen van de sloop.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 01/01378</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Eerste aanleg - meervoudig</description><contributor lang="nl">Rechter(s): Vrouwenvelder; Beukers-Van Dooren; Tromp</contributor><issued>2003-03-26</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:PHR:2003:AH3766</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2003:AH3766</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:PHR:2003:AH3766"><country>NL</country><court>PHR</court></isVersionOf><creator lang="nl">Parket bij de Hoge Raad</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2003-10-10</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Conclusie</type><subject lang="nl">Belastingrecht</subject><abstract lang="nl">Nr. 38.485 10 oktober 2003 AF gewezen op het beroep in cassatie van X B.V. te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 21 juni 2002, nr. 99/02186, betreffende na te melden op aangifte voldaan bedrag aan belasting van personenauto's en motorrijwielen. 1. Aangifte, bezwaar en geding voor het Hof...</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 38485</description><issued>2003-10-10</issued><reference relation="citing" lang="nl">Wet op de belasting van personenauto's en motorrijwielen 1992 3</reference><reference type="ECLI" relation="followedBy" lang="nl">ECLI:NL:HR:2003:AH3766</reference></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:HR:2003:AH3766</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2003:AH3766</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:HR:2003:AH3766"><country>NL</country><court>HR</court></isVersionOf><creator lang="nl">Hoge Raad</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2003-10-10</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Belastingrecht</subject><abstract lang="nl">Nr. 38.485 10 oktober 2003 AF gewezen op het beroep in cassatie van X B.V. te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 21 juni 2002, nr. 99/02186, betreffende na te melden op aangifte voldaan bedrag aan belasting van personenauto's en motorrijwielen. 1. Aangifte, bezwaar en geding voor het Hof...</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 38485</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Cassatie</description><contributor lang="nl">Rechter(s): mr. A.E.M. van der Putt-Lauwers mr. F.W.G.M. van Brunschot mr. P. Lourens mr. C.B. Bavinck mr. J.W. van den Berge</contributor><issued>2003-10-10</issued><reference relation="citing" lang="nl">Wet op de belasting van personenauto's en motorrijwielen 1992 3</reference><reference type="ECLI" relation="precededBy" lang="nl">ECLI:NL:PHR:2003:AH3766</reference></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:GHSHE:2003:AF5804</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2003:AF5804</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:GHSHE:2003:AF5804"><country>NL</country><court>GHSHE</court></isVersionOf><creator lang="nl">Gerechtshof 's-Hertogenbosch</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2003-01-23</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Belastingrecht</subject><abstract lang="nl">-</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 01/02512</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Eerste aanleg - meervoudig</description><contributor lang="nl">Rechter(s): Bijlsma; Beelen, van; Simons</contributor><issued>2003-03-14</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:PHR:2003:AD9784</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2003:AD9784</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:PHR:2003:AD9784"><country>NL</country><court>PHR</court></isVersionOf><creator lang="nl">Parket bij de Hoge Raad</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2003-03-07</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Conclusie</type><subject lang="nl">Belastingrecht</subject><abstract lang="nl">-</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 36642</description><issued>2003-03-07</issued><reference type="ECLI" relation="followedBy" lang="nl">ECLI:NL:HR:2003:AD9784</reference></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:HR:2003:AD9784</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2003:AD9784</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:HR:2003:AD9784"><country>NL</country><court>HR</court></isVersionOf><creator lang="nl">Hoge Raad</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2003-03-07</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Belastingrecht</subject><abstract lang="nl">-</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 36642</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Cassatie</description><contributor lang="nl">Rechter(s): Wattel</contributor><issued>2003-03-07</issued><reference type="ECLI" relation="precededBy" lang="nl">ECLI:NL:PHR:2003:AD9784</reference></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RBARN:2011:BU6609</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBARN:2011:BU6609</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RBARN:2011:BU6609"><country>NL</country><court>RBARN</court></isVersionOf><creator lang="nl">Rechtbank Arnhem</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2011-12-01</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Belastingrecht</subject><abstract lang="nl">Uitkering uit dienstongevallenverzekering en prive-ongevallenverzekering ter zake van ongeval tijdens dienstuitoefening belast.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: AWB 11/1606</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Eerste aanleg - enkelvoudig</description><contributor lang="nl">Rechter(s): A.M.F. Geerling</contributor><issued>2011-12-21</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RBBRE:2012:BX1980</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBBRE:2012:BX1980</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RBBRE:2012:BX1980"><country>NL</country><court>RBBRE</court></isVersionOf><creator lang="nl">Rechtbank Breda</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2012-05-25</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Bestuursrecht</subject><abstract lang="nl">Schorsing van besluiten tot verstrekken van inlichtingen op basis van de Wib aan Belgische autoriteiten. De voorzieningenrechter overweegt dat uit de wetsgeschiedenis en jurisprudentie volgt dat verweerder gehouden is om indien aan de voorwaarden van artikel 5, eerste lid, van de Wib is voldaan, over te gaan tot verstrekking van de gegevens aan de verzoekende bevoegde autoriteit. Een belangenafweging behoeft dan niet plaats te vinden. Dit is slechts anders wanneer een of meer weigeringsgronden van artikel 13 van de Wib van toepassing is. Verweerder dient dan ook te onderzoeken of er sprake is van een van de weigeringsgronden van artikel 13 van de Wib, zeker nu verzoekers een beroep doen op drie, aan artikel 13 van de Wib ontleende, weigeringsgronden, te weten het heffingsbelang, het wederkerigheidsbeginsel en het uitputtingsbeginsel. Beroepsgronden ten aanzien van het heffingsbelang (artikel 13, eerste lid, van de Wib) en wederkerigheidbeginsel (artikel 13, tweede lid, onder d, Wib) slagen niet. Beroepsgrond ten aanzien van het uitputtingsbeginsel (artikel 13, tweede lid, onder c, Wib) slaagt. De voorzieningenrechter overweegt dat op grond van het uitputtingsbeginsel het verstrekken van inlichtingen kan worden geweigerd indien aannemelijk is dat de Belgische autoriteiten niet eerst in België de ter beschikking staande gebruikelijke middelen tot het verkrijgen van informatie hebben aangewend. De stelling van verweerder dat het enkele feit dat de Belgische autoriteiten een verzoek hebben gedaan betekent dat aan het uitputtingsbeginsel is voldaan, gaat voorbij aan het systeem van de Wib. Zou verweerders opvatting juist zijn, dan moet uit het doen van een inlichtingenverzoek al worden aangenomen dat aan het uitputtingsbeginsel is voldaan en dat zou de weigeringsgrond in artikel 13, tweede lid onder c van de Wib overbodig maken. Onder verwijzing naar jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, zoals de uitspraak van 22 juni 1993, LJN: AQ0776 stelt de voorzieningenrechter vast dat uit artikel 13, tweede lid, aanhef en onder c, van de Wib niet blijkt dat op verweerder de bewijsplicht rust om aan te tonen dat de Belgische autoriteiten reeds de gebruikelijke methoden hebben aangewend de gevraagde inlichtingen te achterhalen. Aan de strekking van de Wib, te weten het mogelijk maken van de onderlinge uitwisseling van fiscale inlichtingen tussen Staten die zich daartoe wederzijds hebben verplicht, zou in ernstige mate afbreuk worden gedaan, indien de Staat waaraan een verzoek om inlichtingen wordt gericht niet zou mogen afgaan op de mededeling van de verzoekende Staat dat de gevraagde informatie in eigen land niet verkrijgbaar is. Dit vergt echter wel dat België een dergelijke verklaring heeft afgegeven. Hier is niet gebleken dat de Belgische autoriteiten een dergelijke mededeling hebben gedaan. Uit het inlichtingenverzoek kan niet worden afgeleid dat de gebruikelijke mogelijkheden voor het verkrijgen van inlichtingen in België zijn aangewend. De enkele verwijzing naar artikel 2 van de Bijstandsrichtlijn acht de voorzieningenrechter, gelet op de tweede volzin van het eerste lid van die bepaling, onvoldoende. Dit leidt de voorzieningenrechter tot de slotsom dat niet duidelijk is of aan het uitputtingsbeginsel is voldaan. De verzoeken om voorlopige voorziening worden toegewezen.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: AWB 12/1495 VV, 12/1496, 12/1497 VV, 12/1498, 12/1499 VV, 12/1500</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Voorlopige voorziening+bodemzaak</description><issued>2012-07-18</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RBZUT:2012:BY1105</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZUT:2012:BY1105</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RBZUT:2012:BY1105"><country>NL</country><court>RBZUT</court></isVersionOf><creator lang="nl">Rechtbank Zutphen</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2012-10-24</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Belastingrecht</subject><abstract lang="nl">Eiser, die ponyfokker is, doet een geslaagd beroep op de cultuurgrondvrijstelling. De rechtbank stelt de waarden van de weidegronden op nihil.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 12/836 en 12/978 WOZ</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Eerste aanleg - enkelvoudig</description><contributor lang="nl">Rechter(s): mr. R.P. van Baaren</contributor><issued>2012-10-24</issued><reference type="ECLI" relation="followedBy" lang="nl">ECLI:NL:GHARL:2013:CA1816</reference></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:GHARN:2009:BH1399</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARN:2009:BH1399</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:GHARN:2009:BH1399"><country>NL</country><court>GHARN</court></isVersionOf><creator lang="nl">Gerechtshof Arnhem</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2009-01-21</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Belastingrecht</subject><abstract lang="nl">Vennootschapsbelasting. Dotatie aan pensioenvoorziening in eigen beheer voor arts terecht gecorrigeerd.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 07-00585</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Hoger beroep</description><contributor lang="nl">Rechter(s): Zwemmer, Lamens, Van der Wiel-Rammeloo</contributor><issued>2009-01-30</issued><reference type="ECLI" relation="followedBy" lang="nl">ECLI:NL:HR:2010:BM3326</reference></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:GHSHE:2008:BH0217</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2008:BH0217</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:GHSHE:2008:BH0217"><country>NL</country><court>GHSHE</court></isVersionOf><creator lang="nl">Gerechtshof 's-Hertogenbosch</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2008-10-03</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Belastingrecht</subject><abstract lang="nl">Belanghebbende, een autoherstelbedrijf, heeft in 2000 geïnvesteerd in een tweetal spuitcabines. Senter heeft geconcludeerd dat de spuitcabines niet voldeden aan de Milieulijst 2000, omdat de spuitcabines niet uitsluitend worden gebruikt voor het opbrengen van waterafdunbare verf. De inspecteur heeft de door belanghebbende geclaimde VAMIL-afschrijving en energie-investeringsaftrek gecorrigeerd. Tussen partijen staat vast dat de spuitcabines naar de letterlijke tekst van code 2036 van de Milieulijst niet kwalificeren voor de willekeurige afschrijving. De stelling van belanghebbende dat de code 2036 naar zijn strekking en naar redelijkheid moet worden uitgelegd, wordt door het hof verworpen. Met de lijst is beoogd een gedetailleerde en exacte omschrijving te geven van de bedrijfsmiddelen waarvoor de VAMIL-faciliteit wordt verstrekt. Belanghebbendes beroep op de meerderheidsregel faalt: in 21 gelijke gevallen is 8 keer een positief besluit en 13 keer een afwijzend besluit gegeven.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 06/00432</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Hoger beroep</description><contributor lang="nl">Rechter(s): Koopman; Beelen, van; Soelen, van</contributor><issued>2009-01-19</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:HR:2009:BJ1980</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2009:BJ1980</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:HR:2009:BJ1980"><country>NL</country><court>HR</court></isVersionOf><creator lang="nl">Hoge Raad</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2009-07-10</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Belastingrecht</subject><abstract lang="nl">Art. 26 Besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden volksverzekeringen 1999. Art. 6 Besluit 3/80 van de Associatieraad van 19 september 1980, betreffende de toepassing van de socialezekerheidsregelingen van de Lid-Staten der Europese Gemeenschappen op Turkse werknemers en hun gezinsleden. Associatieverdrag tussen de EEG en Turkije nr. 64/733/EEG van 23 december 1963. Ingezetene van Turkije. Nabestaandenuitkering. Beëindiging van verplichte verzekering voor Nederlandse volksverzekeringen voor niet-ingezetenen met ingang van 1 januari 2000 is niet in strijd met regels van internationaal en supranationaal recht.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 08/00891</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Cassatie</description><contributor lang="nl">Rechter(s): mr. Tijnagel, mr. Schaap, mr. Van den Berge, mr. Heisterkamp, mr. Feteris</contributor><issued>2009-07-10</issued><reference relation="citing" lang="nl">Besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden volksverzekeringen 1999</reference><reference relation="citing" lang="nl">Besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden volksverzekeringen 1999 26</reference><reference type="ECLI" relation="precededBy" lang="nl">ECLI:NL:CRVB:2008:BH5599</reference></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:HR:2016:1432</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2016:1432</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:HR:2016:1432"><country>NL</country><court>HR</court></isVersionOf><creator lang="nl">Hoge Raad</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2016-07-08</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Belastingrecht</subject><abstract lang="nl">HR: 81.1 RO.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 16/00962</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Artikel 81 RO-zaken, Cassatie</description><contributor lang="nl">Rechter(s): Mrs. C. Schaap, Th. Groeneveld en M.E. van Hilten</contributor><issued>2016-07-08</issued><reference type="ECLI" relation="precededBy" lang="nl">ECLI:NL:GHARL:2016:88</reference></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:HR:2016:1918</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2016:1918</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:HR:2016:1918"><country>NL</country><court>HR</court></isVersionOf><creator lang="nl">Hoge Raad</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2016-08-12</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Belastingrecht</subject><abstract lang="nl">HR: art. 81.1 RO.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 15/05553</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Artikel 81 RO-zaken, Cassatie</description><contributor lang="nl">Rechter(s): Mrs. C. Schaap, Th. Groeneveld en M.E. van Hilten</contributor><issued>2016-08-12</issued><reference type="ECLI" relation="precededBy" lang="nl">ECLI:NL:GHDHA:2015:2996</reference></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:HR:2016:1920</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2016:1920</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:HR:2016:1920"><country>NL</country><court>HR</court></isVersionOf><creator lang="nl">Hoge Raad</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2016-08-12</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Belastingrecht</subject><abstract lang="nl">HR: art. 81.1 RO.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 15/05594</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Artikel 81 RO-zaken, Cassatie</description><contributor lang="nl">Rechter(s): Mrs. C. Schaap, Th. Groeneveld en M.E. van Hilten</contributor><issued>2016-08-12</issued><reference type="ECLI" relation="precededBy" lang="nl">ECLI:NL:RBROT:2015:8599</reference></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:HR:2016:1919</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2016:1919</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:HR:2016:1919"><country>NL</country><court>HR</court></isVersionOf><creator lang="nl">Hoge Raad</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2016-08-12</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Belastingrecht</subject><abstract lang="nl">HR: art. 81.1 RO.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 15/05555</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Artikel 81 RO-zaken, Cassatie</description><issued>2016-08-12</issued><reference type="ECLI" relation="precededBy" lang="nl">ECLI:NL:GHDHA:2015:2997</reference><reference type="ECLI" relation="precededBy" lang="nl">ECLI:NL:RBROT:2014:8864</reference></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:HR:1994:AA2970</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:1994:AA2970</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:HR:1994:AA2970"><country>NL</country><court>HR</court></isVersionOf><creator lang="nl">Hoge Raad</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>1994-09-21</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Belastingrecht</subject><abstract lang="nl">-</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 29906</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Cassatie</description><contributor lang="nl">Rechter(s): Jansen, R.J.J.; Bellaart; Moor, de; Jansen, C.H.M.; Putt-Lauwers, van der</contributor><issued>2001-07-04</issued><reference relation="citing" lang="nl">Wet op de omzetbelasting 1968 50 (oud)</reference></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:PHR:2008:AZ6924</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2008:AZ6924</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:PHR:2008:AZ6924"><country>NL</country><court>PHR</court></isVersionOf><creator lang="nl">Parket bij de Hoge Raad</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2008-01-18</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Conclusie</type><subject lang="nl">Belastingrecht</subject><abstract lang="nl">Artikel 24, lid 2, Successiewet 1956. Gemeenschappelijke huishouding. Opname in verzorgingshuis.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 43181</description><issued>2008-01-18</issued><reference type="ECLI" relation="precededBy" lang="nl">ECLI:NL:GHARN:2006:AV6380</reference><reference type="ECLI" relation="followedBy" lang="nl">ECLI:NL:HR:2008:AZ6924</reference></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:HR:2008:AZ6924</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2008:AZ6924</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:HR:2008:AZ6924"><country>NL</country><court>HR</court></isVersionOf><creator lang="nl">Hoge Raad</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2008-01-18</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Belastingrecht</subject><abstract lang="nl">Artikel 24, lid 2, Successiewet 1956. Gemeenschappelijke huishouding. Opname in verzorgingshuis.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 43181</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Cassatie</description><contributor lang="nl">Rechter(s): Mrs. J.W. van den Berge, L. Monné, C.J.J. van Maanen, C. Schaap, J.W.M. Tijnagel</contributor><issued>2008-01-18</issued><reference type="ECLI" relation="precededBy" lang="nl">ECLI:NL:PHR:2008:AZ6924</reference><reference type="ECLI" relation="precededBy" lang="nl">ECLI:NL:GHARN:2006:AV6380</reference></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RBROT:2008:BD4467</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2008:BD4467</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RBROT:2008:BD4467"><country>NL</country><court>RBROT</court></isVersionOf><creator lang="nl">Rechtbank Rotterdam</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2008-06-12</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Burgerlijk recht</subject><abstract lang="nl">onderzoek als bedoeld in artikel 8 van de Wet op de internationale bijstandsverlening bij de heffing van belastingen (WIB), onder meer door bepaalde door de Inspecteur verzochte stukken beschikbaar te stellen, op straffe van verbeurte van een dwangsom. De Inspecteur van de Belastingdienst heeft het onderzoek in augustus 2006 (en later opnieuw, in februari 2008) aangekondigd. Nova heeft diverse (bestuursrechtelijke) procedures aanhangig gemaakt die als inzet hebben de rechtmatigheid van de (eerste) aankondiging en van het onderzoek te toetsen vóór het onderzoek zal worden gedaan. Uitzonderlijk is dat op grond van deze procedures de (formele) wetgever de wet met ingang van 1 januari 2008 heeft aangepast in de zin dat geen beroep kan worden ingesteld tegen de aankondiging en tegen het onderzoek. Deze wetswijziging heeft geen terugwerkende kracht. De wet zoals die voordien luidde had echter dezelfde strekking. Uit de kamerstukken blijkt immers, dat het ook vóór de wetswijziging de bedoeling van de wetgever is geweest dat voorafgaand aan een onderzoek geen bezwaar en beroep mogelijk zou zijn en dat rechtsbescherming alleen achteraf kan plaatsvinden. Het is voorshands dan ook niet aannemelijk te achten dat uit de aanhangige procedures zal volgen dat eerst de rechtmatigheid van de -niet geschorste- aankondiging van augustus 2006 en van (de omvang van) het onderzoek zelf moet komen vast te staan alvorens Nova mee moet werken aan het thans gevorderde onderzoek. Het voorgaande brengt mee dat hetgeen Nova als verweer heeft aangevoerd over de rechtmatigheid van de aankondiging en van het onderzoek zelf (onder meer: wat staat er in het verzoek van de verzoekende autoriteit; betreft het een EU staat; gaat het om heffing of invordering; is er een verdragsverplichting; geldt het convenant van de banken; heeft de Minister (cq de Staatssecretaris) in redelijkheid tot het onderzoek kunnen besluiten; hoe ver mag het onderzoek gaan; welke stukken mogen ter inzage worden gevraagd; is de aankondiging van het onderzoek rechtsgeldig enz) bij de beoordeling van de onderhavige vordering buiten beschouwing moet blijven. Pas na het onderzoek kan een en ander mogelijk getoetst worden op de wijze zoals voorzien in de WIB; in geen geval daarvoor. De vordering wordt toegewezen.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 75223 / KG ZA 08-85</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Kort geding</description><contributor lang="nl">Rechter(s): Halk</contributor><issued>2008-06-20</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:HR:2008:BC6455</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2008:BC6455</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:HR:2008:BC6455"><country>NL</country><court>HR</court></isVersionOf><creator lang="nl">Hoge Raad</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2008-05-16</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Belastingrecht</subject><abstract lang="nl">Art. 8 Wet op de internationale bijstandsverlening bij de heffing van belastingen (tekst tot en met 2007). Art. 26 Algemene wet inzake rijksbelastingen. Bevoegdheid belastingrechter.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 07/12856</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Cassatie</description><contributor lang="nl">Rechter(s): Vliet, van; Amersfoort, van; Lourens; Punt; Overgaauw</contributor><issued>2008-05-16</issued><reference type="ECLI" relation="precededBy" lang="nl">ECLI:NL:PHR:2008:BC6455</reference><reference type="ECLI" relation="precededBy" lang="nl">ECLI:NL:GHSGR:2007:BB4858</reference></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:PHR:2008:BC6455</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2008:BC6455</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:PHR:2008:BC6455"><country>NL</country><court>PHR</court></isVersionOf><creator lang="nl">Parket bij de Hoge Raad</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2008-05-16</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Conclusie</type><subject lang="nl">Belastingrecht</subject><abstract lang="nl">Art. 8 Wet op de internationale bijstandsverlening bij de heffing van belastingen (tekst tot en met 2007). Art. 26 Algemene wet inzake rijksbelastingen. Bevoegdheid belastingrechter.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 07/12856</description><issued>2008-05-16</issued><reference type="ECLI" relation="precededBy" lang="nl">ECLI:NL:GHSGR:2007:BB4858</reference><reference type="ECLI" relation="followedBy" lang="nl">ECLI:NL:HR:2008:BC6455</reference></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:HR:1998:AA2393</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:1998:AA2393</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:HR:1998:AA2393"><country>NL</country><court>HR</court></isVersionOf><creator lang="nl">Hoge Raad</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>1998-01-28</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Belastingrecht</subject><abstract lang="nl">-</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 32836</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Cassatie</description><contributor lang="nl">Rechter(s): mrs Stoffer, Fleers, Pos, Beukenhorst, Monné</contributor><issued>2001-07-04</issued><reference relation="citing" lang="nl">Successiewet 1956 24</reference></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RBAMS:2026:9683</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:9683</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RBAMS:2026:9683"><country>NL</country><court>RBAMS</court></isVersionOf><creator lang="nl">Rechtbank Amsterdam</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-09-21</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Burgerlijk recht</subject><abstract lang="nl">Eiser 2 is eigenaar van een pand in Amsterdam. In het pand is een ATM geplaatst. Eisers vorderen kort gezegd dat gedaagden de ATM moeten verwijderen. Die vordering wordt afgewezen t.a.v. gedaagden 1 en 2 bij gebrek aan een spoedeisend belang. De vordering wordt toegewezen t.a.v. gedaagde 3, die niet is verschenen en tegen wie verstek is verleend. Nu een deel van de gedaagden wel is verschenen geldt dat dit vonnis ook t.a.v. gedaagde 3 als op tegenspraak gewezen wordt beschouwd (artikel 140 lid 3 Rv).</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: C/13/790131 / KG ZA 26-565</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Eerste aanleg - enkelvoudig, Kort geding, Proceskostenveroordeling, Op tegenspraak</description><issued>2026-09-30</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RBAMS:2026:9687</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:9687</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RBAMS:2026:9687"><country>NL</country><court>RBAMS</court></isVersionOf><creator lang="nl">Rechtbank Amsterdam</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-09-17</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Burgerlijk recht</subject><abstract lang="nl">Mondeling vonnis - WAM-verzekering - geschil over de vraag of eiser één van de inzittenden was van de auto die door een verzekerde is aangereden - verklaring voor recht toegewezen</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: C/13/780656 / HA ZA 25-1845</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Eerste aanleg - enkelvoudig, Mondelinge uitspraak, Proceskostenveroordeling, Proces-verbaal</description><issued>2026-09-30</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RBNHO:2026:8613</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2026:8613</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RBNHO:2026:8613"><country>NL</country><court>RBNHO</court></isVersionOf><creator lang="nl">Rechtbank Noord-Holland</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-07-13</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Sociale-zekerheidsrecht</subject><abstract lang="nl">Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiseres om bijzondere bijstand op grond van de Participatiewet (PW) voor medicinale cannabis. Eiseres is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college de bijzondere bijstand op de juiste gronden heeft afgewezen. Eiseres krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: HAA 26/1253</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Eerste aanleg - enkelvoudig</description><contributor lang="nl">Rechter(s): L.M. Kos</contributor><issued>2026-09-30</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RVS:2026:5808</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2026:5808</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RVS:2026:5808"><country>NL</country><court>RVS</court></isVersionOf><creator lang="nl">Raad van State</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-09-30</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Bestuursrecht</subject><abstract lang="nl">Bij tussenuitspraak van 7 mei 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2090 heeft de Afdeling de raad van de gemeente Twenterand opgedragen om binnen 24 weken na verzending van de tussenuitspraak de daarin omschreven gebreken in het besluit van 15 februari 2022 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Buitengebied Twenterand PH [locatie 1], [locatie 2] en [locatie 3]" te herstellen. In de tussenuitspraak heeft de Afdeling het beroep van Manege De Lourenshoeve B.V. tegen het besluit van 15 februari 2022 tot vaststelling van het bestemmingsplan behandeld. Manege De Lourenshoeve B.V. is eigenaresse van de bedrijfswoning aan de Flierdijk 1 en de recreatiewoningen aan de Flierdijk 3 in Den Ham. Zij vreest dat de activiteiten die het bestemmingsplan bij de manage aan het [locatie 3] en de (recreatieve) activiteiten op het perceel [locatie 1] mogelijk maken, leiden tot een aantasting van het verblijfsklimaat in en bij deze (recreatie)woningen. Naar aanleiding van dit beroep heeft de Afdeling een aantal gebreken in dit besluit geconstateerd.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 202201981/2/R3</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Eerste aanleg - meervoudig</description><issued>2026-09-30</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RVS:2026:5774</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2026:5774</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RVS:2026:5774"><country>NL</country><court>RVS</court></isVersionOf><creator lang="nl">Raad van State</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-09-30</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Bestuursrecht</subject><abstract lang="nl">Bij uitspraak, deels tussenuitspraak, van 22 april 2026 (ECLI:NL:RVS:2026:2282) heeft de Afdeling de raad van de gemeente Emmen opgedragen om binnen 16 weken na verzending van die uitspraak het daarin genoemde gebrek in het op 24 oktober 2024 vastgestelde bestemmingsplan "Emmen, Delftlanden 3.0" te herstellen. In de uitspraak van 22 april 2026 heeft de Afdeling de raad opgedragen om binnen 16 weken na verzending van die uitspraak, alsnog deugdelijk te motiveren dat de waterbergingscapaciteit in het plangebied toereikend is om de toename aan hemelwater op te vangen. Als dit nodig is met het oog op een goede ruimtelijke ordening, moet de raad alsnog een regel in het plan opnemen waarin de aansluiting van de compartimentskering op maaiveldhoogte wordt verzekerd.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 202500369/3/R3</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Eerste aanleg - meervoudig</description><issued>2026-09-30</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RVS:2026:5779</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2026:5779</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RVS:2026:5779"><country>NL</country><court>RVS</court></isVersionOf><creator lang="nl">Raad van State</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-09-30</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Bestuursrecht</subject><abstract lang="nl">Bij besluit van 8 december 2020 heeft het college van burgemeester en wethouders van Ooststellingwerf MSV de Prikkedam (MSV de Prikkedam) gelast om het in artikel 5.4.2 van de planregels van het bestemmingsplan "motorcrossterrein “De Prikkedam" toegestane maximale geluidsniveau tijdens trainingen niet te overschrijden. MSV de Prikkedam is de gebruiker van het motorcrossterrein “De Prikkedam aan de Prikkedam 1A. Op het terrein ligt een motorcrosscircuit dat wordt gebruikt voor wedstrijden en voor trainingen. [appellant A] woont aan de [locatie] ten zuidoosten van het motorcrossterrein. Hij heeft het college op 8 januari 2015 verzocht om handhavend op te treden in verband met onder meer geluidhinder. Het college heeft dat verzoek toegewezen en heeft MSV de Prikkedam op 8 november 2016 en op 7 mei 2019 lasten onder dwangsom opgelegd in verband met de overtreding van geluidsvoorschrift F3 in de aan MSV de Prikkedam in 2001 verleende milieuvergunning voor het oprichten en in werking hebben van het motorcrossterrein. Op 7 oktober 2019 heeft de raad van Ooststellingwerf het bestemmingsplan "motorcrossterrein “De Prikkedam" vastgesteld. In artikel 5.4.2 van de planregels zijn geluidsnormen opgenomen. Het college heeft tijdens een training op 8 maart 2020 een overschrijding van het maximale geluidsniveau geconstateerd. Daarom heeft het college op 17 maart 2020 aan MSV de Prikkedam een vervangende last onder dwangsom opgelegd.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 202304495/1/R3</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Hoger beroep</description><issued>2026-09-30</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RVS:2026:5809</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2026:5809</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RVS:2026:5809"><country>NL</country><court>RVS</court></isVersionOf><creator lang="nl">Raad van State</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-09-30</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Bestuursrecht</subject><abstract lang="nl">Bij besluit van 15 juni 2023 heeft de korpschef van politie het verzoek van [appellant] om inzage in zijn persoonsgegevens gedeeltelijk toegewezen op grond van de Wet politiegegevens (Wpg).</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 202406185/1/A3</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Hoger beroep</description><issued>2026-09-30</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RVS:2026:5777</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2026:5777</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RVS:2026:5777"><country>NL</country><court>RVS</court></isVersionOf><creator lang="nl">Raad van State</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-09-30</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Bestuursrecht</subject><abstract lang="nl">Bij besluit van 22 februari 2021 heeft de burgemeester van Breda de op 26 oktober 2015 aan Sumo Breda 2 B.V. verleende Drank- en horecawetvergunning ingetrokken. De burgemeester heeft op 26 oktober 2015 aan OMUS een Drank- en horecawetvergunning verleend voor de exploitatie van het restaurant Sumo Oriental Japanese &amp;amp; Asian dining in het pand aan de Nieuwe Ginnekenstraat 7 in Breda. Deze vergunning heeft met ingang van 1 juli 2021 te gelden als een vergunning op grond van de Alcoholwet. Op 5 juli 2018 hebben [persoon A] en [persoon B] hun aandelen in OMUS overgedragen aan hun medeaandeelhouders en een medewerker van OMUS. De burgemeester heeft op 9 juli 2018 aan OMUS laten weten dat hij een onderzoek op grond van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (Wet Bibob) gaat starten. De aanleiding voor dit onderzoek is een FIOD-inval bij OMUS in 2014 en mediaberichten over Bibob-onderzoeken naar Sumo-restaurants in andere gemeenten in 2018. De burgemeester heeft op 10 mei 2019 het Landelijk Bureau Bibob (het LBB) om advies gevraagd over een mogelijk zakelijk samenwerkingsverband tussen OMUS enerzijds en [persoon A], [persoon B] en het Sumo-concern anderzijds.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 202207221/1/A2</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Hoger beroep</description><issued>2026-09-30</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RVS:2026:5782</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2026:5782</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RVS:2026:5782"><country>NL</country><court>RVS</court></isVersionOf><creator lang="nl">Raad van State</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-09-30</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Bestuursrecht</subject><abstract lang="nl">In het besluit van 17 juni 2024 heeft de raad van de gemeente Kaag en Braassem het bestemmingsplan "[locatie 1] en [locatie 2] [locatie 4]" vastgesteld. Het bestemmingsplan voorziet in de bouw van drie recreatiewoningen achter de percelen [locatie 1], [locatie 2] en [locatie 3] in [locatie 4]. [appellanten] is eigenaar van de woning aan het perceel [locatie 3]. Hij vreest voor aantasting van zijn woon- en leefklimaat. Het college stelt dat het plan niet in overeenstemming is met het provinciaal beleid en provinciale regelgeving. [partij A] en [partij B] zijn de initiatiefnemers van de ontwikkeling. Beiden wonen naast het plangebied. Het college betoogt dat het bestemmingsplan niet in overeenstemming is met de instructieregels voor ruimtelijke kwaliteit uit de Omgevingsverordening.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 202404623/1/R3</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Tussenuitspraak bestuurlijke lus</description><issued>2026-09-30</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RVS:2026:5783</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2026:5783</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RVS:2026:5783"><country>NL</country><court>RVS</court></isVersionOf><creator lang="nl">Raad van State</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-09-30</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Bestuursrecht</subject><abstract lang="nl">Bij twee afzonderlijke besluiten van 19 augustus 2021 (besluit 1, kenmerk 2021.108 en besluit 2, kenmerk 2021.109) heeft Erasmus MC twee verzoeken op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob) van [appellant] gedeeltelijk afgewezen. Op 15 februari 2021 heeft [appellant] op grond van de Wob aan Erasmus MC twee afzonderlijke verzoeken gedaan. Het eerste verzoek (verzoek 1) gaat over documenten die betrekking hebben op onderzoeksvoorstellen, protocollen en verslagen van experimenten gedaan met apen over de periode van 1 januari 2011 tot en met de dag van het verzoek. Het tweede verzoek (verzoek 2) gaat over documenten met betrekking tot de statussen van non-humane primaten die door Erasmus MC als proefdier zijn gehouden. Het gaat daarbij om de aantekeningen als bedoeld in artikel 10 van het Dierproevenbesluit 1985 en artikel 8 van de Dierproevenregeling 2014. Daarbij is van belang dat de informatie is te herleiden tot afzonderlijke apen. Deze stukken worden omschreven als een levensloopdossier, aldus [appellant].</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 202304544/1/A3</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Hoger beroep</description><issued>2026-09-30</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RVS:2026:5780</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2026:5780</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RVS:2026:5780"><country>NL</country><court>RVS</court></isVersionOf><creator lang="nl">Raad van State</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-09-30</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Bestuursrecht</subject><abstract lang="nl">Bij besluit van 27 januari 2022 heeft het college van burgemeester en wethouders van De Fryske Marren geweigerd om aan Inbeva een omgevingsvergunning te verlenen voor een verbouwing van een gedeelte van het gebouw aan de [locatie] in Lemmer ten behoeve van een gezamenlijke woonfunctie. Inbeva is eigenaar van het bedrijfsgebouw aan de [locatie] in Lemmer en van het daarnaast gelegen hallencomplex langs de Klaaskamp. Het bedrijfsgebouw en het hallencomplex staan op een bedrijventerrein. In het bedrijfsgebouw bevond zich een inpandige bedrijfswoning. Inbeva wil in dit deel van het bedrijfsgebouw in plaats van de bedrijfswoning 16 woonunits realiseren voor arbeidsmigranten die werkzaam zijn in het bedrijfsgebouw en het hallencomplex. Het college heeft de gevraagde omgevingsvergunning geweigerd omdat dit volgens hem in strijd met het bestemmingsplan is. Het wil niet meewerken aan een afwijking van het bestemmingsplan, omdat het een woonfunctie op het bedrijventerrein, anders dan een bedrijfswoning, in strijd met een goede ruimtelijke ordening acht. Volgens het college kan een goed woon- en leefklimaat hier niet worden gegarandeerd en kunnen omliggende bedrijven door een woonfunctie in hun mogelijkheden worden beperkt.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 202307022/1/R3</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Hoger beroep</description><issued>2026-09-30</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RVS:2026:5801</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2026:5801</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RVS:2026:5801"><country>NL</country><court>RVS</court></isVersionOf><creator lang="nl">Raad van State</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-09-30</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Bestuursrecht</subject><abstract lang="nl">Bij tussenuitspraak van 4 februari 2026, ECLI:NL:RVS:2026:608, heeft de Afdeling de raad van de gemeente Epe opgedragen om binnen 26 weken na de verzending van deze tussenuitspraak de gebreken in het besluit van 27 januari 2022 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Buitengebied Epe, Herstelplan 2020" te herstellen. De Afdeling heeft in de tussenuitspraak de raad opgedragen om het perceel van [appellant sub 3A] en [appellant sub 3B] aan de [locatie 1] alsnog op te nemen in het plangebied en de vergunde afmetingen van de recreatiewoning van [appellant sub 3A] en [appellant sub 3B] op te nemen in het plan, de bestaande legale woning van [appellant sub 1] aan de [locatie 2] alsnog positief als woning te bestemmen, alsnog de vergunde afmetingen van de woning en het bijgebouw van [appellant sub 1] op te nemen in het plan en het gebruik van de voormalige boerderij van [appellant sub 2] aan de [locatie 3] door twee huishoudens in het plan mogelijk te maken.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 202201577/2/R4</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Eerste aanleg - enkelvoudig</description><issued>2026-09-30</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RVS:2026:5803</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2026:5803</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RVS:2026:5803"><country>NL</country><court>RVS</court></isVersionOf><creator lang="nl">Raad van State</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-09-30</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Bestuursrecht</subject><abstract lang="nl">Bij uitspraak onderscheidenlijk tussenuitspraak van 19 november 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5623, heeft de Afdeling de raad van de gemeente Schiermonnikoog opgedragen om binnen 26 weken na verzending van die uitspraak de daarin genoemde gebreken in het besluit van 16 juli 2024 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Verbrede reikwijdte Schiermonnikoog - Dorp" te herstellen. Bij besluit van 15 februari 2022 heeft de raad het bestemmingsplan "Verbrede reikwijdte Schiermonnikoog - Dorp" voor het eerst vastgesteld. Terwijl daartegen beroep was ingesteld bij de Afdeling, heeft de raad op 16 juli 2024 het bestemmingsplan "Verbrede reikwijdte Schiermonnikoog - Dorp" opnieuw gewijzigd vastgesteld. Onder 9.10.1, 10.4.2, 11.4, 15.5 en 21.2 van de tussenuitspraak heeft de Afdeling verschillende gebreken geconstateerd in het besluit van 16 juli 2024. In de tussenuitspraak heeft de Afdeling de raad opgedragen deze gebreken te herstellen. Naar aanleiding van de tussenuitspraak heeft de raad het bestemmingsplan "Verbrede reikwijdte Schiermonnikoog - Dorp" bij besluit van 21 april 2026 opnieuw gewijzigd vastgesteld.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 202201923/6/R3</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Eerste aanleg - meervoudig</description><issued>2026-09-30</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RVS:2026:5812</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2026:5812</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RVS:2026:5812"><country>NL</country><court>RVS</court></isVersionOf><creator lang="nl">Raad van State</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-09-30</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Bestuursrecht</subject><abstract lang="nl">Bij tussenuitspraak van 20 november 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4723 (hierna: de tussenuitspraak), heeft de Afdeling het college van burgemeester en wethouders van Nijmegen opgedragen om binnen 16 weken na verzending van de tussenuitspraak de daarin geconstateerde gebreken in de besluiten van 17 juni 2019 te herstellen. Bij die besluiten is beslist op de bezwaren van [appellant sub 1], [appellanten sub 2] en aan Stichting Conexus een last onder dwangsom opgelegd, zoals gewijzigd bij de besluiten van 23 maart 2021 en 21 april 2021. [appellant sub 1], [appellanten sub 2] wonen in het appartementencomplex Parc Margriet 9 aan de Dr. Claas Noorduijnstraat in Nijmegen. Het appartementencomplex grenst aan een speelterrein dat hoort bij basisschool De Buut. Conexus is het schoolbestuur van De Buut. Bij het speelterrein horen onder andere een pannaveldje en speeltoestellen. Het speelterrein is ook buiten schooluren toegankelijk. [appellant sub 1], [appellanten sub 2] ervaren veel geluidsoverlast van het gebruik van het speelterrein, met name van het gebruik van het pannaveldje. Onder andere [appellant sub 2A] heeft daarom het college verzocht om hiertegen handhavend op te treden.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 202105812/2/R4</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Hoger beroep</description><issued>2026-09-30</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RVS:2026:5601</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2026:5601</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RVS:2026:5601"><country>NL</country><court>RVS</court></isVersionOf><creator lang="nl">Raad van State</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-09-30</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Bestuursrecht</subject><abstract lang="nl">Bij besluit van 17 maart 2020 heeft het college van burgemeester en wethouders van Ooststellingwerf MSV de Prikkedam onder oplegging van een dwangsom gelast om het in artikel 5.4.2 van het bestemmingsplan "motorcrossterrein De Prikkedam" toegestane maximale geluidsniveau tijdens trainingen niet te overschrijden. MSV de Prikkedam is de gebruiker van het motorcrossterrein "De Prikkedam" aan de Prikkedam 1A in Makkinga. Op het terrein ligt een motorcrosscircuit dat wordt gebruikt voor wedstrijden en voor trainingen. [partij A] en [partij B] wonen aan de [locatie] ten zuidoosten van het motorcrossterrein. Zij hebben het college op 8 januari 2015 verzocht om handhavend op te treden tegen onder meer geluidhinder. Het college heeft dit verzoek toegewezen en heeft MSV de Prikkedam op 8 november 2016 en op 7 mei 2019 lasten onder dwangsom opgelegd wegens de overtreding van geluidsvoorschrift F3 in de aan MSV de Prikkedam in 2001 verleende milieuvergunning voor het motorcrossterrein. Bij besluiten van 27 oktober 2020 heeft het college besloten tot invordering van twee volgens hem verbeurde dwangsommen van elk € 4.000,00. MSV de Prikkedam is het daarmee niet eens.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 202304401/1/R3</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Hoger beroep</description><issued>2026-09-30</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RVS:2026:5772</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2026:5772</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RVS:2026:5772"><country>NL</country><court>RVS</court></isVersionOf><creator lang="nl">Raad van State</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-09-30</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Bestuursrecht</subject><abstract lang="nl">Bij besluit van 5 april 2022 heeft de minister van Justitie en Veiligheid een verzoek van [appellant] op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob) deels ingewilligd. Op 14 september 2021 heeft [appellant] de minister verzocht om openbaarmaking van alle informatie over de extreemrechtse accounts waar de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid (NCTV) in het document ‘Dreigingsbeeld Terrorisme Nederland 54’ (DTN 54) naar verwijst. Daarnaast heeft [appellant] de minister verzocht om openbaarmaking van alle correspondentie die de schriftelijke beantwoording van de Kamervragen over ‘Vizier op Links’ mogelijk heeft gemaakt. Het gaat [appellant] om alle informatie hierover die onder de minister aanwezig is vanaf 1 mei 2020 tot de datum van het verzoek.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 202401157/1/A3</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Hoger beroep</description><issued>2026-09-30</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RVS:2026:5805</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2026:5805</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RVS:2026:5805"><country>NL</country><court>RVS</court></isVersionOf><creator lang="nl">Raad van State</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-09-30</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Bestuursrecht</subject><abstract lang="nl">Bij besluit van 5 juli 2022 heeft het college van burgemeester en wethouders van Stichtse Vecht een omgevingsvergunning verleend aan [partij] voor het bouwen van een recreatiewoning op het perceel, kadastraal bekend als gemeente Breukelen, sectie [...], nummer [...], plaatselijk bekend als [locatie] in Breukelen. De aanvraag van 20 januari 2017 is gedaan voor het bouwen van een recreatiewoning op het perceel. Op het perceel gelden de bestemmingsplannen "Landelijk Gebied West" en "Landelijk Gebied West, 1e herziening" (het bestemmingsplan). Het bouwplan is in strijd met het bestemmingsplan, omdat de recreatiewoning gedeeltelijk buiten de functieaanduiding ‘recreatiewoning’ is voorzien. Ook voldoet het bouwplan niet aan de bouwregels van het bestemmingsplan. [appellant] en anderen wonen in de directe omgeving van het perceel.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 202305762/1/R4</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Hoger beroep</description><issued>2026-09-30</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RVS:2026:5773</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2026:5773</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RVS:2026:5773"><country>NL</country><court>RVS</court></isVersionOf><creator lang="nl">Raad van State</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-09-30</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Bestuursrecht</subject><abstract lang="nl">Bij besluit van 29 oktober 2024 heeft de staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat op verzoek van het college van burgemeester en wethouders van Vught de geluidproductieplafonds op 30 referentiepunten langs het spoortraject Vught - ’s-Hertogenbosch verlaagd. In 2021 hebben het ministerie, de provincie Noord-Brabant en de gemeente Vught de bestuursovereenkomst "PHS Vught 2021" gesloten. Daarin is vastgelegd dat in aanvulling op het tracébesluit "Programma Hoogfrequent Spoorvervoer Meteren-Boxtel" (het tracébesluit) in Vught-Noord extra geluidbeperkende maatregelen worden getroffen aan en langs het spoor. Er worden raildempers aangebracht en de geluidschermen die in het tracébesluit zijn opgenomen worden verhoogd en verlengd. Met die maatregelen wordt de geluidsbelasting op bestaande geluidgevoelige bestemmingen zoals woningen verlaagd tot ten hoogste 60 dB. Naast de in de bestuursovereenkomst opgenomen aanvullende maatregelen heeft de gemeente Vught met ProRail afgesproken dat ter hoogte van het Isabellaveld een extra geluidscherm wordt geplaatst. Het college heeft de staatssecretaris gevraagd om de "60 dB-maatregelen" en het extra geluidscherm op te nemen in het geluidregister en de geluidproductieplafonds met het effect van deze maatregelen te verlagen.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 202407555/1/R4</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Eerste aanleg - enkelvoudig</description><issued>2026-09-30</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RVS:2026:5793</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2026:5793</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RVS:2026:5793"><country>NL</country><court>RVS</court></isVersionOf><creator lang="nl">Raad van State</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-09-30</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Bestuursrecht</subject><abstract lang="nl">Bij besluiten van 5 februari 2021 heeft de minister van Financiën het verzoek van [appellant A] en [appellant B] op grond van artikel 15 van de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG) om inzage in hun persoonsgegevens toegewezen voor zover het gaat om gegevens die zijn verwerkt in de Fraude Signalering Voorziening (FSV). De minister heeft het verzoek afgewezen voor zover het betrekking heeft op gegevens die zijn verwerkt in andere gegevensbestanden, applicaties en systemen dan de FSV. Naar aanleiding van de berichtgeving over de FSV van de Belastingdienst hebben [appellant A] en [appellant B] de minister gevraagd of hun gegevens voorkomen op ‘zwarte lijsten’. Zij vermoeden dat er sprake is van een dergelijke registratie, omdat de Belastingdienst hen zonder nadere motivering heeft laten weten dat er in hun geval geen ruimte is voor het sluiten van een vaststellingsovereenkomst. [appellant A] en [appellant B] hebben toegelicht dat hun verzoek betrekking heeft op ‘zwarte lijsten’ in de ruimste zin van het woord; lijsten die op verschillende wijze kunnen zijn vormgegeven en die - in strijd met de privacywetgeving - al dan niet als doel hebben fraude op te sporen of andere door de Belastingdienst ongewenste constructies.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 202300231/1/A3</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Hoger beroep</description><issued>2026-09-30</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RVS:2026:5804</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2026:5804</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RVS:2026:5804"><country>NL</country><court>RVS</court></isVersionOf><creator lang="nl">Raad van State</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-09-30</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Bestuursrecht</subject><abstract lang="nl">Bij besluit van 19 juli 2022 heeft de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap een verzoek van [appellant sub 1] om openbaarmaking van informatie op grond van de Wet open overheid (Woo) afgewezen. [appellant sub 1] heeft op 24 juni 2022 een verzoek gedaan op grond van de Woo. Het verzoek ziet op de openbaarmaking van de inventarislijst en de ‘Verklaring van Overbrenging’ bij de archieven van de persoonsdossiers van de voormalige Centrale Veiligheidsdienst (CVD) en Binnenlandse Veiligheidsdienst (BVD) over de jaren 1946-1998. De minister heeft de gevraagde informatie op 19 juli 2022 gedeeltelijk openbaar gemaakt. De minister heeft in dit besluit toegelicht dat de overbrenging van het archief op dat moment nog niet was afgerond. Om die reden kon de minister op dat moment nog geen geanonimiseerde versie van de inventarislijst verstrekken. De minister heeft in plaats daarvan een concept van de inventarislijst openbaar gemaakt, met uitzondering van de beschrijving van de persoonsdossiers en persoonsgegevens.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 202405005/1/A3</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Hoger beroep</description><issued>2026-09-30</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RVS:2026:5807</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2026:5807</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RVS:2026:5807"><country>NL</country><court>RVS</court></isVersionOf><creator lang="nl">Raad van State</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-09-30</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Bestuursrecht</subject><abstract lang="nl">In het besluit van 24 november 2022 heeft het college van burgemeesters en wethouders van Groningen [appellante] gelast de strijdigheid met artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) op het perceel [locatie 1] in Groningen op te heffen. [appellante] woont aan de [locatie 1] in Groningen. Op 10 februari 2022 is naar aanleiding van een klacht uit de buurt een inspectie uitgevoerd door de afdeling vergunningverlening, toezicht en handhaving van de gemeente Groningen. Tijdens deze controle is geconstateerd dat [appellante] een schutting met overkapping (het bouwwerk) heeft geplaatst tussen haar woning en [locatie 2] zonder omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a van de Wabo. In het besluit van 24 november 2022 heeft het college [appellante] gelast om de overtreding vóór 1 maart 2023 te beëindigen, onder oplegging van een dwangsom van € 500,00 per geconstateerde overtreding met een maximum van € 2.500,00.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 202403855/1/R3</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Hoger beroep</description><issued>2026-09-30</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RVS:2026:5814</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2026:5814</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RVS:2026:5814"><country>NL</country><court>RVS</court></isVersionOf><creator lang="nl">Raad van State</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-09-30</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Bestuursrecht</subject><abstract lang="nl">Bij besluiten van 1 oktober 2022 heeft de burgemeester van Haarlem aan [wederpartijen] lasten onder dwangsom opgelegd inhoudende dat zij demonstraties op niet-openbare plaatsen direct moeten beëindigen als de burgemeester daartoe opdracht geeft. Op 1 oktober 2022 hebben [wederpartijen] deelgenomen aan een demonstratie van Extinction Rebellion in de Albert Heijn aan het Soendaplein in Haarlem. Zij hebben geen gehoor gegeven aan het verzoek van de manager van de winkel om de winkel te verlaten. De burgemeester heeft daarom op 1 oktober 2022 aan [wederpartijen] een last onder dwangsom opgelegd op grond van artikel 125 van de Gemeentewet en artikel 5:21 van de Algemene wet bestuursrecht. De last houdt kort gezegd in dat [wederpartijen] een demonstratie op een niet-openbare plaats direct moeten beëindigen als de burgemeester daartoe de opdracht geeft op grond van artikel 8 van de Wet openbare manifestaties. [wederpartijen] verbeuren € 1.000,00 per keer dat zij geen gehoor geven aan de opdracht van de burgemeester, tot een maximum van € 5.000,00. In de besluiten op bezwaar heeft de burgemeester, in afwijking van het advies van de bezwaarschriftencommissie, zich op het standpunt gesteld dat de last voldoende concreet en duidelijk is. Daarnaast is volgens de burgemeester geen begunstigingstermijn nodig, omdat de begunstigingstermijn afhankelijk zal zijn van de opdracht van de burgemeester.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 202405895/1/A3</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Hoger beroep</description><issued>2026-09-30</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RVS:2026:5816</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2026:5816</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RVS:2026:5816"><country>NL</country><court>RVS</court></isVersionOf><creator lang="nl">Raad van State</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-09-30</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Bestuursrecht</subject><abstract lang="nl">Bij besluiten van 6 december 2022 heeft de burgemeester aan [wederpartij A] en [wederpartij B] lasten onder dwangsom opgelegd inhoudende dat zij demonstraties op niet-openbare plaatsen direct moeten beëindigen als de burgemeester daartoe opdracht geeft. 17 oktober 2022 hebben [wederpartij A] en [wederpartij B] deelgenomen aan een demonstratie van Extinction Rebellion op het terrein van het provinciehuis aan de Dreef in Haarlem. De locatiemanager van het provinciehuis had geen toestemming gegeven voor de demonstratie en [wederpartij A] en [wederpartij B] hebben geen gehoor gegeven aan het verzoek van de beveiligers van het provinciehuis om het terrein te verlaten. Nadat de politie ter plaatse was gekomen heeft de burgemeester op grond van artikel 8 van de Wet openbare manifestaties (Wom) de demonstranten de opdracht gegeven het terrein te verlaten. [wederpartij A] en [wederpartij B] hebben geen gehoor gegeven aan deze opdracht en zij zijn daarom strafrechtelijk aangehouden. De burgemeester heeft met zijn besluiten van 6 december 2022 aan [wederpartij A] en [wederpartij B] een last onder dwangsom opgelegd op grond van artikel 125 van de Gemeentewet en artikel 5:21 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De last houdt kort gezegd in dat [wederpartij A] en [wederpartij B] een demonstratie op een niet-openbare plaats direct moeten beëindigen als de burgemeester daartoe de opdracht geeft op grond van artikel 8 van de Wom. [wederpartij A] en [wederpartij B] verbeuren € 1.000,00 per keer dat zij geen gehoor geven aan de opdracht van de burgemeester, tot een maximum van € 5.000,00.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 202405897/1/A3</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Hoger beroep</description><issued>2026-09-30</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RVS:2026:5781</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2026:5781</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RVS:2026:5781"><country>NL</country><court>RVS</court></isVersionOf><creator lang="nl">Raad van State</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-09-30</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Bestuursrecht</subject><abstract lang="nl">Bij besluit van 24 september 2024 heeft de raad van de gemeente Hof van Twente het plan "Diepenheim, herziening Ruimersdijk-Leusensweide" vastgesteld. Raedthuys Vastgoed B.V. wil het plangebied herontwikkelen door hier veertien woningen te bouwen. De raad heeft het plan vastgesteld om deze ontwikkeling mogelijk te maken. Het naastgelegen bedrijfsperceel krijgt een woonbestemming, omdat hier geen bedrijfsmatige activiteiten meer plaatsvinden. Voorheen hadden de gronden in het plangebied de bestemming "Groen - Groene ruimte", "Water" en "Bedrijf". [appellant] en anderen wonen grenzend aan het plangebied of in de directe nabijheid van het plangebied. Zij kunnen zich niet met het plan verenigen.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 202406852/1/R3</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Eerste aanleg - meervoudig</description><issued>2026-09-30</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RVS:2026:5786</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2026:5786</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RVS:2026:5786"><country>NL</country><court>RVS</court></isVersionOf><creator lang="nl">Raad van State</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-09-30</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Bestuursrecht</subject><abstract lang="nl">Bij besluit van 10 mei 2022 heeft de Belastingdienst/Toeslagen de aanvraag van [belanghebbende] om overname van zijn private schuld bij [appellant] van € 18.847,00 afgewezen. [belanghebbende] is erkend gedupeerde van de toeslagenaffaire. Hij heeft de minister van Financiën onder meer verzocht om overname van een schuld bij [appellant] van € 18.847,00, bestaande uit achterstallige huurbetalingen, een boetebeding en schade aan een voordeur. De minister heeft de schuld uit achterstallige huurbetalingen van € 4.718,00 overgenomen. De schuld uit het boetebeding en de schade aan een voordeur heeft de minister niet overgenomen. Deze kosten hebben betrekking op een onrechtmatige daad en komen op grond van artikel 4.1, vierde lid, onder c, van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht) niet voor overname in aanmerking.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 202500321/1/A2</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Hoger beroep</description><issued>2026-09-30</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RVS:2026:5789</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2026:5789</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RVS:2026:5789"><country>NL</country><court>RVS</court></isVersionOf><creator lang="nl">Raad van State</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-09-30</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Bestuursrecht</subject><abstract lang="nl">Bij besluit van 20 juni 2024 heeft de raad van de gemeente Wijchen het bestemmingsplan "Balgoij-West" vastgesteld. Het plan maakt de bouw van maximaal 37 woningen mogelijk. Het plangebied grenst aan de noord- en oostzijde aan de bestaande bebouwing van de wijk Balgoij. De gronden van het plangebied hadden voorheen een agrarische bestemming. In de nabijheid van het plangebied stroomt de Maas. [appellant A] en [appellant B] wonen op korte afstand ten oosten van het plangebied. Zij vrezen onder meer voor wateroverlast als gevolg van de realisatie van het plan. Qubus Vastgoed B.V. is de projectontwikkelaar van de voorziene ontwikkeling. Het voornemen is om 17 vrije sector woningen en 20 betaalbare woningen te realiseren. Daarbij zijn 12 kavels in het sociale segment bestemd zijn voor de Collectief Particulier Opdrachtgeverschap (CPO) groep Balgoij en wordt een deel van de woningen gebouwd voor senioren.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 202404720/1/R4</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Eerste aanleg - meervoudig</description><issued>2026-09-30</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RVS:2026:5770</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2026:5770</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RVS:2026:5770"><country>NL</country><court>RVS</court></isVersionOf><creator lang="nl">Raad van State</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-09-30</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Bestuursrecht</subject><abstract lang="nl">Bij besluit van 23 mei 2023 heeft Sociale Banken Nederland, namens de minister van Financiën, een aanvraag van [appellanten] om geldschulden over te nemen op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht) gedeeltelijk afgewezen. [appellanten] is gedupeerde van de kinderopvangtoeslagaffaire. Aan hem zijn op 4 januari 2010 door de Rabobank twee leningen verstrekt. De oorspronkelijke hoofdsommen waren € 556.000,00 en € 6.500,00. Deze leningen waren verzekerd door een hypotheek van € 575.000,00 op het woonhuis aan de [locatie] en een pandrecht op een levensverzekering van € 300.000,00. De Belastingdienst/Toeslagen heeft aan het besluit van 23 mei 2023 onder meer ten grondslag gelegd dat de geldschuld ter hoogte van € 580.114,60 bij de Rabobank niet overgenomen wordt, omdat deze is ontstaan door een onrechtmatige daad.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 202502460/1/A2</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Hoger beroep</description><issued>2026-09-30</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RVS:2026:5620</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2026:5620</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RVS:2026:5620"><country>NL</country><court>RVS</court></isVersionOf><creator lang="nl">Raad van State</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-09-23</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Bestuursrecht</subject><abstract lang="nl">Bij besluit van 14 juni 2024 heeft het college van burgemeester en wethouders van Dronten het verzoek van de stichting om handhavend op te treden tegen SwifterwinT op Land B.V. (SwifterwinT) vanwege onder meer geluidsoverlast van windturbines, afgewezen. SwifterwinT exploiteert windpark Windplanblauw bij Dronten. De stichting meent dat de daar aanwezige windturbines meer geluid maken dan is toegestaan en heeft onder meer daarom het college verzocht om handhavend op te treden. Het college heeft dat verzoek afgewezen en het bezwaar tegen zijn besluit ongegrond verklaard.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 202601812/2/R4</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Voorlopige voorziening</description><issued>2026-09-30</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RVS:2026:5733</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2026:5733</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RVS:2026:5733"><country>NL</country><court>RVS</court></isVersionOf><creator lang="nl">Raad van State</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-09-30</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Bestuursrecht</subject><abstract lang="nl">Bij besluit van 29 juli 2021 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid betrokkene opgedragen om de Europese Unie onmiddellijk te verlaten (terugkeerbesluit) en een inreisverbod tegen hem uitgevaardigd. In juli 2013 is betrokkene via Turkije uitgereisd naar Syrië. Daar heeft hij zich in de periode tot en met 31 december 2015 als strijder aangesloten bij de jihadistische terroristische organisaties Ahrar al-Sham en later Jund al-Aqsa. De staatssecretaris (nu: de minister van Justitie en Veiligheid) heeft het Nederlanderschap van betrokkene ingetrokken krachtens artikel 14, tweede lid, aanhef en onder b, van de Rijkswet op het Nederlanderschap, omdat hij onherroepelijk is veroordeeld wegens terroristische misdrijven als bedoeld in artikel 83 van het Wetboek van Strafrecht. Die minister verwijst daarvoor naar het strafvonnis van de rechtbank Rotterdam van 29 maart 2019, ECLI:NL:RBROT:2019:2420. De rechtbank heeft betrokkene voor het medeplegen van het deelnemen aan een terroristische organisatie, meermalen gepleegd, en het medeplegen van voorbereidingshandelingen gericht op het plegen van terroristische aanslagen, veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van vijf jaar en zes maanden.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 202502275/1/V1</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Hoger beroep</description><issued>2026-09-30</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RVS:2026:5788</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2026:5788</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RVS:2026:5788"><country>NL</country><court>RVS</court></isVersionOf><creator lang="nl">Raad van State</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-09-30</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Bestuursrecht</subject><abstract lang="nl">Bij besluit van 3 januari 2024 heeft de minister van Financiën het verzoek van [appellant] om inzage in zijn persoonsgegevens gedeeltelijk toegewezen. [appellant] heeft de minister op grond van de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG) verzocht om inzage over welke persoonsgegevens van hem voorkomen op de lijst van de Fraude Signalering Voorziening (FSV), de 1043 Projectlijst en andere lijsten die de Belastingdienst heeft gebruikt zonder dat hij hiervan op de hoogte was. De minister heeft in het besluit van 3 januari 2024 vastgesteld dat de persoonsgegevens van [appellant] waren opgenomen in de FSV. Niet is gebleken dat zijn persoonsgegevens zijn verwerkt in het kader van projectcode 1043. De minister heeft verder niet kunnen vaststellen dat er met de FSV vergelijkbare systemen of applicaties zijn waarin persoonsgegevens van [appellant] zijn opgenomen.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 202503362/1/A2</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Hoger beroep</description><issued>2026-09-30</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RVS:2026:5776</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2026:5776</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RVS:2026:5776"><country>NL</country><court>RVS</court></isVersionOf><creator lang="nl">Raad van State</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-09-30</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Bestuursrecht</subject><abstract lang="nl">Bij besluit van 30 mei 2023 heeft het college van burgemeester en wethouders van Eemsdelta een verzoek van Progres om vergoeding van planschade afgewezen. Progres heeft in 2016 een koopovereenkomst gesloten aangaande een oude steenfabriek, met als doel om daar supermarkten te vestigen. Het college heeft geen vergunning verleend voor de sloop van de oude steenfabriek en oprichting van twee supermarkten. Progres heeft op 23 december 2021 een verzoek om planschade ingediend bij het college. Dat verzoek houdt verband met de inwerkingtreding van het bestemmingsplan ‘Facetplan Delfzijl - Farmsum’ (hierna: het nieuwe bestemmingsplan). Dit bestemmingsplan beperkt de ontwikkelmogelijkheden op de plaats van de voormalige Steenfabriek Fivelmonde op het adres ‘Weg naar de Dam 1’ in Delfzijl. Het is door de inwerkingtreding van dit bestemmingsplan niet langer toegestaan een supermarkt op de locatie te vestigen.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 202500428/1/A2</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Hoger beroep</description><issued>2026-09-30</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RVS:2026:5775</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2026:5775</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RVS:2026:5775"><country>NL</country><court>RVS</court></isVersionOf><creator lang="nl">Raad van State</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-09-30</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Bestuursrecht</subject><abstract lang="nl">Bij besluit van 17 januari 2023 heeft de burgemeester van Sittard-Geleen besloten dat de woning aan de [locatie] in Sittard op 3 februari 2023 voor drie maanden wordt gesloten op grond van artikel 13b van de Opiumwet. [appellant A] en [appellant B] huren een woning aan de [locatie] in Sittard. Naar aanleiding van een melding heeft de politie op 14 oktober 2022 in de woning onder meer softdrugs aangetroffen. De burgemeester heeft [appellant A] en [appellant B] op 17 januari 2023 een last onder bestuursdwang opgelegd op grond van artikel 13b van de Opiumwet, inhoudende de tijdelijke sluiting van de woning voor drie maanden ingaande op 3 februari 2023. De Afdeling begrijpt dit besluit zo dat als [appellant A] en [appellant B] binnen de begunstigingstermijn van twee weken niet zelf aan de last voldoen, op 3 februari 2023, of kort daarna, de burgemeester middels bestuursdwang zelf overgaat tot sluiting van de woning. De voorgenomen sluiting is niet doorgegaan en daarom heeft de burgemeester bij brief van 29 maart 2023 besloten dat de woning op 6 april 2023 voor drie maanden wordt gesloten.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 202502191/1/A3</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Hoger beroep</description><issued>2026-09-30</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RVS:2026:5806</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2026:5806</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RVS:2026:5806"><country>NL</country><court>RVS</court></isVersionOf><creator lang="nl">Raad van State</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-09-30</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Bestuursrecht</subject><abstract lang="nl">In het besluit van 24 april 2024 heeft de raad van de gemeente Westerwolde de aanvraag van [appellant] om een bestemmingsplan vast te stellen voor de bouw van één woning aan de [locatie], in Blijham (het perceel), afgewezen. [appellant] is eigenaar van het perceel en heeft de raad verzocht om een bestemmingsplan vast te stellen om op dit perceel de bouw van één woning mogelijk te maken. Op grond van het bestemmingsplan "Buitengebied 1998" heeft het perceel de bestemming "Agrarisch gebied met een gesloten landschap". Het bestemmingsplan is voorbereid met toepassing van afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht. Met ingang van 6 juli 2023 heeft het ontwerpbestemmingsplan "Blijham, [locatie]" zes weken ter inzage gelegen. Over dit ontwerpbestemmingsplan zijn vier zienswijzen ingediend. De raad heeft vervolgens op 24 april 2024 besloten om het bestemmingsplan niet vast te stellen. [appellant] is het niet eens met dit besluit. [appellant] betoogt dat de raad ten onrechte heeft besloten om het plan niet vast te stellen, omdat dit voldoet aan alle relevante wettelijke- en beleidskaders en getuigt van een goede ruimtelijke ordening. [appellant] voert daartoe aan dat het plan in overeenstemming is met de Omgevingsverordening en de Woonvisie omtrent het bouwen van woningen in het buitengebied.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 202501971/1/R3</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Eerste aanleg - enkelvoudig</description><issued>2026-09-30</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RVS:2026:5699</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2026:5699</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RVS:2026:5699"><country>NL</country><court>RVS</court></isVersionOf><creator lang="nl">Raad van State</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-09-22</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Bestuursrecht</subject><abstract lang="nl">Deze uitspraak gaat over de omgevingsvergunning die het college van burgemeester en wethouders van Rijssen-Holten bij besluit van 23 december 2024 aan VAB heeft verleend voor het bouwen van vijf appartementen, verdeeld over twee los van elkaar staande gebouwen. [appellante] woont naast het perceel waarop de appartementen zijn voorzien en voert daar ook een bedrijf. [appellante] vindt het onzorgvuldig dat de omgevingsvergunning voor het bouwen van de appartementen is verleend, terwijl het bestemmingsplan dat daaraan ten grondslag ligt nog niet onherroepelijk is.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 202601669/1/R3 en 202601669/2/R3</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Mondelinge uitspraak, Voorlopige voorziening+bodemzaak</description><issued>2026-09-30</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RVS:2026:5790</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2026:5790</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RVS:2026:5790"><country>NL</country><court>RVS</court></isVersionOf><creator lang="nl">Raad van State</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-09-30</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Bestuursrecht</subject><abstract lang="nl">Bij besluit van 26 februari 2025 heeft de raad van de gemeente Westerwolde het "TAM-omgevingsplan Westerwolde, Jan Westerlaan 1" als wijziging van het omgevingsplan van de gemeente Westerwolde vastgesteld (het besluit tot wijziging). In de motivering van het besluit tot wijziging staat dat de gemeente Westerwolde een woningbouwopgave heeft. De gemeente Westerwolde wil daarom negen eigen grondposities ontwikkelen voor woningbouw. Op grond van het omgevingsplan zijn deze woningbouwplannen niet toegestaan. [appellant] betoogt dat de participatie rondom het besluit tot wijziging niet overeenkomstig de wettelijke vereisten heeft plaatsgevonden. [appellant] voert aan dat de gemeente heeft aangegeven bewoners actief bij de besluitvorming te betrekken door gesprekken, bewonersavonden en straatinterviews te houden en de uitkomsten daarvan mee te nemen in de besluitvorming. Volgens hem is hiervan geen sprake te geweest. Er heeft slechts één gesprek plaatsgevonden en daarbij was het besluit tot wijziging al uitgewerkt, zodat van daadwerkelijke inbreng geen sprake was.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 202502157/1/R3</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Eerste aanleg - enkelvoudig</description><issued>2026-09-30</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RVS:2026:5581</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2026:5581</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RVS:2026:5581"><country>NL</country><court>RVS</court></isVersionOf><creator lang="nl">Raad van State</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-09-22</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Bestuursrecht</subject><abstract lang="nl">Bij besluit van 2 juni 2026 heeft de minister van Asiel en Migratie appellant in bewaring gesteld.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: BRS.26.003007</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Hoger beroep</description><issued>2026-09-30</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RVS:2026:5692</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2026:5692</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RVS:2026:5692"><country>NL</country><court>RVS</court></isVersionOf><creator lang="nl">Raad van State</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-09-17</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Bestuursrecht</subject><abstract lang="nl">Het verzoek richt zich tegen de beslissing van 31 augustus 2026, waarbij het college van bestuur van Gilde Opleidingen heeft geweigerd [verzoekster] in te schrijven voor de MBO 4-opleiding Verpleegkundige ziekenhuis (de opleiding). [verzoekster] heeft de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen om te worden toegelaten tot de opleiding, zodat zij kan beginnen met de opleiding en zodoende geen studievertraging oploopt.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 202602815/2/A2</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Mondelinge uitspraak, Voorlopige voorziening</description><issued>2026-09-30</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RVS:2026:5697</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2026:5697</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RVS:2026:5697"><country>NL</country><court>RVS</court></isVersionOf><creator lang="nl">Raad van State</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-09-24</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Bestuursrecht</subject><abstract lang="nl">Bij beslissing van 8 augustus 2026 heeft het hoofd van de centrale studentenadministratie van de Hogeschool van Amsterdam, namens het college van bestuur van de Hogeschool van Amsterdam, een verzoek van [verzoeker] om voor het studiejaar 2026-2027 te worden ingeschreven voor de bacheloropleiding International Business Fast-track afgewezen. [verzoeker] verzoekt de voorzieningenrechter het CvB te gelasten hem voorlopig toe te laten tot het onderwijs, het rooster, de digitale onderwijsomgeving en het onderwijsmateriaal. Hij betoogt dat hij tot 15 augustus 2026 een verzoek heeft kunnen doen om te worden ingeschreven.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 202602837 /1/A2</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Voorlopige voorziening</description><issued>2026-09-30</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RVS:2026:5732</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2026:5732</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RVS:2026:5732"><country>NL</country><court>RVS</court></isVersionOf><creator lang="nl">Raad van State</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-09-30</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Bestuursrecht</subject><abstract lang="nl">Bij besluit van 29 juli 2021 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid het Nederlanderschap van [appellant sub 2] ingetrokken. [appellant sub 2] is op [geboortedatum] 1987 geboren in Nederland. Hij heeft via zijn ouders de Marokkaanse nationaliteit verkregen. Op 27 augustus 1996 heeft hij samen met zijn ouders het Nederlanderschap verkregen. Hij heeft de Marokkaanse nationaliteit behouden. In juli 2013 is [appellant sub 2] via Turkije uitgereisd naar Syrië. Daar heeft hij zich in de periode tot en met 31 december 2015 als strijder aangesloten bij de jihadistische terroristische organisaties Ahrar al-Sham en later Jund al-Aqsa. De minister heeft het Nederlanderschap van [appellant sub 2] ingetrokken krachtens artikel 14, tweede lid, aanhef en onder b, van de RWN, omdat hij onherroepelijk is veroordeeld wegens terroristische misdrijven als bedoeld in artikel 83 van het Wetboek van Strafrecht (WvSr). De minister verwijst daarvoor naar het strafvonnis van de rechtbank Rotterdam van 29 maart 2019, ECLI:NL:RBROT:2019:2420. Die rechtbank heeft [appellant sub 2] veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van vijf jaar en zes maanden voor het medeplegen van het deelnemen aan een terroristische organisatie, meermalen gepleegd, en het medeplegen van voorbereidingshandelingen gericht op het plegen van terroristische aanslagen.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 202502611/1/V6</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Hoger beroep</description><issued>2026-09-30</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RVS:2026:5691</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2026:5691</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RVS:2026:5691"><country>NL</country><court>RVS</court></isVersionOf><creator lang="nl">Raad van State</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-09-17</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Bestuursrecht</subject><abstract lang="nl">Het beroep richt zich tegen de beslissing van het college van bestuur van Gilde Opleidingen van 28 augustus 2026, waarin het bezwaar van [appellante] tegen de brief van 28 juli 2026 niet-ontvankelijk is verklaard. De brief gaat over de deelname aan een toelatingsonderzoek voor de MBO niveau 4-opleiding Verpleegkundige ziekenhuis, als bedoeld in artikel 8.2.1., zesde lid, van de Wet educatie en beroepsonderwijs (Web).</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 202602805/1/A2</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Eerste aanleg - enkelvoudig, Mondelinge uitspraak</description><issued>2026-09-30</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RVS:2026:5582</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2026:5582</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RVS:2026:5582"><country>NL</country><court>RVS</court></isVersionOf><creator lang="nl">Raad van State</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-09-22</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Bestuursrecht</subject><abstract lang="nl">Bij besluit van 7 augustus 2026 heeft de minister van Asiel en Migratie appellant in vreemdelingenbewaring gesteld.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: BRS.26.004475</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Hoger beroep</description><issued>2026-09-30</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RVS:2026:5701</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2026:5701</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RVS:2026:5701"><country>NL</country><court>RVS</court></isVersionOf><creator lang="nl">Raad van State</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-09-22</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Bestuursrecht</subject><abstract lang="nl">Deze uitspraak gaat over het besluit van 24 juni 2026 waarbij de raad "TAM-omgevingsplan Reeuwijk - Oudeweg 25" heeft vastgesteld als wijziging van het omgevingsplan van de gemeente Reeuwijk-Bodegraven. Aan de Oudeweg 25 te Reeuwijk staan een woning, twee recreatiewoningen en bijgebouwen. Het is de bedoeling om deze te slopen, de percelen opnieuw in te delen twee vrijstaande woningen te bouwen. Het wijzigingsbesluit voorziet hierin.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 202602733/2/R3</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Mondelinge uitspraak, Voorlopige voorziening</description><issued>2026-09-30</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RVS:2026:5712</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2026:5712</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RVS:2026:5712"><country>NL</country><court>RVS</court></isVersionOf><creator lang="nl">Raad van State</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-09-22</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Bestuursrecht</subject><abstract lang="nl">Bij uitspraak van 5 november 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5286 heeft de voorzieningenrechter bij wijze van voorlopige voorziening het besluit van de raad van de gemeente Waadhoeke van de gemeente Waadhoeke van 22 mei 2025 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Tzummarum – [locatie]", voor zover het betreft het plandeel met de bestemming "Bedrijf - Vergistingsbedrijf", geschorst. Gelet op artikel 8:85 van de Awb blijft de bij de uitspraak van 5 november 2025 getroffen voorlopige voorziening gelden tijdens de beroepsprocedure tegen het bestemmingsplan dat is vastgesteld op 22 mei 2025. [verzoekster] acht dit niet wenselijk en heeft daarom verzocht om opheffing van de voorlopige voorziening.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 202504309/3/R3</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Voorlopige voorziening</description><issued>2026-09-30</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RVS:2026:5791</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2026:5791</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RVS:2026:5791"><country>NL</country><court>RVS</court></isVersionOf><creator lang="nl">Raad van State</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-09-30</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Bestuursrecht</subject><abstract lang="nl">Bij besluit van 6 december 2024 heeft de minister van Financiën het verzoek om schadevergoeding van [appellant] afgewezen. De minister heeft [appellant] laten weten dat zijn persoonsgegevens in de Fraude Signalering Voorziening (FSV) waren geregistreerd. [appellant] heeft de minister vervolgens verzocht om schadevergoeding vanwege de onrechtmatige FSV-registratie. Hij stelt daardoor materiële en immateriële schade te hebben geleden. De minister heeft het verzoek om schadevergoeding afgewezen. [appellant] heeft met de door hem overgelegde gegevens onvoldoende onderbouwd dat hij schade heeft geleden en hoe hoog die schade is. Ook heeft hij niet aangetoond dat de gestelde schade het gevolg is van de FSV-registratie.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 202505449/1/A2</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Hoger beroep</description><issued>2026-09-30</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RVS:2026:5700</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2026:5700</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RVS:2026:5700"><country>NL</country><court>RVS</court></isVersionOf><creator lang="nl">Raad van State</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-09-22</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Bestuursrecht</subject><abstract lang="nl">Bij besluit van 16 november 2023 heeft het college van burgemeester en wethouders van Aa en Hunze aan [appellant] zes lasten onder dwangsom opgelegd wegens diverse overtredingen. [appellant A] en [appellant B] hebben de voorzieningenrechter ook gevraagd een voorlopige voorziening te treffen.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 202601224/2/R3 en 202601224/1/R3</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Mondelinge uitspraak, Voorlopige voorziening+bodemzaak</description><issued>2026-09-30</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RVS:2026:5778</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2026:5778</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RVS:2026:5778"><country>NL</country><court>RVS</court></isVersionOf><creator lang="nl">Raad van State</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-09-30</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Bestuursrecht</subject><abstract lang="nl">Bij besluit van 23 januari 2024 heeft het college van burgemeesters en wethouders van Zwolle het verzoek van [appellant] om herziening van een besluit afgewezen. Bij brief van 6 november 2023 heeft [appellant] het college verzocht een besluit te herzien. Bij besluit van 23 januari 2024 heeft het college dat verzoek afgewezen. [appellant] heeft daartegen bezwaar gemaakt. Het college heeft op 9 juli 2024 dat bezwaar ongegrond verklaard en heeft dat besluit op 10 juli 2024 per e-mail verzonden aan de gemachtigde van [appellant]. Volgens het college is het besluit daarmee op de juiste wijze bekendgemaakt, waardoor de beroepstermijn op 10 juli 2024 is gaan lopen. Het college stelt zich op het standpunt dat het door [appellant] op 6 september 2024 tegen dit besluit ingediende beroepschrift te laat is ingediend. [appellant] stelt zich op het standpunt dat het college dit besluit niet per e-mail bekend had mogen maken en dat daarom de beroepstermijn niet is gaan lopen. De vraag die hier voorligt is of het college ervan uit mocht gaan dat de gemachtigde kenbaar heeft gemaakt langs elektronische weg voldoende bereikbaar te zijn.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 202503772/1/A3</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Herziening, Hoger beroep</description><issued>2026-09-30</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RVS:2026:5599</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2026:5599</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RVS:2026:5599"><country>NL</country><court>RVS</court></isVersionOf><creator lang="nl">Raad van State</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-09-23</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Bestuursrecht</subject><abstract lang="nl">Bij besluit van 14 oktober 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van betrokkene om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: BRS.26.004482</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Voorlopige voorziening</description><issued>2026-09-30</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RVS:2026:5795</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2026:5795</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RVS:2026:5795"><country>NL</country><court>RVS</court></isVersionOf><creator lang="nl">Raad van State</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-09-30</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Bestuursrecht</subject><abstract lang="nl">Bij besluit van 20 december 2025 heeft het college van burgemeesters en wethouders van Den Haag zijn beslissing om op 12 december 2025 spoedeisende bestuursdwang toe te passen wegens het in strijd met de Afvalstoffenverordening 2010 van de gemeente Den Haag en het daarop gebaseerde Uitvoeringsbesluit aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen, op schrift gesteld. Daarbij heeft het college vermeld dat een gedeelte van de kosten van de toepassing van bestuursdwang, te weten € 199,57, voor rekening van [appellant] komt. [appellant] voert aan dat het bedrag van € 199,57 niet de kosten zijn die het college daadwerkelijk heeft moeten maken voor het opruimen van de kartonnen doos. Hij heeft daarom verzocht om een onderbouwing van de kosten die in zijn geval zijn gemaakt.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 202601412/1/R4</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Eerste aanleg - enkelvoudig</description><issued>2026-09-30</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RVS:2026:5797</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2026:5797</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RVS:2026:5797"><country>NL</country><court>RVS</court></isVersionOf><creator lang="nl">Raad van State</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-09-30</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Bestuursrecht</subject><abstract lang="nl">Bij besluit van 25 november 2022 heeft het college van burgemeester en wethouders van Haarlem de aanvraag van [appellant] om een omgevingsvergunning voor het verbouwen van de woning op het perceel [locatie] in Haarlem buiten behandeling gesteld. [appellant] wil zijn woning verbouwen om daarvan twee woningen te maken. Het bouwplan bestaat uit het bouwen van een dakopbouw in het achterdakvlak van de woning en een dakopbouw op het dakterras, zodat daarop een nieuwe woning komt ter hoogte van de tweede verdieping. Het is de bedoeling dat de dochter van [appellant], die hem mantelzorg verleent, in de nieuwe woning komt wonen. [appellant] heeft twee keer een omgevingsvergunning voor het bouwplan aangevraagd. De eerste keer heeft het college de aanvraag buiten behandeling gelaten, omdat de aanvraag volgens het college niet compleet was. De tweede keer heeft het college een inhoudelijk besluit op de aanvraag genomen. Het college heeft de omgevingsvergunning geweigerd, omdat de gewijzigde goothoogte van het bouwplan in strijd is met het bestemmingsplan en vanwege het ontbreken van een parkeerplaats en verdere afspraken daarover. Ook is het college niet bereid om van het bestemmingsplan af te wijken om de omgevingsvergunning te kunnen verlenen.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 202501380/1/R1</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Hoger beroep</description><issued>2026-09-30</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RVS:2026:5798</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2026:5798</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RVS:2026:5798"><country>NL</country><court>RVS</court></isVersionOf><creator lang="nl">Raad van State</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-09-30</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Bestuursrecht</subject><abstract lang="nl">Bij besluit van 25 april 2023 heeft het college van burgemeester en wethouders van Haarlem [appellant sub 1] een last onder dwangsom opgelegd met betrekking tot de woning op het adres [locatie] in Haarlem. [appellant sub 1] is sinds 1985 eigenaar van een bovenwoning aan de [locatie] in Haarlem. [appellant sub 1] woont elders. Bij een controle op 31 maart 2022 heeft een toezichthouder van de gemeente geconstateerd dat de bovenwoning in twee aparte woningen is opgedeeld, zonder dat hiervoor de vereiste vergunningen zijn verleend. Het college stelt zich op het standpunt dat het gebruik van de bovenwoning voor twee woningen niet is toegestaan. Daarom heeft het college aan [appellant sub 1] een last onder dwangsom opgelegd. Ter plaatse geldt het bestemmingsplan "Reparatieplan C Haarlem 2022", waarin het perceel de bestemming "Wonen" heeft. Gronden met die bestemming zijn bestemd voor wonen in woningen. Volgens de planregels dient een woning voor de huisvesting van maximaal één huishouden.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 202503291/1/R1</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Hoger beroep</description><issued>2026-09-30</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RVS:2026:5616</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2026:5616</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RVS:2026:5616"><country>NL</country><court>RVS</court></isVersionOf><creator lang="nl">Raad van State</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-09-25</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Bestuursrecht</subject><abstract lang="nl">Bij besluit van 4 februari 2026 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van appellant om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: BRS.26.004655</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Voorlopige voorziening+bodemzaak</description><issued>2026-09-30</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RVS:2026:5813</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2026:5813</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RVS:2026:5813"><country>NL</country><court>RVS</court></isVersionOf><creator lang="nl">Raad van State</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-09-30</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Bestuursrecht</subject><abstract lang="nl">Bij besluiten van 17 en 24 januari 2023 heeft het college van burgemeester en wethouders van Eijsden-Margraten aan [appellant A] respectievelijk [appellant B] een last onder dwangsom opgelegd wegens permanente bewoning van recreatiewoningen in strijd met het bestemmingsplan op de percelen [locatie 1], [locatie 2] en [locatie 3] in Sint Geertruid. Het college heeft, aan zowel [appellant A] als [appellant B], een last onder dwangsom opgelegd voor het in strijd met het bestemmingsplan gebruiken van recreatiewoningen op de percelen [locatie 1], [locatie 2] en [locatie 3] in Sint Geertruid vanwege permanente bewoning in meerdere wooneenheden. [appellant A] is de eigenaar van de percelen en [appellant B] woont op [locatie 1] in één van de wooneenheden. [appellant A] en haar dochter [appellant B] zijn samen opgekomen tegen de besluiten tot het opleggen van de lasten onder dwangsom door daartegen bezwaar te maken bij het college en vervolgens beroep in te stellen bij de rechtbank. De rechtbank heeft geoordeeld dat met de permanente bewoning sprake is van een overtreding en dat het college terecht een last onder dwangsom heeft opgelegd. [appellant A] en [appellant B] zijn het hier niet mee eens, omdat zij menen dat er zich bijzondere omstandigheden voordoen waardoor van handhaving moest worden afgezien.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 202504455/1/R1</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Hoger beroep</description><issued>2026-09-30</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RVS:2026:5815</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2026:5815</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RVS:2026:5815"><country>NL</country><court>RVS</court></isVersionOf><creator lang="nl">Raad van State</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-09-30</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Bestuursrecht</subject><abstract lang="nl">Bij besluit van 21 november 2023 heeft het college van burgemeester en wethouders van Medemblik een volgens het college door [appellant] verbeurde dwangsom van € 15.000,00 ingevorderd. Het college heeft bij besluit van 11 augustus 2022, verzonden op diezelfde datum, gelast het huisvesten van arbeidsmigranten op het perceel [locatie] in Wervershoof, te beëindigen en beëindigd te houden, onder aanzegging van een dwangsom van €1.500,00 per week met een maximum van €15.000,00. De begunstigingstermijn van de last is gesteld op acht weken na de verzenddatum. Naar aanleiding van de brief van [appellant] van 6 september 2022 heeft het college op 11 oktober 2022 de begunstigingstermijn verlengd tot en met 1 januari 2023. Het besluit tot oplegging van de dwangsom van 11 augustus 2022 is in rechte onaantastbaar geworden. Het college heeft meermaals geconstateerd dat niet aan de last is voldaan en heeft op 21 november 2023 een besluit tot invordering van de dwangsom genomen. Volgens het college is de volledige dwangsom verbeurd.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 202505725/1/R1</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Hoger beroep</description><issued>2026-09-30</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RVS:2026:5693</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2026:5693</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RVS:2026:5693"><country>NL</country><court>RVS</court></isVersionOf><creator lang="nl">Raad van State</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-09-24</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Bestuursrecht</subject><abstract lang="nl">Bij besluit van 15 november 2024 heeft de minister appellant opgedragen de Europese Unie onmiddellijk te verlaten (terugkeerbesluit).</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 202503442/1/V3</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Hoger beroep</description><issued>2026-09-30</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RVS:2026:5784</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2026:5784</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RVS:2026:5784"><country>NL</country><court>RVS</court></isVersionOf><creator lang="nl">Raad van State</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-09-30</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Bestuursrecht</subject><abstract lang="nl">Bij brief van 4 augustus 2023 heeft de Belastingdienst/Toeslagen aan [appellant] laten weten dat zijn persoonsgegevens in de Fraude Signalering Voorziening (FSV) stonden. De minister van Financiën heeft [appellant] bij brief van 4 augustus 2023 laten weten dat zijn persoonsgegevens in de FSV stonden. In die brief staat vermeld dat [appellant]’ gegevens daarin stonden, omdat het Landelijke Bureau Inning Onderhoudsbijdragen, een overheidsorganisatie, zijn belastinggegevens bij de Belastingdienst had opgevraagd. Verder staat daarin dat wordt onderzocht of de opname van de persoonsgegevens in de FSV gevolgen heeft gehad voor [appellant]. De minister heeft het door [appellant] tegen de brief van 4 augustus 2023 gemaakte bezwaar kennelijk niet-ontvankelijk verklaard. De brief is geen besluit als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht. De brief bevat slechts algemene informatie over de FSV en een feitelijke mededeling dat en waarom de persoonsgegevens daarin waren opgenomen. Deze informatie en mededeling is niet gericht op rechtsgevolg.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 202506063/1/A2</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Hoger beroep</description><issued>2026-09-30</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RVS:2026:5787</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2026:5787</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RVS:2026:5787"><country>NL</country><court>RVS</court></isVersionOf><creator lang="nl">Raad van State</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-09-30</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Bestuursrecht</subject><abstract lang="nl">Bij brief van 21 oktober 2023 heeft de minister van Financiën [appellant] medegedeeld dat hij niet in aanmerking komt voor een financiële vergoeding wegens een onrechtmatige registratie in de Fraude Signalering Voorziening (FSV). De minister heeft [appellant] bij brief van 27 mei 2021 laten weten dat zijn persoonsgegevens in de FSV stonden. Vervolgens heeft de minister op 21 oktober 2023 via de zogenoemde afsluitende brief laten weten dat [appellant] niet in aanmerking komt voor een financiële tegemoetkoming. De FSV-registratie heeft geen gevolgen gehad bij de Belastingdienst, zijn gegevens zijn niet gedeeld met andere organisaties en het gaat niet om bijzondere persoonsgegevens. Het daartegen gemaakte bezwaar is op 15 januari 2024 niet-ontvankelijk verklaard. Volgens de minister is de afsluitende brief enkel informatief van aard en dus geen besluit als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 202503159/1/A2</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Hoger beroep</description><issued>2026-09-30</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RVS:2026:5580</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2026:5580</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RVS:2026:5580"><country>NL</country><court>RVS</court></isVersionOf><creator lang="nl">Raad van State</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-09-22</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Bestuursrecht</subject><abstract lang="nl">Bij besluit van 1 oktober 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van betrokkene om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet-ontvankelijk verklaard.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: BRS.26.004613</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Voorlopige voorziening</description><issued>2026-09-30</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RVS:2026:5743</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2026:5743</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RVS:2026:5743"><country>NL</country><court>RVS</court></isVersionOf><creator lang="nl">Raad van State</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-09-28</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Bestuursrecht</subject><abstract lang="nl">Referent heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op een aanvraag om [persoon] en haar kinderen een machtiging tot voorlopig verblijf te verlenen. Toen de rechtbank uitspreek deed op het beroep van referent tegen het niet tijdig nemen van een besluit, had de minister van Asiel en Migratie nog geen besluit genomen op de aanvraag van 4 april 2024. Dat heeft hij bij het besluit van 28 augustus 2026 wel gedaan. Wat referent in zijn grieven aanvoert over de door de rechtbank bepaalde beslistermijn, schept daarom geen belang voor het beoordelen van zijn hoger beroep.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 202502609/1/V1</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Hoger beroep</description><issued>2026-09-30</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RVS:2026:5792</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2026:5792</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RVS:2026:5792"><country>NL</country><court>RVS</court></isVersionOf><creator lang="nl">Raad van State</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-09-30</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Bestuursrecht</subject><abstract lang="nl">Bij besluit van 19 april 2023 heeft het college van burgemeesters en wethouders van Berg en Dal de preventieve last onder dwangsom die op 14 september 2011 is opgelegd, ingetrokken. [appellant] is eigenaar van het perceel [locatie 1] in Ooij en op zijn perceel groeit een haag. Deze haag zorgt volgens het college al meerdere jaren voor belemmering, hinder en gevaar voor het wegverkeer van de weg tussen het perceel van [appellant] en [locatie 2]. Dit is een overtreding van artikel 2:15 van de APV. Op 9 mei 2023 heeft een toezichthouder naar aanleiding van klachten uit de straat een op ambtsbelofte proces-verbaal van bevindingen opgemaakt. De toezichthouder heeft geconstateerd dat de toegang tussen [locatie 2] en [locatie 1] naar de achterkant van de woningen wordt belemmerd door de haag behorende bij het perceel van [appellant]. De weg is niet over de volledige breedte toegankelijk en het verkeersbord aan de ingang is zeer slecht zichtbaar.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 202504010/1/A3</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Hoger beroep</description><issued>2026-09-30</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RVS:2026:5799</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2026:5799</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RVS:2026:5799"><country>NL</country><court>RVS</court></isVersionOf><creator lang="nl">Raad van State</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-09-30</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Bestuursrecht</subject><abstract lang="nl">Bij besluit van 6 november 2023 heeft het college van burgemeesters en wethouders van de Utrechtse Heuvelrug aan Holland Zorg Beleggingen B.V. een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a en c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) verleend voor het verbouwen en uitbreiden van woonzorgcentrum Edelweiss aan de Kortenburglaan 4 in Doorn. Woonzorgcentrum Edelweiss, gelegen aan de Kortenburglaan 4 in Doorn, biedt 24-uurs zorg aan ouderen met psychogeriatrische of somatische beperkingen. Het college heeft een omgevingsvergunning verleend voor een uitbouw aan de zijkant van het woonzorgcentrum, ten behoeve van het vergroten van één van de bestaande slaapkamers en het realiseren van twee nieuwe badkamers. [appellante] is eigenaar van het naastgelegen perceel aan de [locatie]. Zij is het niet eens met de vergunningverlening voor de uitbouw, die aan de kant van haar perceel is voorzien.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 202502741/1/R4</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Hoger beroep</description><issued>2026-09-30</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RVS:2026:5802</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2026:5802</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RVS:2026:5802"><country>NL</country><court>RVS</court></isVersionOf><creator lang="nl">Raad van State</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-09-30</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Bestuursrecht</subject><abstract lang="nl">Dama dama heeft bij de rechtbank beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit door het college op een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het tijdelijk plaatsen van een zogeheten tiny house, voor gebruik als bedrijfswoning, op een perceel nabij deZouwendijk 5 in Ameide, gemeente Vijfheerenlanden. Dama dama heeft een omgevingsvergunning aangevraagd voor het tijdelijk plaatsen van een tiny house, voor gebruik als bedrijfswoning, op een perceel nabij de Zouwendijk 5 in Ameide. Het college heeft geweigerd om deze omgevingsvergunning te verlenen, omdat een bedrijfswoning volgens het college in strijd is met het ter plaatse geldende bestemmingsplan en het college niet bereid is om van het bestemmingsplan af te wijken. De rechtbank heeft deze weigering in stand gelaten, maar wel vastgesteld dat het college niet tijdig op de aanvraag van Dama dama heeft beslist. Dama dama heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank. Zij vindt onder meer dat de rechtbank bij de beoordeling of de aanvraag in strijd is met het ter plaatse geldende bestemmingsplan is uitgegaan van de verkeerde (combinatie van) planregels en verbeelding.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 202504490/1/R4</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Hoger beroep</description><issued>2026-09-30</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RVS:2026:5811</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2026:5811</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RVS:2026:5811"><country>NL</country><court>RVS</court></isVersionOf><creator lang="nl">Raad van State</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-09-30</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Bestuursrecht</subject><abstract lang="nl">Bij besluit van 24 oktober 2022 (het verkeersbesluit) heeft het college van burgemeester en wethouders van Den Haag een geslotenverklaring ingesteld, met uitzondering van fietsers en bromfietsers, door het plaatsen van pollers tussen de wijken Vroondaal Noord 1 en Vroondaal Noord 2 op de kruising Nederhoflaan/Oostmadeweg. Vroondaal is een woonwijk in Den Haag, die deel uitmaakt van het stadsdeel Loosduinen. De wijk bestaat uit vier wijkdelen. Tussen de wijkdelen Vroondaal Noord 1 (Westmadepark) en Vroondaal Noord 2 (Hofstedepark) ligt de kruising Nederhoflaan/Oostmadeweg. Het verkeersbesluit voorziet op deze kruising in een verkeerskundige knip. [appellant] woont in Westmadepark, aan de [locatie], en kan zich daarmee niet verenigen. De rechtbank heeft geoordeeld dat het verkeersbesluit zorgvuldig tot stand is gekomen. Uit de stukken blijkt dat het college de voorgeschreven procedure heeft gevolgd voor het aanvragen en publiceren van het verkeersbesluit, dat bewoners uit de wijk in de gelegenheid zijn gesteld om hun zienswijze kenbaar te maken, waarna op alle zienswijzen in het verkeersbesluit gemotiveerd is gereageerd, en dat potentiële kopers zijn geïnformeerd over de verkeerskundige knip.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 202504431/1/A2</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Hoger beroep</description><issued>2026-09-30</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RVS:2026:5579</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2026:5579</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RVS:2026:5579"><country>NL</country><court>RVS</court></isVersionOf><creator lang="nl">Raad van State</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-09-22</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Bestuursrecht</subject><abstract lang="nl">Bij besluit van 21 juli 2026 heeft de minister van Asiel en Migratie appellant in vreemdelingenbewaring gesteld.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: BRS.26.004014</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Hoger beroep</description><issued>2026-09-30</issued><reference type="ECLI" relation="precededBy" lang="nl">ECLI:NL:RBDHA:2026:28636</reference></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RVS:2026:5591</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2026:5591</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RVS:2026:5591"><country>NL</country><court>RVS</court></isVersionOf><creator lang="nl">Raad van State</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-09-23</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Bestuursrecht</subject><abstract lang="nl">Bij besluit van 5 december 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van betrokkene om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, opnieuw afgewezen.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: BRS.26.004758</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Voorlopige voorziening</description><issued>2026-09-30</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RVS:2026:5738</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2026:5738</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RVS:2026:5738"><country>NL</country><court>RVS</court></isVersionOf><creator lang="nl">Raad van State</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-09-28</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Bestuursrecht</subject><abstract lang="nl">Bij besluit van 5 juni 2024 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van verzoeker om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: BRS.26.005022</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Voorlopige voorziening</description><issued>2026-09-30</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RVS:2026:5613</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2026:5613</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RVS:2026:5613"><country>NL</country><court>RVS</court></isVersionOf><creator lang="nl">Raad van State</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-09-23</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Bestuursrecht</subject><abstract lang="nl">Bij besluiten van 29 mei 2026 heeft de minister van Asiel en Migratie aanvragen van verzoekers om hun een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: BRS.26.004773</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Voorlopige voorziening</description><issued>2026-09-30</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RVS:2026:5794</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2026:5794</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RVS:2026:5794"><country>NL</country><court>RVS</court></isVersionOf><creator lang="nl">Raad van State</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-09-30</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Bestuursrecht</subject><abstract lang="nl">Bij besluit van 27 maart 2025 heeft het college van burgemeesters en wethouders van Delft een aanvraag van [appellant] om een urgentieverklaring afgewezen. [appellant] woont met zijn partner en kind in een flatwoning op de tweede verdieping. Hij heeft een urgentieverklaring aangevraagd, omdat de huidige woning niet passend is gelet op zijn lichamelijke en psychische klachten. De woning is te klein, waardoor hij wordt beperkt in zijn bewegingsruimte en de woning is alleen bereikbaar door eerst twee trappen op te lopen. Door een zeldzame ziekte die de druk in de hersenen verhoogt, knieproblemen en meerdere medische complicaties bestaat er noodzaak tot verhuizing. In hoger beroep is alleen nog in geschil of het college, in het kader van het toepassen van de hardheidsclausule, nader medisch onderzoek door een onafhankelijke arts had moeten laten doen.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 202505942/1/A2</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Hoger beroep</description><issued>2026-09-30</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RVS:2026:5796</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2026:5796</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RVS:2026:5796"><country>NL</country><court>RVS</court></isVersionOf><creator lang="nl">Raad van State</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-09-30</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Bestuursrecht</subject><abstract lang="nl">Bij besluit van 13 september 2024 heeft de Dienst Toeslagen het kindgebonden budget van [appellante] over 2023 definitief berekend, vastgesteld op nihil en het betaalde voorschot inclusief rente van € 2.487,00 teruggevorderd. De Dienst Toeslagen heeft aan [appellante] voor het jaar 2023 een voorschot kindgebonden budget verleend van € 2.468,00. Bij het vaststellen van het voorschot is de Dienst Toeslagen uitgegaan van een geschat inkomen van € 70.000,00 en een vermogen van nihil. De Dienst Toeslagen heeft op 3 juni 2024 een melding ontvangen vanuit de Basisregistratie Inkomen dat de inspecteur van de Belastingdienst het toetsingsinkomen van [appellante] over 2023 heeft vastgesteld op € 90.444,00 en de rendementsgrondslag op € 235.129,00. Op basis van deze gegevens heeft de Dienst Toeslagen het kindgebonden budget voor het jaar 2023 definitief bepaald op nihil en van [appellante] een bedrag van € 2.487,00 inclusief € 19,00 rente aan teveel ontvangen voorschot teruggevorderd. De Dienst Toeslagen heeft dit besluit in bezwaar gehandhaafd.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 202505115/1/A2</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Hoger beroep</description><issued>2026-09-30</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RVS:2026:5685</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2026:5685</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RVS:2026:5685"><country>NL</country><court>RVS</court></isVersionOf><creator lang="nl">Raad van State</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-09-24</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Bestuursrecht</subject><abstract lang="nl">Bij besluit van 19 mei 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van betrokkene om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: BRS.26.004767</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Voorlopige voorziening</description><issued>2026-09-30</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RVS:2026:5686</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2026:5686</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RVS:2026:5686"><country>NL</country><court>RVS</court></isVersionOf><creator lang="nl">Raad van State</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-09-25</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Bestuursrecht</subject><abstract lang="nl">Bij besluit van 3 april 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van betrokkene om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: BRS.26.003950</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Hoger beroep</description><issued>2026-09-30</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RVS:2026:5720</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2026:5720</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RVS:2026:5720"><country>NL</country><court>RVS</court></isVersionOf><creator lang="nl">Raad van State</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-06-17</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Bestuursrecht</subject><abstract lang="nl">Deze uitspraak heeft betrekking op dertien hogerberoepszaken waarin [appellant] appellant is. Het gaat om uitspraken van de rechtbank Rotterdam in geschillen met verschillende bestuursorganen over diverse onderwerpen. Voor het verdere procesverloop in de zaken wordt verwezen naar de aangevallen uitspraken. Op 29 januari 2026 heeft de Afdeling een brief ontvangen waarin staat vermeld dat voor [appellant] hoger beroep wordt ingesteld tegen de genoemde rechtbankuitspraken. De brief sluit af met "De gemachtigde". Een naam en handtekening ontbreken. De Afdeling heeft in een brief van 30 januari 2026 gevraagd de naam van de indiener bekend te maken, onder verwijzing naar het vonnis in kort geding van 4 september 2025, zaak nr. C/01/414141/KG ZA 25-151 (ECLI:NL:RBOBR:2025:5569).</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 202600564/2/A3</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Hoger beroep, Vereenvoudigde behandeling</description><issued>2026-09-30</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RVS:2026:5593</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2026:5593</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RVS:2026:5593"><country>NL</country><court>RVS</court></isVersionOf><creator lang="nl">Raad van State</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-09-23</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Bestuursrecht</subject><abstract lang="nl">Betrokkene heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op een aanvraag om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: BRS.25.002682</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Hoger beroep</description><issued>2026-09-30</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RVS:2026:5800</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2026:5800</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RVS:2026:5800"><country>NL</country><court>RVS</court></isVersionOf><creator lang="nl">Raad van State</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-09-30</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Bestuursrecht</subject><abstract lang="nl">Dama dama heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit door het college van burgemeester en wethouders van Vijfheerenlanden. Dama dama heeft op 13 december 2022 een omgevingsvergunning aangevraagd voor het bouwen van een veldschuur en schuilstal voor schapen op een perceel nabij de Zouwendijk 5 in Ameide, gemeente Vijfheerenlanden. Op 27 maart 2025 heeft Dama dama bij de rechtbank beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op deze aanvraag door het college. De rechtbank heeft zich onbevoegd verklaard om van het beroep kennis te nemen, omdat volgens de rechtbank geen sprake is van een met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit. De rechtbank heeft in dit verband overwogen dat Dama dama de aanvraag van 13 december 2022 met een e-mail van 2 februari 2023 heeft ingetrokken en dat Dama dama zich wat die intrekking betreft niet kan beroepen op dwaling. Dama dama is het hiermee niet eens en heeft daarom hoger beroep ingesteld.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 202506150/1/R4</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Hoger beroep</description><issued>2026-09-30</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RVS:2026:5810</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2026:5810</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RVS:2026:5810"><country>NL</country><court>RVS</court></isVersionOf><creator lang="nl">Raad van State</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-09-30</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Bestuursrecht</subject><abstract lang="nl">Bij besluit van 24 oktober 2022 (het verkeersbesluit) heeft het college van burgemeester en wethouders van Den Haag een geslotenverklaring ingesteld, met uitzondering van fietsers en bromfietsers, door het plaatsen van pollers tussen de wijken Vroondaal Noord 1 en Vroondaal Noord 2 op de kruising Nederhoflaan/Oostmadeweg. Vroondaal is een woonwijk in Den Haag, die deel uitmaakt van het stadsdeel Loosduinen. De wijk bestaat uit vier wijkdelen. Tussen de wijkdelen Vroondaal Noord 1 (Westmadepark) en Vroondaal Noord 2 (Hofstedepark) ligt de kruising Nederhoflaan/Oostmadeweg. Het verkeersbesluit voorziet op deze kruising in een verkeerskundige knip. Deze zaak gaat, onder meer, over de vraag of Bewonersvereniging Vroondaal Westmadepark belanghebbende is bij het verkeersbesluit van 24 oktober 2022. Bewonersvereniging Vroondaal Westmadepark is opgericht op 24 november 2022. Volgens haar statuten heeft zij tot doel de collectieve belangen van de eigenaren en huurders van woningen in het deelgebied Vroondaal Westmadepark in en buiten rechte te behartigen, de goede verstandhouding tussen deze eigenaren en huurders te bevorderen en de leefbaarheid, veiligheid, duurzaamheid en sociale cohesie in het woongebied en de woonwijk Vroondaal als geheel te bevorderen.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 202504509/1/A2</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Hoger beroep</description><issued>2026-09-30</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RVS:2026:5595</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2026:5595</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RVS:2026:5595"><country>NL</country><court>RVS</court></isVersionOf><creator lang="nl">Raad van State</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-09-23</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Bestuursrecht</subject><abstract lang="nl">Bij besluit van 22 juli 2026 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van verzoeker om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet-ontvankelijk verklaard.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: BRS.26.004756</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Voorlopige voorziening</description><issued>2026-09-30</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RVS:2026:5606</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2026:5606</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RVS:2026:5606"><country>NL</country><court>RVS</court></isVersionOf><creator lang="nl">Raad van State</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-09-25</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Bestuursrecht</subject><abstract lang="nl">Bij besluit van 25 augustus 2026 heeft de minister van Asiel en Migratie appellant in vreemdelingenbewaring gesteld.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: BRS.26.004800</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Hoger beroep</description><issued>2026-09-30</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RVS:2026:5611</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2026:5611</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RVS:2026:5611"><country>NL</country><court>RVS</court></isVersionOf><creator lang="nl">Raad van State</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-09-22</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Bestuursrecht</subject><abstract lang="nl">Bij besluit van 12 september 2023 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid aanvragen van verzoekers om hun een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: BRS.26.004966</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Voorlopige voorziening</description><issued>2026-09-30</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RVS:2026:5687</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2026:5687</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RVS:2026:5687"><country>NL</country><court>RVS</court></isVersionOf><creator lang="nl">Raad van State</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-09-23</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Bestuursrecht</subject><abstract lang="nl">Bij besluit van 31 augustus 2026 heeft de minister van Asiel en Migratie verzoeker in vreemdelingenbewaring gesteld.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: BRS.26.005027</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Voorlopige voorziening</description><issued>2026-09-30</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RVS:2026:5785</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2026:5785</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RVS:2026:5785"><country>NL</country><court>RVS</court></isVersionOf><creator lang="nl">Raad van State</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-09-30</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Bestuursrecht</subject><abstract lang="nl">Bij besluit van 1 maart 2024 heeft het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen [appellant] verplicht om medewerking te verlenen aan een onderzoek naar zijn rijgeschiktheid. Bij besluit van 1 maart 2024 heeft het CBR [appellant] verplicht om medewerking te verlenen aan een onderzoek naar zijn rijgeschiktheid. De beoordeling door het CBR van die feiten en omstandigheden heeft tot de conclusie geleid dat een vermoeden van ongeschiktheid gerechtvaardigd is. Bij het in bezwaar gehandhaafde besluit van 1 maart 2024 heeft het CBR [appellant] verplicht om medewerking te verlenen aan een onderzoek naar zijn rijgeschiktheid. Dit besluit is opgelegd op grond van artikel 23, derde lid, sub b, van de Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid (de Regeling). Ingevolge artikel 25, eerste lid, van de Regeling komen de kosten van het onderzoek voor rekening van [appellant].</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 202505709/1/A2</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Hoger beroep</description><issued>2026-09-30</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RVS:2026:5695</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2026:5695</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RVS:2026:5695"><country>NL</country><court>RVS</court></isVersionOf><creator lang="nl">Raad van State</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-09-24</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Bestuursrecht</subject><abstract lang="nl">Bij besluit van 20 augustus 2026 heeft de minister van Asiel en Migratie appellant in vreemdelingenbewaring gesteld.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: BRS.26.004786</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Hoger beroep</description><issued>2026-09-30</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RVS:2026:5703</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2026:5703</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RVS:2026:5703"><country>NL</country><court>RVS</court></isVersionOf><creator lang="nl">Raad van State</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-09-28</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Bestuursrecht</subject><abstract lang="nl">Bij besluit van 19 februari 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van appellant om vernieuwing van haar verblijfsdocument EU/EER als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Vw 2000, afgewezen, vastgesteld dat het verblijfsrecht van appellant is geëindigd en haar opgedragen om de Europese Unie binnen vier weken te verlaten.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: BRS.26.004696</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Voorlopige voorziening</description><issued>2026-09-30</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RVS:2026:5696</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2026:5696</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RVS:2026:5696"><country>NL</country><court>RVS</court></isVersionOf><creator lang="nl">Raad van State</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-09-24</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Bestuursrecht</subject><abstract lang="nl">Bij besluit van 31 juli 2026 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van verzoeker om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: BRS.26.005049</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Voorlopige voorziening</description><issued>2026-09-30</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RVS:2026:5690</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2026:5690</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RVS:2026:5690"><country>NL</country><court>RVS</court></isVersionOf><creator lang="nl">Raad van State</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-09-24</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Bestuursrecht</subject><abstract lang="nl">Bij besluit van 22 februari 2024 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag om betrokkene een machtiging tot voorlopig verblijf te verlenen, afgewezen.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: BRS.26.004829</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Voorlopige voorziening</description><issued>2026-09-30</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RVS:2026:5615</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2026:5615</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RVS:2026:5615"><country>NL</country><court>RVS</court></isVersionOf><creator lang="nl">Raad van State</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-09-22</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Bestuursrecht</subject><abstract lang="nl">Bij besluiten van 12 mei 2026 heeft de minister van Asiel en Migratie aanvragen van appellanten om hun een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: BRS.26.004878</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Voorlopige voorziening</description><issued>2026-09-30</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RVS:2026:5610</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2026:5610</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RVS:2026:5610"><country>NL</country><court>RVS</court></isVersionOf><creator lang="nl">Raad van State</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-09-24</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Bestuursrecht</subject><abstract lang="nl">Bij besluit van 30 mei 2024 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag om betrokkene een machtiging tot voorlopig verblijf te verlenen, afgewezen.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: BRS.26.004794</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Voorlopige voorziening</description><issued>2026-09-30</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RBDHA:2026:27695</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:27695</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RBDHA:2026:27695"><country>NL</country><court>RBDHA</court></isVersionOf><creator lang="nl">Rechtbank Den Haag</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-02-09</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Bestuursrecht</subject><abstract lang="nl">Beroep tegen afwijzing verzoek om overbrenging naar Nederland op grond van de Tolkenregeling - eiser heeft als ASG-bewaker gewerkt voor de Nederlandse militaire missie in de provincie Uruzgan, Afghanistan - verweerder heeft zich op het standpunt mogen stellen dat eiser niet in aanmerking komt voor overbrenging op grond van de Tolkenregeling - verweerder mocht zich op het standpunt stellen dat eiser geen hoog profiel werkzaamheden heeft verricht - verweerder mocht zich op het standpunt stellen dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat er sprake is van een actuele dreiging als gevolg van zijn werkzaamheden voor de Nederlandse militaire missie - verweerder hoefde eiser niet in aanmerking laten komen voor overbrenging op grond van de toezegging in de Kamerbrief van 19 december 2023 - eisers beroep op het gelijkheidsbeginsel kan niet slagen - beroep ongegrond.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: SGR 25/1429</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Eerste aanleg - enkelvoudig</description><contributor lang="nl">Rechter(s): D. Biever</contributor><issued>2026-09-30</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:GHSHE:2026:1980</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2026:1980</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:GHSHE:2026:1980"><country>NL</country><court>GHSHE</court></isVersionOf><creator lang="nl">Gerechtshof 's-Hertogenbosch</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-07-29</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Strafrecht</subject><abstract lang="nl">Veroordeling ter zake van het medeplegen van brandstichting en het medeplegen van mensenhandel (criminele uitbuiting van minderjarigen). De verdachte heeft twee minderjarige jongens instructies, een adres en middelen gegeven om brand te stichten bij een transportbedrijf. De verdachte heeft hen met het oogmerk hen daartoe uit te buiten, samen met een ander of anderen, verworven en het vervoer naar het transportbedrijf geregeld. Naderhand heeft hij hen een geldelijke beloning gegeven voor de voltooide brandstichting.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 20-003182-25</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Hoger beroep</description><issued>2026-07-29</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RBNHO:2026:9718</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2026:9718</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RBNHO:2026:9718"><country>NL</country><court>RBNHO</court></isVersionOf><creator lang="nl">Rechtbank Noord-Holland</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-07-30</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Sociale-zekerheidsrecht</subject><abstract lang="nl">Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiseres voor een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA). Eiseres is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het Uwv de aanvraag van eiseres op de juiste gronden heeft afgewezen. Eiseres krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: HAA 25/4852</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Eerste aanleg - enkelvoudig</description><contributor lang="nl">Rechter(s): L.M. Kos</contributor><issued>2026-09-30</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:GHSHE:2026:1836</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2026:1836</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:GHSHE:2026:1836"><country>NL</country><court>GHSHE</court></isVersionOf><creator lang="nl">Gerechtshof 's-Hertogenbosch</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-07-15</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Strafrecht</subject><abstract lang="nl">Zedenzaak. Plegen van ontuchtige handelingen met stiefzoon, vervaardigen van kinderpornografische afbeeldingen van stiefdochter en bezit van kinder- en dierenpornografische afbeeldingen.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 20-000343-24</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Hoger beroep</description><issued>2026-07-15</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RBNHO:2026:9004</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2026:9004</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RBNHO:2026:9004"><country>NL</country><court>RBNHO</court></isVersionOf><creator lang="nl">Rechtbank Noord-Holland</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-07-15</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Sociale-zekerheidsrecht</subject><abstract lang="nl">In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres over de hoogte van het aan haar toegekende persoonsgebonden budget (pgb) voor begeleiding op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo). Eiseres is het niet eens met de tariefkeuze van het college en voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college op juiste gronden een pgb tegen het informele tarief heeft toegekend. Eiseres krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: HAA 25/3969</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Eerste aanleg - enkelvoudig</description><contributor lang="nl">Rechter(s): M Postma</contributor><issued>2026-09-30</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RBNHO:2026:9003</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2026:9003</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RBNHO:2026:9003"><country>NL</country><court>RBNHO</court></isVersionOf><creator lang="nl">Rechtbank Noord-Holland</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-07-08</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Sociale-zekerheidsrecht</subject><abstract lang="nl">In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de vaststelling van de hoogte van haar uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA). Eiseres heeft het Uwv verzocht haar dagloon te herzien en daarmee terug te komen op de beslissing van 12 juli 2024 waarbij haar een WIA-uitkering is toegekend. Het Uwv heeft besloten om het dagloon niet te herzien. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het Uwv het dagloon overeenkomstig wettelijke bepalingen heeft vastgesteld. Eiseres krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: HAA 25/2284</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Eerste aanleg - enkelvoudig</description><contributor lang="nl">Rechter(s): M Postma</contributor><issued>2026-09-30</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RBDHA:2026:28888</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:28888</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RBDHA:2026:28888"><country>NL</country><court>RBDHA</court></isVersionOf><creator lang="nl">Rechtbank Den Haag</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-09-30</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Bestuursrecht</subject><abstract lang="nl">Voorlopige voorziening landelijk piket; Richtlijn tijdelijke bescherming Verzoekers (een echtpaar uit Oekraïne) verzoeken om een voorlopige voorziening, omdat zij als gevolg van besluiten waarin is bepaald dat zij niet in aanmerking komen voor bescherming op grond van de RTB, geen opvang meer zullen hebben. In deze uitspraak oordeelt de voorzieningenrechter dat verweerders standpunt, dat is gebaseerd op het IB 2026/20, inhoudende dat de RTB-aanvraag van een persoon die in een andere lidstaat tijdelijke bescherming heeft of heeft gehad, wordt afgewezen, tegenstrijdig is aan de WI 2025/63. Daarin wordt immers de mogelijkheid opengelaten om in een dergelijk geval wél tijdelijke bescherming te verlenen, met de opmerking dat het andere EU-land dan wel de daar verleende tijdelijke bescherming moet beëindigen. Verweerders standpunt staat daarnaast op gespannen voet met het Uitvoeringsbesluit 2025/1460 en het arrest Krasiliva, waaruit met name naar voren komt dat het niet de bedoeling is dat er in twee lidstaten gelijktijdig bescherming wordt genoten. Het Uitvoeringsbesluit 2025/1460 en het arrest lijken zich er niet tegen te verzetten dat een ontheemde eerst in de ene lidstaat bescherming geniet, deze bescherming eindigt, en de ontheemde vervolgens in een andere lidstaat bescherming verkrijgt. Verweerder gaat ervan uit dat de tijdelijke bescherming van verzoekster in Polen met ingang van 18 juli 2022 is geëindigd. Dit betekent dat in het geval van verzoekster dus geen sprake is van de situatie dat zij in twee EU-landen gelijktijdig tijdelijk internationale bescherming op grond van de richtlijn zou genieten. Het bezwaar van verzoekster heeft een redelijke kans van slagen. Gelet op het feit dat verzoeker gehuwd is met verzoekster en er dus sprake is van samenhang tussen deze twee zaken, wordt ook het verzoek van verzoeker toegewezen.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: NL26.57028 en NL26.57029</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Voorlopige voorziening</description><contributor lang="nl">Rechter(s): mr. C.E. Bos</contributor><issued>2026-09-30</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RBDHA:2026:27696</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:27696</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RBDHA:2026:27696"><country>NL</country><court>RBDHA</court></isVersionOf><creator lang="nl">Rechtbank Den Haag</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-02-09</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Bestuursrecht</subject><abstract lang="nl">Beroep tegen afwijzing verzoek om overbrenging naar Nederland op grond van de Tolkenregeling - eiser heeft als ASG-bewaker gewerkt voor de Nederlandse militaire missie in de provincie Uruzgan, Afghanistan - verweerder heeft zich op het standpunt mogen stellen dat eiser niet in aanmerking komt voor overbrenging op grond van de Tolkenregeling - verweerder mocht zich op het standpunt stellen dat eiser geen hoog profiel werkzaamheden heeft verricht - verweerder mocht zich op het standpunt stellen dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat er sprake is van een actuele dreiging als gevolg van zijn werkzaamheden voor de Nederlandse militaire missie - verweerder hoefde eiser niet in aanmerking laten komen voor overbrenging op grond van de toezegging in de Kamerbrief van 19 december 2023 - eisers beroep op het gelijkheidsbeginsel kan niet slagen - beroep ongegrond.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: SGR 25/780</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Eerste aanleg - enkelvoudig</description><contributor lang="nl">Rechter(s): D. Biever</contributor><issued>2026-09-30</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RBNHO:2026:9716</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2026:9716</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RBNHO:2026:9716"><country>NL</country><court>RBNHO</court></isVersionOf><creator lang="nl">Rechtbank Noord-Holland</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-07-30</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Sociale-zekerheidsrecht</subject><abstract lang="nl">Deze uitspraak gaat over het opleggen van een maatregel aan eiseres teneinde de uitbetaling van haar Ziektewetuitkering (ZW-uitkering) blijvend en geheel te weigeren. Eiseres is het niet eens met dit besluit. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het Uwv de maatregel op juiste gronden heeft opgelegd. Eiseres krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: HAA 25/2693</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Eerste aanleg - enkelvoudig</description><contributor lang="nl">Rechter(s): L.M. Kos</contributor><issued>2026-09-30</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RBAMS:2026:9519</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:9519</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RBAMS:2026:9519"><country>NL</country><court>RBAMS</court></isVersionOf><creator lang="nl">Rechtbank Amsterdam</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-06-03</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Strafrecht</subject><abstract lang="nl">In zaak A heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan opzetheling van een fiets en wordt partieel vrijgesproken van schuld- dan wel opzetheling van de overige fietsen. Voorts heeft verdachte voorhanden gehad een wapen en munitie van categorie III. Ten aanzien van zaak B oordeelt de rechtbank dat verdachte het slot van de fiets heeft opengebroken om de fiets van iemand anders te stelen en acht verdachte schuldig aan de diefstal van de fiets door middel van verbreking. De rechtbank stelt vast dat ten aanzien van zaak A niet voldaan is aan de wettelijke criteria voor oplegging van de ISD-maatregel. Aan verdachte wordt (in zaak B) opgelegd de ISD-maatregel voor de duur van twee jaren. De rechtbank acht het niet opportuun om naast de ISD-maatregel voor het bewezenverklaarde feit in zaak B, in zaak A, waarvoor verdachte strafbaar is, een straf of maatregel aan verdachte op te leggen. De rechtbank zal daarom voor deze feiten toepassing geven aan artikel 9a Sr.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 13/021313-26 (zaak A), 13/126684-25 (TUL), 13/048930-26 (zaak B)</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Eerste aanleg - meervoudig</description><contributor lang="nl">Rechter(s): A.A. Spoel, D.M.S. Gribling, A.M. Timorason</contributor><issued>2026-09-30</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:GHARL:2026:4936</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2026:4936</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:GHARL:2026:4936"><country>NL</country><court>GHARL</court></isVersionOf><creator lang="nl">Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-07-30</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Strafrecht</subject><abstract lang="nl">Het hof spreekt een man uit Zutphen ook in hoger beroep vrij van moord op Duncan Zwakke. De zaak is een coldcase uit 1989. Duncan Zwakke is voor het laatst gezien op 17 oktober 1989 in Zutphen en daarna spoorloos verdwenen. Het hof gaat er met het Openbaar Ministerie van uit dat hij door een misdrijf om het leven is gekomen. Het belangrijkste bewijs is de verklaring van een getuige die in 1989 aan de politie heeft verteld dat de verdachte tegen hem heeft gezegd dat hij iemand om het leven heeft gebracht. Het hof bespreekt uitgebreid het bewijs, in onderling verband en samenhang, en komt tot de conclusie dat het uit de wettige bewijsmiddelen en in het bijzonder de verklaring van de getuige, niet de overtuiging heeft gekregen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 21-003144-25</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Hoger beroep</description><issued>2026-07-30</issued><reference type="ECLI" relation="precededBy" lang="nl">ECLI:NL:RBGEL:2025:5561</reference></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RBAMS:2026:9684</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:9684</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RBAMS:2026:9684"><country>NL</country><court>RBAMS</court></isVersionOf><creator lang="nl">Rechtbank Amsterdam</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-09-24</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Burgerlijk recht</subject><abstract lang="nl">Voldoende aannemelijk dat overeenkomsten gesloten zijn door gedaagde, vorderingen worden toegewezen.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 12335475 \ KK EXPL 26-490</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Eerste aanleg - enkelvoudig, Kort geding, Proceskostenveroordeling</description><issued>2026-09-30</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:GHAMS:2026:1850</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><status>deleted</status><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2026:1850</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:GHAMS:2026:1850"><country>NL</country><court>GHAMS</court></isVersionOf><creator lang="nl">Gerechtshof Amsterdam</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-07-14</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Familierecht</subject><description lang="nl">Zaaknummer: 200.355.087/01</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Hoger beroep</description></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RBZWB:2026:8918</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:8918</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RBZWB:2026:8918"><country>NL</country><court>RBZWB</court></isVersionOf><creator lang="nl">Rechtbank Zeeland-West-Brabant</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-08-26</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Burgerlijk recht</subject><abstract lang="nl">Erfrecht. Processueel ondeelbare verhouding. Herberekening legitieme portie. Waardering van woning in nalatenschap. Aanspraak van erfgenamen op som ineens (art. 4:36 BW).</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 11793551 \ CV EXPL 25-2356 (E)</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Bodemzaak</description><issued>2026-09-30</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RBROT:2026:12949</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:12949</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RBROT:2026:12949"><country>NL</country><court>RBROT</court></isVersionOf><creator lang="nl">Rechtbank Rotterdam</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-09-23</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Strafrecht</subject><abstract lang="nl">Veroordeling poging zware mishandeling, gevaarzetting op de weg en verlaten van een plaats van ongeval. Gevangenisstraf van 135 dagen, waarvan 30 voorwaardelijk, bijzondere voorwaarden en ontzegging rijbevoegdheid 18 maanden.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 10.154953.26</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Eerste aanleg - meervoudig</description><contributor lang="nl">Rechter(s): mr. L. Daum, mr. M.J.C. Spoormaker, mr. M.A. Loenen</contributor><issued>2026-09-30</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RBLIM:2026:9764</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:9764</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RBLIM:2026:9764"><country>NL</country><court>RBLIM</court></isVersionOf><creator lang="nl">Rechtbank Limburg</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-09-17</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Burgerlijk recht</subject><abstract lang="nl">Opheffen beslag, aannemelijk dat boedelactief ontoereikend is, geen onmiskenbare vergissing, geen andere rangorde, maar concurrente boedelvordering. Volgt opheffing beslag.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: C/03/354554 / KG ZA 26-300</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Kort geding</description><issued>2026-09-30</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RBDHA:2026:27697</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:27697</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RBDHA:2026:27697"><country>NL</country><court>RBDHA</court></isVersionOf><creator lang="nl">Rechtbank Den Haag</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-02-09</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Bestuursrecht</subject><abstract lang="nl">Beroep tegen afwijzing verzoek om overbrenging naar Nederland op grond van de Tolkenregeling - eiser heeft als ASG-bewaker voor de Nederlandse militaire missie gewerkt in Afghanistan - verweerder heeft zich op het standpunt mogen stellen dat eiser niet in aanmerking komt voor overbrenging op grond van de Tolkenregeling - verweerder mocht zich op het standpunt stellen dat eiser geen hoog profiel werkzaamheden heeft verricht - verweerder mocht zich op het standpunt stellen dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat er sprake is van een actuele dreiging als gevolg van zijn werkzaamheden voor de Nederlandse militaire missie - verweerder hoefde eiser niet in aanmerking laten komen voor overbrenging op grond van de toezegging in de Kamerbrief van 19 december 2023 - eisers beroep op het gelijkheidsbeginsel kan niet slagen - beroep ongegrond.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: SGR 25/202</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Eerste aanleg - enkelvoudig</description><contributor lang="nl">Rechter(s): D. Biever</contributor><issued>2026-09-30</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RBLIM:2026:9761</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:9761</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RBLIM:2026:9761"><country>NL</country><court>RBLIM</court></isVersionOf><creator lang="nl">Rechtbank Limburg</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-09-23</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Burgerlijk recht</subject><abstract lang="nl">Huurovereenkomst woonruimte. Huurder is tekortgeschoten in de opleveringsverplichting bij het einde van de huurovereenkomst. De door verhuurder op de eindafrekening ingehouden schoonmaak- en reparatiekosten moeten deels worden terugbetaald.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 12200114 \ CV EXPL 26-2273</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Bodemzaak</description><issued>2026-09-30</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:CRVB:2026:1239</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2026:1239</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:CRVB:2026:1239"><country>NL</country><court>CRVB</court></isVersionOf><creator lang="nl">Centrale Raad van Beroep</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-09-17</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Sociale-zekerheidsrecht</subject><abstract lang="nl">Weigering WIA-uitkering toe te kennen Geen toegenomen beperkingen uit dezelfde oorzaak binnen vijf jaar na de beëindiging van de WIA-uitkering per 20 augustus 2019. Zorgvuldig medisch onderzoek en juiste medische beoordeling.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 25/825 WIA</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Hoger beroep</description><issued>2026-09-30</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RBLIM:2026:10019</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:10019</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RBLIM:2026:10019"><country>NL</country><court>RBLIM</court></isVersionOf><creator lang="nl">Rechtbank Limburg</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-09-22</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Burgerlijk recht</subject><abstract lang="nl">Verzoek verlenging termijn als bedoeld in artikel 4:72 BW (verwerpen inferieure making) op grond van bijzondere omstandigheden zoals bedoeld in artikel 4:77 BW. Verzoek afgewezen wegens gebrek aan bijzondere omstandigheden.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 12316975 \ EZ VERZ 26-207</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Beschikking</description><issued>2026-09-30</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RBNHO:2026:7912</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2026:7912</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RBNHO:2026:7912"><country>NL</country><court>RBNHO</court></isVersionOf><creator lang="nl">Rechtbank Noord-Holland</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-06-25</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Sociale-zekerheidsrecht</subject><abstract lang="nl">In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van het herzieningsverzoek van de definitieve studieschuld. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: HAA 25/3748</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Eerste aanleg - enkelvoudig</description><contributor lang="nl">Rechter(s): M. Jurgens</contributor><issued>2026-09-30</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RBLIM:2026:9980</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:9980</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RBLIM:2026:9980"><country>NL</country><court>RBLIM</court></isVersionOf><creator lang="nl">Rechtbank Limburg</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-09-21</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Arbeidsrecht</subject><abstract lang="nl">Verstek. Loonvordering toegewezen.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 12320595 \ CV EXPL 26-3918</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Kort geding, Verstek</description><issued>2026-09-30</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:GHARL:2026:5851</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2026:5851</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:GHARL:2026:5851"><country>NL</country><court>GHARL</court></isVersionOf><creator lang="nl">Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-09-08</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Arbeidsrecht</subject><abstract lang="nl">Verworven recht. Is gedurende enige tijd tussen partijen gevolgde gedragslijn een arbeidsvoorwaarde geworden.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 200.372.021</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Hoger beroep</description><issued>2026-09-30</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RBROT:2026:12950</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:12950</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RBROT:2026:12950"><country>NL</country><court>RBROT</court></isVersionOf><creator lang="nl">Rechtbank Rotterdam</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-09-23</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Strafrecht</subject><abstract lang="nl">Veroordeling voor verduistering uit hoofde van beroep als bewindvoerder, gewoontewitwassen, valsheid in geschrift en oplichting. Gevangenisstraf 18 maanden, waarvan 6 voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaar en bijzondere voorwaarden. Daarnaast een taakstraf van 240 uur en als bijkomende straf beroepsverbod voor bewindvoerder, budgetbeheerder, of financieel adviseur voor de duur van vijf jaar. Vorderingen benadeelde partijen NO voor het deel dat ziet op vergoeding van salaris van de bewindvoerder en vergoeding van immateriële schade. Zie ook ECLI:NL:RBROT:2026:12951 (herstelvonnis)</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 09.368304.24</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Eerste aanleg - meervoudig</description><contributor lang="nl">Rechter(s): mr. L. Daum, mr. M.J.C. Spoormaker, mr. M.A. Loenen</contributor><issued>2026-09-30</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RBMNE:2026:3582</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:3582</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RBMNE:2026:3582"><country>NL</country><court>RBMNE</court></isVersionOf><creator lang="nl">Rechtbank Midden-Nederland</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-06-10</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Burgerlijk recht</subject><abstract lang="nl">Tussenvonnis. Wie is eigenaar van strook grond? Geen verjaring. Bouwwerken hoeven niet verwijderd te worden. Partijen worden in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over de wijze van legalisatie.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: C/16/594448 / HL ZA 25-146</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Eerste aanleg - enkelvoudig, Tussenuitspraak</description><contributor lang="nl">Rechter(s): A. Blanke</contributor><issued>2026-06-24</issued><reference type="ECLI" relation="followedBy" lang="nl">ECLI:NL:RBMNE:2026:6617</reference></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RBMNE:2026:6617</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:6617</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RBMNE:2026:6617"><country>NL</country><court>RBMNE</court></isVersionOf><creator lang="nl">Rechtbank Midden-Nederland</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-09-16</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Burgerlijk recht</subject><abstract lang="nl">Eindvonnis. Legalisatie overbouw moet geschieden door overdracht grond. Rechtbank stelt grondprijs vast. Schadeloosstelling in natura afgewezen.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: C/16/594448 / HL ZA 25-146</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Eerste aanleg - enkelvoudig</description><contributor lang="nl">Rechter(s): A. Blanke</contributor><issued>2026-09-30</issued><reference type="ECLI" relation="precededBy" lang="nl">ECLI:NL:RBMNE:2026:3582</reference></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RBLIM:2026:9770</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:9770</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RBLIM:2026:9770"><country>NL</country><court>RBLIM</court></isVersionOf><creator lang="nl">Rechtbank Limburg</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-09-23</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Burgerlijk recht</subject><abstract lang="nl">Vervoerszaak. Het betreft een vrijwaringzaak waarin in eerste instantie een verstekvonnis is gewezen en thans in de verzetprocedure uitspraak wordt gedaan. De vraag is of de gedaagde (zijnde de verzekeraar) naar Pools recht gehouden is dekking te verlenen voor de schade, tot betaling waarvan haar verzekerde in de hoofdzaak is veroordeeld. Moet de verzekeraar de vervoerder vrijwaren? De schade is geleden doordat de lading werd verduisterd door iemand die zich valselijk heeft voorgedaan als vervoerder. Pools recht is van toepassing. De rechtbank deed tevergeefs een verzoek aan het Internationaal Juridisch Instituut over bepaalde rechtsvragen naar Pools recht. Op basis van een legal opinion van een Poolse advocaat komt de rechtbank tot het oordeel dat de verzekeraar de vervoerder moet vrijwaren voor de nadelige gevolgen van het verlies van de hoofdzaak.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: C/03/333573/ HA ZA 24-352</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Verzet</description><issued>2026-09-30</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RBDHA:2026:27698</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:27698</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RBDHA:2026:27698"><country>NL</country><court>RBDHA</court></isVersionOf><creator lang="nl">Rechtbank Den Haag</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-02-09</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Bestuursrecht</subject><abstract lang="nl">Beroep tegen afwijzing verzoek om overbrenging naar Nederland op grond van de Tolkenregeling - eiser beroept zich op de Tolkenregeling omdat hij als toeleverancier heeft gewerkt voor het Nederlandse Provincial Reconstruction Team van de Nederlandse militaire missie in de provincie Uruzgan, Afghanistan - verweerder heeft zich op het standpunt mogen stellen dat eiser niet in aanmerking komt voor overbrenging op grond van de Tolkenregeling omdat hij niet kan worden aangemerkt als een lokale medewerker die een substantiële periode werkzaamheden heeft verricht voor de Nederlandse militaire missie - de Tolkenregeling is niet in strijd met het evenredigheidsbeginsel- niet gebleken van omstandigheden waardoor verweerder overbrenging alsnog had moeten faciliteren - beroep ongegrond.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: SGR 25/1416</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Eerste aanleg - enkelvoudig</description><contributor lang="nl">Rechter(s): D. Biever</contributor><issued>2026-09-30</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RBAMS:2026:9688</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:9688</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RBAMS:2026:9688"><country>NL</country><court>RBAMS</court></isVersionOf><creator lang="nl">Rechtbank Amsterdam</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-09-10</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Burgerlijk recht</subject><abstract lang="nl">Huur woonruimte; vordering (tijdelijke) ontruiming na brand</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 12303740 \ KK EXPL 26-439</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Eerste aanleg - enkelvoudig, Kort geding, Proceskostenveroordeling, Verstek</description><issued>2026-09-30</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RBLIM:2026:6700</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:6700</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RBLIM:2026:6700"><country>NL</country><court>RBLIM</court></isVersionOf><creator lang="nl">Rechtbank Limburg</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-07-01</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Burgerlijk recht</subject><abstract lang="nl">voorlopige voorziening zorgregeling. raadsonderzoek gelast in bodemzaak ontbinding geregistreerd partnerschap</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: C/03/352032 / FA RK 26-1002</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Voorlopige voorziening, Beschikking</description><issued>2026-09-30</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RBOVE:2026:5794</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBOVE:2026:5794</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RBOVE:2026:5794"><country>NL</country><court>RBOVE</court></isVersionOf><creator lang="nl">Rechtbank Overijssel</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-09-15</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Burgerlijk recht</subject><abstract lang="nl">Samenloop crisismaatregel en zorgmachtiging. De crisismaatregel wordt in beroep vernietigd met toekenning van een schadevergoeding vanwege de verwarring en extra stress voor betrokkene.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: C/08/350898 / FA RK 26-2071</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Eerste aanleg - enkelvoudig</description><contributor lang="nl">Rechter(s): A.L. Smit</contributor><issued>2026-09-30</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RBOVE:2026:5793</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBOVE:2026:5793</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RBOVE:2026:5793"><country>NL</country><court>RBOVE</court></isVersionOf><creator lang="nl">Rechtbank Overijssel</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-09-15</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Burgerlijk recht</subject><abstract lang="nl">Wijziging omstandigheden, kind naar middelbare school. Doordeweekse dag bij vader te belastend voor kind, mede i.v.m. reistijd van een uur</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: C/08/349837 / FA RK 26-1739</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Eerste aanleg - enkelvoudig, Beschikking</description><contributor lang="nl">Rechter(s): C.W. Couperus-van Kooten</contributor><issued>2026-09-30</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RBLIM:2026:9213</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:9213</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RBLIM:2026:9213"><country>NL</country><court>RBLIM</court></isVersionOf><creator lang="nl">Rechtbank Limburg</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-08-17</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Familierecht</subject><abstract lang="nl">Afwijzing verzoek zorgmachtiging aansluitend op zorgmachtiging</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: C/03/354734 / BZ RK 26-1538</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Rekestprocedure</description><issued>2026-09-30</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RBDHA:2025:28159</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:28159</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RBDHA:2025:28159"><country>NL</country><court>RBDHA</court></isVersionOf><creator lang="nl">Rechtbank Den Haag</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2025-11-07</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Bestuursrecht</subject><abstract lang="nl">Afwijzing aanvraag VOG voor werkzaamheden als taxichauffeur - verweerder heeft zich op het standpunt mogen stellen dat de belangenafweging in eisers nadeel uitvalt - beroep ongegrond.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: SGR 24/9585</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Eerste aanleg - enkelvoudig</description><contributor lang="nl">Rechter(s): D.C. Laagland</contributor><issued>2026-09-30</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RBDHA:2026:28899</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:28899</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RBDHA:2026:28899"><country>NL</country><court>RBDHA</court></isVersionOf><creator lang="nl">Rechtbank Den Haag</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-09-30</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Bestuursrecht</subject><abstract lang="nl">Vervolgberoep vreemdelingenbewaring – zicht op uitzetting – voortvarend handelen – beroep ongegrond</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: NL26.55341</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Eerste aanleg - enkelvoudig</description><issued>2026-09-30</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RBDHA:2026:28890</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:28890</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RBDHA:2026:28890"><country>NL</country><court>RBDHA</court></isVersionOf><creator lang="nl">Rechtbank Den Haag</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-09-22</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Burgerlijk recht</subject><abstract lang="nl">Kort geding. Proces-verbaal mondeling vonnis. Vordering tot verwijdering van de door de verzekeraar opgenomen registratie in het extern verwijzingsregister vanwege fraude (en de daarmee samenhangende registraties in de gebeurtenisadministratie, het intern verwijzingsregister en het incidentenregister) afgewezen.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: C/09/712834/ KG ZA 26-1006</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Kort geding, Mondelinge uitspraak, Proces-verbaal</description><contributor lang="nl">Rechter(s): P. Dondorp</contributor><issued>2026-09-30</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RBOVE:2026:5795</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBOVE:2026:5795</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RBOVE:2026:5795"><country>NL</country><court>RBOVE</court></isVersionOf><creator lang="nl">Rechtbank Overijssel</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-09-29</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Strafrecht</subject><abstract lang="nl">De politierechter veroordeelt verdachte tot een taakstraf voor het medeplegen van valsheid in geschrift bij het aanvragen van TVL (Tegemoetkoming Vaste Lasten) tijdens de Corona-periode. RVO die zich als benadeelde heeft gevoegd, wordt niet-ontvankelijk verklaard. RVO is geen rechtspersoon en heeft geen zelfstandige procesbevoegdheid.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 84.356022.24 (P)</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Eerste aanleg - enkelvoudig</description><contributor lang="nl">Rechter(s): mr. R.P. van Campen</contributor><issued>2026-09-30</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RBAMS:2026:9689</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:9689</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RBAMS:2026:9689"><country>NL</country><court>RBAMS</court></isVersionOf><creator lang="nl">Rechtbank Amsterdam</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-09-18</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Burgerlijk recht</subject><abstract lang="nl">Huur woonruimte; redelijkheid aanvangshuurprijs; energielabel; gebreken; 7:249 BW; 7:262 BW; 7:204 BW; 7:206 BW; 7:207 BW.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 12058785 \ CV EXPL 26-747</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Bodemzaak, Eerste aanleg - enkelvoudig, Proceskostenveroordeling, Op tegenspraak</description><issued>2026-09-30</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RBZWB:2026:8948</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:8948</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RBZWB:2026:8948"><country>NL</country><court>RBZWB</court></isVersionOf><creator lang="nl">Rechtbank Zeeland-West-Brabant</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-09-02</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Burgerlijk recht</subject><abstract lang="nl">Huurzaak; eindvonnis na tussenvonnis; huurachterstand; uitspraak Huurcommissie; verhuurder grotendeels in het ongelijk gesteld.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 11871338 CV EXPL 25-4418 (E)</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Bodemzaak</description><issued>2026-09-30</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RBNNE:2026:3791</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNNE:2026:3791</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RBNNE:2026:3791"><country>NL</country><court>RBNNE</court></isVersionOf><creator lang="nl">Rechtbank Noord-Nederland</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-09-03</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Strafrecht</subject><abstract lang="nl">Veroordeling voor zware mishandeling tot een gevangenisstraf van 61 dagen, waarvan 60 dagen voorwaardelijk en een taakstraf voor de duur van 100 uren. Toewijzing van de vordering benadeelde partij en verplichting tot betaling van een bedrag van € 37.245,85.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 18/056216-26</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Eerste aanleg - meervoudig, Op tegenspraak</description><contributor lang="nl">Rechter(s): mr. M. Brinksma, mr. L.M.B. Soppe, mr. H.P. Eckert</contributor><issued>2026-09-04</issued><reference relation="citing" lang="nl">Wetboek van Strafrecht 77a</reference></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RBOVE:2026:5796</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBOVE:2026:5796</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RBOVE:2026:5796"><country>NL</country><court>RBOVE</court></isVersionOf><creator lang="nl">Rechtbank Overijssel</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-09-29</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Strafrecht</subject><abstract lang="nl">De politierechter veroordeelt verdachte tot een taakstraf voor het medeplegen van valsheid in geschrift bij het aanvragen van TVL (Tegemoetkoming Vaste Lasten) tijdens de Corona-periode. RVO die zich als benadeelde heeft gevoegd, wordt niet-ontvankelijk verklaard. RVO is geen rechtspersoon en heeft geen zelfstandige procesbevoegdheid.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 84.356056.24 (P)</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Eerste aanleg - enkelvoudig</description><contributor lang="nl">Rechter(s): R.P. van Campen</contributor><issued>2026-09-30</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:GHARL:2026:6091</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2026:6091</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:GHARL:2026:6091"><country>NL</country><court>GHARL</court></isVersionOf><creator lang="nl">Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-09-22</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Burgerlijk recht</subject><abstract lang="nl">Uitleg van AOV-verzekering. Geen verjaring ex art 7:942 lid 1 BW (behoudens uitzondering). Geen schending van klachtplicht.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 200.358.960</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Hoger beroep, Beschikking</description><issued>2026-09-30</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RBOVE:2026:5797</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBOVE:2026:5797</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RBOVE:2026:5797"><country>NL</country><court>RBOVE</court></isVersionOf><creator lang="nl">Rechtbank Overijssel</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-09-29</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Strafrecht</subject><abstract lang="nl">De politierechter veroordeelt verdachte tot een taakstraf voor het medeplegen van valsheid in geschrift bij het aanvragen van TVL (Tegemoetkoming Vaste Lasten) tijdens de Corona-periode. RVO die zich als benadeelde heeft gevoegd, wordt niet-ontvankelijk verklaard. RVO is geen rechtspersoon en heeft geen zelfstandige procesbevoegdheid.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 84.083289.24 (P)</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Eerste aanleg - enkelvoudig</description><contributor lang="nl">Rechter(s): mr. R.P. van Campen</contributor><issued>2026-09-30</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:OGEAC:2025:378</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:OGEAC:2025:378</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:OGEAC:2025:378"><country>NL</country><court>OGEAC</court></isVersionOf><creator lang="nl">Gerecht in eerste aanleg van Curaçao</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2025-08-25</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Burgerlijk recht</subject><abstract lang="nl">Eisers als kopers hebben van gedaagden als verkopers een perceel grond met opstallen (hierna: resort) gekocht in Curaçao. eisers vorderen vergoeding van de schade uit hoofde van de koopovereenkomst.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: CUR202500733</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Eerste aanleg - enkelvoudig</description><contributor lang="nl">Rechter(s): I. Tubben</contributor><issued>2026-09-30</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RBDHA:2026:28862</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:28862</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RBDHA:2026:28862"><country>NL</country><court>RBDHA</court></isVersionOf><creator lang="nl">Rechtbank Den Haag</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-09-17</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Bestuursrecht</subject><abstract lang="nl">De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Dat betekent dat eiser ongelijk krijgt en het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag in stand blijft. De rechtbank is van oordeel dat verweerder ten aanzien van Frankrijk heeft mogen uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: NL26.50527</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Voorlopige voorziening+bodemzaak</description><contributor lang="nl">Rechter(s): M. Ramondt</contributor><issued>2026-09-30</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:PHR:2026:888</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2026:888</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:PHR:2026:888"><country>NL</country><court>PHR</court></isVersionOf><creator lang="nl">Parket bij de Hoge Raad</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-09-29</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Conclusie</type><subject lang="nl">Strafrecht</subject><abstract lang="nl">Conclusie AG. Snelheidsovertreding. Vrijspraak eerste aanleg. Klacht dat enkelvoudige kamer hof redengevende inhoud bewijsmiddelen niet heeft weergegeven in aantekening mondeling arrest faalt volgens AG nu de in art. 425 lid 3 Sv bedoelde Regeling inhoudt dat daarvoor kan worden verwezen naar processtukken. Conclusie strekt tot verwerping.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 24/04434</description><issued>2026-09-30</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RBDHA:2026:28832</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:28832</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RBDHA:2026:28832"><country>NL</country><court>RBDHA</court></isVersionOf><creator lang="nl">Rechtbank Den Haag</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-09-22</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Bestuursrecht</subject><abstract lang="nl">Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvragen van eisers tot het verlenen van een visum voor kort verblijf. Eisers verblijven in Tunesië en zijn uitgenodigd om naar Nederland te komen. Verweerder heeft de aanvragen afgewezen en de bezwaren daartegen ook. Volgens verweerder zijn het doel en de omstandigheden van de reis onduidelijk. Ook zou sprake zijn van onvoldoende sociale en economische binding met Tunesië, waardoor wordt getwijfeld aan eisers tijdige terugkeer naar Tunesië. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat verweerder in bezwaar eisers ten onrechte niet heeft gehoord. Daarbij is van belang dat verweerder ten onrechte heeft geconcludeerd dat het doel en de omstandigheden van het voorgenomen verblijf onvoldoende zijn onderbouwd. Verder is de sociale binding van eisers met Tunesië inderdaad beperkt maar dat kan gecompenseerd worden door hun economische binding met Tunesië. De rechtbank volgt op basis van de beschikbare stukken namelijk ook niet dat eisers geen regelmatig en substantieel inkomen genieten als fixer en chauffeur en dat dit voldoende is voor hun levensonderhoud.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: NL25.22316</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Eerste aanleg - enkelvoudig</description><contributor lang="nl">Rechter(s): T.N. van Rijn</contributor><issued>2026-09-30</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RBDHA:2026:28829</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:28829</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RBDHA:2026:28829"><country>NL</country><court>RBDHA</court></isVersionOf><creator lang="nl">Rechtbank Den Haag</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-09-17</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Bestuursrecht</subject><abstract lang="nl">Eerste beroep, artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw. Lichter middel. Beroep ongegrond.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: NL26.52173</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Eerste aanleg - enkelvoudig</description><contributor lang="nl">Rechter(s): E. BROEKHOF</contributor><issued>2026-09-30</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RBDHA:2026:28828</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:28828</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RBDHA:2026:28828"><country>NL</country><court>RBDHA</court></isVersionOf><creator lang="nl">Rechtbank Den Haag</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-09-18</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Bestuursrecht</subject><abstract lang="nl">Eerste beroep, artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw. Beroep tevens tegen terugkeerbesluit en inreisverbod. Lichter middel. Beroep ongegrond.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: NL26.52258 en NL26.52974</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Eerste aanleg - enkelvoudig</description><contributor lang="nl">Rechter(s): E. BROEKHOF</contributor><issued>2026-09-30</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RBROT:2026:12951</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:12951</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RBROT:2026:12951"><country>NL</country><court>RBROT</court></isVersionOf><creator lang="nl">Rechtbank Rotterdam</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-09-24</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Strafrecht</subject><abstract lang="nl">Herstelvonnis. Zie ook ECLI:NL:RBROT:2026:12950</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 09.368304.24</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Eerste aanleg - meervoudig</description><contributor lang="nl">Rechter(s): mr. L. Daum, mr. M.J.C. Spoormaker, mr. M.A. Loenen</contributor><issued>2026-09-30</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RBZWB:2026:9425</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:9425</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RBZWB:2026:9425"><country>NL</country><court>RBZWB</court></isVersionOf><creator lang="nl">Rechtbank Zeeland-West-Brabant</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-09-29</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Strafrecht</subject><abstract lang="nl">Veroordeling voor medeplegen van het bereiden, bewerken en verwerken van cocaïne en de voorbereiding daarvan. Oplegging van een gevangenisstraf van 48 dagen, waarvan 30 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 1 jaar, met aftrek van het voorarrest, en een taakstraf van 40 uur, te vervangen door 20 dagen hechtenis.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 02-227070-23</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Op tegenspraak</description><contributor lang="nl">Rechter(s): mr. D.H. Hamburger, mr. K. Verschueren, mr. J.P.E. Mullers</contributor><issued>2026-09-30</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RBLIM:2026:9910</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:9910</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RBLIM:2026:9910"><country>NL</country><court>RBLIM</court></isVersionOf><creator lang="nl">Rechtbank Limburg</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-09-07</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Strafrecht</subject><abstract lang="nl">Wraking - geen feiten of omstandigheden die de rechters betreffen. een verzoek kan niet leiden tot vervanging van de griffier, het verzoek is kennelijk ongegrond.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: C/03/355844 / HA RK 26-154</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Wraking</description><contributor lang="nl">Rechter(s): mr. J. Schreurs-van de Langemheen, mr. Y.J.C.A. Roeffen, mr. H.M.J. Quaedvlieg</contributor><issued>2026-09-30</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RBMNE:2026:6628</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:6628</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RBMNE:2026:6628"><country>NL</country><court>RBMNE</court></isVersionOf><creator lang="nl">Rechtbank Midden-Nederland</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-09-16</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Burgerlijk recht</subject><abstract lang="nl">Vernietiging overeenkomst op grond van dwaling. Terugbetaling aankoopbedrag met rente. Afwijzing vordering aanvullende schadevergoeding.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 11921030 \ MC EXPL 25-5621</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Eerste aanleg - enkelvoudig</description><contributor lang="nl">Rechter(s): R.W. Nederveen</contributor><issued>2026-09-30</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RBZWB:2026:9427</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:9427</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RBZWB:2026:9427"><country>NL</country><court>RBZWB</court></isVersionOf><creator lang="nl">Rechtbank Zeeland-West-Brabant</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-09-29</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Strafrecht</subject><abstract lang="nl">Veroordeling voor het medeplegen van handelen in harddrugs, het bezit van cocaïne en eenvoudig witwassen. Oplegging van gevangenisstraf van 240 dagen, met aftrek van het voorarrest, waarvan 193 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 1 jaar en een taakstraf van 200 uur, te vervangen door 100 dagen hechtenis. Overschrijding van de redelijke termijn. Beslag.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 02-223298-23 en 02-073316-23 (gev. ttz)</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Op tegenspraak</description><contributor lang="nl">Rechter(s): mr. D.H. Hamburger, mr. K. Verschueren, mr. J.P.E. Mullers</contributor><issued>2026-09-30</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RBDHA:2025:28160</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:28160</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RBDHA:2025:28160"><country>NL</country><court>RBDHA</court></isVersionOf><creator lang="nl">Rechtbank Den Haag</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2025-11-07</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Bestuursrecht</subject><abstract lang="nl">Afwijzing aanvraag VOG voor een stage - verweerder heeft zich op het standpunt mogen stellen dat de belangenafweging in het nadeel van eiser uitvalt - beroep ongegrond.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: SGR 25/324</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Eerste aanleg - enkelvoudig</description><contributor lang="nl">Rechter(s): D.C. Laagland</contributor><issued>2026-09-30</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RBGEL:2026:7246</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2026:7246</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RBGEL:2026:7246"><country>NL</country><court>RBGEL</court></isVersionOf><creator lang="nl">Rechtbank Gelderland</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-09-24</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Familierecht</subject><abstract lang="nl">Raadsonderzoek naar gezag en omgang. Moeder verblijft groot deel van de tijd in Dubai en kan geen duidelijk antwoord geven op de vraag hoe zij dat wenst te combineren met de zorg voor hun dochter. De rechtbank stelt de partneralimentatie op nihil, omdat de moeder onvoldoende onderbouwd heeft betwist dat zij niet in staat is om in haar eigen levensonderhoud te voorzien. De rechtbank bepaalt dat de moeder met €25 per maand dient bij te dragen in de kosten van het kind. De rechtbank kan geen berekening maken.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: C/05/462488 / FA RK 26-344</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Eerste aanleg - enkelvoudig, Beschikking</description><contributor lang="nl">Rechter(s): C.M. Koopman</contributor><issued>2026-09-30</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RBZWB:2026:9426</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:9426</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RBZWB:2026:9426"><country>NL</country><court>RBZWB</court></isVersionOf><creator lang="nl">Rechtbank Zeeland-West-Brabant</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-09-29</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Strafrecht</subject><abstract lang="nl">Veroordeling voor het medeplegen van handelen in harddrugs, het in voorraad hebben van ketamine en eenvoudig witwassen. Oplegging van een gevangenisstraf van 240 dagen, met aftrek van het voorarrest, waarvan 165 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 1 jaar en een taakstraf van 200 uur, te vervangen door 100 dagen hechtenis. Beslag.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 02-225990-23</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Op tegenspraak</description><contributor lang="nl">Rechter(s): mr. D.H. Hamburger, mr. K. Verschueren, mr. J.P.E. Mullers</contributor><issued>2026-09-30</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RBLIM:2026:9909</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:9909</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RBLIM:2026:9909"><country>NL</country><court>RBLIM</court></isVersionOf><creator lang="nl">Rechtbank Limburg</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-09-01</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Bestuursrecht</subject><abstract lang="nl">wraking- regievoering is aan de rechter - procesbeslissing - ongegrond</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: C/03/355199 / HA RK 26-142</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Wraking</description><contributor lang="nl">Rechter(s): mr. a aaaa, mr. b bbbb, mr. x xxxxx</contributor><issued>2026-09-30</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RBDHA:2026:27984</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:27984</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RBDHA:2026:27984"><country>NL</country><court>RBDHA</court></isVersionOf><creator lang="nl">Rechtbank Den Haag</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-09-23</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Bestuursrecht</subject><abstract lang="nl">Vreemdelingenbewaring 59.1.a Gronden niet betwist. Geen aanleiding lichter middel.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: NL26.53329</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Eerste aanleg - enkelvoudig</description><contributor lang="nl">Rechter(s): H.W.H. Oude Aarninkhof</contributor><issued>2026-09-30</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RBDHA:2026:27988</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:27988</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RBDHA:2026:27988"><country>NL</country><court>RBDHA</court></isVersionOf><creator lang="nl">Rechtbank Den Haag</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-09-23</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Bestuursrecht</subject><abstract lang="nl">Vreemdelingenbewaring 59b, onder a, b en c Gronden feitelijk juist. Geen aanleiding lichter middel, ook niet gelet op de totale duur van de vreemdelingebewaring.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: NL26.53351</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Eerste aanleg - enkelvoudig</description><contributor lang="nl">Rechter(s): H.W.H. Oude Aarninkhof</contributor><issued>2026-09-30</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RBDHA:2026:27992</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:27992</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RBDHA:2026:27992"><country>NL</country><court>RBDHA</court></isVersionOf><creator lang="nl">Rechtbank Den Haag</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-09-23</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Bestuursrecht</subject><abstract lang="nl">Beroep tegen afwijzing asielaanvraag. Spanje is verantwoordelijk voor de behandeling van de aanvraag en verweerder mag ten aanzien van Spanje nog altijd uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel uitgaan. Beroep kennelijk ongegrond.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: NL26.27143</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Eerste aanleg - enkelvoudig</description><contributor lang="nl">Rechter(s): T.M. Weeda</contributor><issued>2026-09-30</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RBDHA:2026:27999</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:27999</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RBDHA:2026:27999"><country>NL</country><court>RBDHA</court></isVersionOf><creator lang="nl">Rechtbank Den Haag</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-09-23</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Bestuursrecht</subject><abstract lang="nl">Verzoek om een voorlopige voorziening te treffen zodat het beroep mag worden afgewacht in Nederland. Het verzoek wordt afgewezen, omdat al op het beroep is beslist.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: NL26.27144</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Eerste aanleg - enkelvoudig</description><contributor lang="nl">Rechter(s): T.M. Weeda</contributor><issued>2026-09-30</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RBOVE:2026:5655</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBOVE:2026:5655</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RBOVE:2026:5655"><country>NL</country><court>RBOVE</court></isVersionOf><creator lang="nl">Rechtbank Overijssel</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-09-23</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Sociale-zekerheidsrecht</subject><abstract lang="nl">Ingangsdatum Wajong. Eiser stelt dat de ingangsdatum zijn achttiende verjaardag moet zijn of van het eerste moment waarop het UWV kennis had kunnen nemen van de Wajong-relevante situatie. De rechtbank oordeelt dat het UWV terecht heeft besloten dat het recht op de Wajong-uitkering niet eerder in kan gaan dan 17 juli 2025, omdat dat de dag was waarop de aanvraag is ingediend.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: ZWO 26/1357</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Eerste aanleg - enkelvoudig</description><contributor lang="nl">Rechter(s): F. Koster</contributor><issued>2026-09-30</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RBDHA:2026:28782</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:28782</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RBDHA:2026:28782"><country>NL</country><court>RBDHA</court></isVersionOf><creator lang="nl">Rechtbank Den Haag</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-09-29</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Bestuursrecht</subject><abstract lang="nl">afwijzing mvv Eritrea nareis bij vader, stappen naar zelfstandigheid gezet, gezinsband verbroken. Ook Geen BEVA.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: NL25.2444</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Eerste aanleg - enkelvoudig</description><contributor lang="nl">Rechter(s): mr. C.E. Bos</contributor><issued>2026-09-30</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RBLIM:2026:9902</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:9902</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RBLIM:2026:9902"><country>NL</country><court>RBLIM</court></isVersionOf><creator lang="nl">Rechtbank Limburg</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-07-20</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Belastingrecht</subject><abstract lang="nl">De rechter heeft nog geen beslissingen genoemen noch conclusies getrokken. Het wrakingsverzoek mist feitelijke grondslag. Ongegrond.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: C/03/354098 / HA RK 26-120</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Wraking</description><contributor lang="nl">Rechter(s): mr. J.M.E. Derks, mr. H.J.M. Quaedvlieg, mr. M.J.A.G. van  Baal</contributor><issued>2026-09-30</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RBNNE:2026:4120</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNNE:2026:4120</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RBNNE:2026:4120"><country>NL</country><court>RBNNE</court></isVersionOf><creator lang="nl">Rechtbank Noord-Nederland</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-09-17</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Insolventierecht</subject><abstract lang="nl">Toelating tot Wsnp o.g.v. hardheidsclausule. Keer ten goede. Onderneming beëindigd. Fulltime baan. Geen eerdere ingangsdatum.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: C18/26/1280 R</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Eerste aanleg - enkelvoudig</description><contributor lang="nl">Rechter(s): C.H. Beuker</contributor><issued>2026-09-30</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RBLIM:2026:6199</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:6199</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RBLIM:2026:6199"><country>NL</country><court>RBLIM</court></isVersionOf><creator lang="nl">Rechtbank Limburg</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-06-11</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Burgerlijk recht</subject><abstract lang="nl">Onvoldoende spoedeisend belang bij voorlopige voorzienig en daarnaast is de bodemrechter daarnaast van oordeel dat de kans van slagen in de bodemprocedure dermate ongewis is dat geen voorlopige voorziening kan worden gegeven.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: C/03/351494 / KG ZA 26-144</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Kort geding</description><issued>2026-09-30</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RBNNE:2026:4121</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNNE:2026:4121</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RBNNE:2026:4121"><country>NL</country><court>RBNNE</court></isVersionOf><creator lang="nl">Rechtbank Noord-Nederland</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-09-17</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Insolventierecht</subject><abstract lang="nl">Toelating tot Wsnp o.g.v. hardheidsclausule. Keer ten goede. Onderneming beëindigd. Baan in loondienst. Financiële hulp. Geen eerdere ingangsdatum.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: C18/26/1279 R</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Eerste aanleg - enkelvoudig</description><contributor lang="nl">Rechter(s): C.H. Beuker</contributor><issued>2026-09-30</issued><reference relation="citing" lang="nl">Faillissementswet 288</reference><reference relation="citing" lang="nl">Faillissementswet 349a</reference></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:GHDHA:2026:2943</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2026:2943</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:GHDHA:2026:2943"><country>NL</country><court>GHDHA</court></isVersionOf><creator lang="nl">Gerechtshof Den Haag</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-09-24</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Strafrecht</subject><abstract lang="nl">Veroordeling voor artikel 245 Sr (ontucht minderjarige). Seksuele handelingen tussen twee twaalfjarigen. Bewijsoverweging omtrent het ontuchtige karakter van de handelingen. Is het handelen in strijd met de sociaal ethische norm? Toepassing van artikel 9a Sr.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 22-002924-25</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Hoger beroep</description><issued>2026-09-28</issued><reference type="ECLI" relation="precededBy" lang="nl">ECLI:NL:RBROT:2025:11306</reference></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RBNNE:2026:4117</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNNE:2026:4117</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RBNNE:2026:4117"><country>NL</country><court>RBNNE</court></isVersionOf><creator lang="nl">Rechtbank Noord-Nederland</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-09-17</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Insolventierecht</subject><abstract lang="nl">Toelating tot de Wsnp zonder eerdere ingangsdatum.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: C18/26/1278 R</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Eerste aanleg - enkelvoudig</description><contributor lang="nl">Rechter(s): M.C. Groenewegen</contributor><issued>2026-09-30</issued><reference relation="citing" lang="nl">Faillissementswet 288</reference><reference relation="citing" lang="nl">Faillissementswet 349a</reference></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RBNNE:2026:4118</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNNE:2026:4118</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RBNNE:2026:4118"><country>NL</country><court>RBNNE</court></isVersionOf><creator lang="nl">Rechtbank Noord-Nederland</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-09-11</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Insolventierecht</subject><abstract lang="nl">Toelating tot de Wsnp zonder eerdere ingangsdatum.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: C18/26/1269 R</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Eerste aanleg - enkelvoudig</description><contributor lang="nl">Rechter(s): M.C. Groenewegen</contributor><issued>2026-09-30</issued><reference relation="citing" lang="nl">Faillissementswet 288</reference><reference relation="citing" lang="nl">Faillissementswet 349a</reference></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RBNNE:2026:4119</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNNE:2026:4119</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RBNNE:2026:4119"><country>NL</country><court>RBNNE</court></isVersionOf><creator lang="nl">Rechtbank Noord-Nederland</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-09-11</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Insolventierecht</subject><abstract lang="nl">Toelating tot de Wsnp met eerdere ingangsdatum.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: C18/26/1274 R</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Eerste aanleg - enkelvoudig</description><contributor lang="nl">Rechter(s): M.C. Groenewegen</contributor><issued>2026-09-30</issued><reference relation="citing" lang="nl">Faillissementswet 288</reference></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RBLIM:2026:8802</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:8802</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RBLIM:2026:8802"><country>NL</country><court>RBLIM</court></isVersionOf><creator lang="nl">Rechtbank Limburg</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-08-20</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Arbeidsrecht</subject><abstract lang="nl">Nabetaling loon. Aantal uren op de loonstrook wijkt af van arbeidsomvang in arbeidsovereenkomst. Doorbetaling loon bij ziekte op basis van die arbeidsomvang en naar het in de overeenkomst vastgelegde percentage van 85%. Niet gebleken van een bestendig beding van doorbetaling van het volledige loon.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 12204931 \ CV EXPL 26-2139</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Kort geding</description><issued>2026-09-30</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RBDHA:2026:28893</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:28893</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RBDHA:2026:28893"><country>NL</country><court>RBDHA</court></isVersionOf><creator lang="nl">Rechtbank Den Haag</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-08-06</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Bestuursrecht</subject><abstract lang="nl">VK; vaststelling geen rechtmatig verblijf op grond van het Unierecht; vertrektermijn terugkeerbesluit; belangenafweging; hoorplicht; ogg; overschrijding redelijke termijn.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: NL24.22668</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Eerste aanleg - enkelvoudig</description><issued>2026-09-30</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:OGEAC:2025:380</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:OGEAC:2025:380</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:OGEAC:2025:380"><country>NL</country><court>OGEAC</court></isVersionOf><creator lang="nl">Gerecht in eerste aanleg van Curaçao</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2025-05-16</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Burgerlijk recht</subject><abstract lang="nl">Een dwangbevel van DUO kan ook hier te lande ten uitvoer worden gelegd.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: CUR202501003</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Eerste aanleg - enkelvoudig, Kort geding</description><contributor lang="nl">Rechter(s): I. Tubben</contributor><issued>2026-09-30</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RBAMS:2014:1</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><status>deleted</status><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2014:1</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RBAMS:2014:1"><country>NL</country><court>RBAMS</court></isVersionOf><creator lang="nl">Rechtbank Amsterdam</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2014-02-28</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Belastingrecht</subject><subject lang="nl">Insolventierecht</subject><description lang="nl">Zaaknummer: 1234</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Eerste aanleg - enkelvoudig, Hoger beroep</description><contributor lang="nl">Rechter(s): M.A. Jansen-van Leeuwen, M. Jansen, A.L.J.M.A. Janssens, P.J. Jansen, J.Y.B. Jansen, J.H. Janssen, M.E.H. Janssen, J.A.M. Jansen, P.A.M. Penders-Janssen, J.A.W. Jansen, T.S. Jansen, L. Janse, S. Jansen LL.M., S.C.E.F. Moulen Janssen, Testrechter, O.M. Jans, B.A.R. Janssen</contributor><reference relation="citing" lang="nl">Grondwet 12</reference><reference relation="citing" lang="nl">Kaderwet EZ-, LVVN- en KGG-subsidies</reference><reference relation="citing" lang="nl">Regeling Europese EZ-, LVVN- en KGG-subsidies 2021</reference></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RBDHA:2025:28161</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:28161</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RBDHA:2025:28161"><country>NL</country><court>RBDHA</court></isVersionOf><creator lang="nl">Rechtbank Den Haag</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2025-11-07</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Bestuursrecht</subject><abstract lang="nl">Afwijzing aanvraag om erkenning van beroepskwalificaties als onderwijzer in het voortgezet onderwijs - verweerder heeft kunnen concluderen dat het diploma van eiseres niet vergelijkbaar is met een Nederlands diploma - het beroep van eiseres op het gelijkheidsbeginsel kan niet slagen - beroep ongegrond.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: SGR 24/3641</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Eerste aanleg - enkelvoudig</description><contributor lang="nl">Rechter(s): D.C. Laagland</contributor><issued>2026-09-30</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:PHR:2026:932</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2026:932</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:PHR:2026:932"><country>NL</country><court>PHR</court></isVersionOf><creator lang="nl">Parket bij de Hoge Raad</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-09-29</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Conclusie</type><subject lang="nl">Strafrecht</subject><abstract lang="nl">Conclusie PG. Parlementaire ondervragingscommissie ongewenste beïnvloeding uit onvrije landen (POCOB). Feitelijk leidinggeven aan opzettelijk niet voldoen aan vordering van parlementaire enquêtecommissie tot kennisnemen van documenten (art. 192a Sr), valsheid in geschrift (art. 225 Sr) en meineed (art. 207 Sr). Middel 1 betreft de bewezenverklaring van opzettelijk niet voldoen aan de vordering van de parlementaire enquêtecommissie. Middel 2 klaagt over het bewijs van opzet bij valsheid in geschrift en meineed. Conclusie strekt tot verwerping van het beroep.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 25/00230</description><issued>2026-09-30</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RBGEL:2026:6425</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2026:6425</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RBGEL:2026:6425"><country>NL</country><court>RBGEL</court></isVersionOf><creator lang="nl">Rechtbank Gelderland</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-08-05</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Burgerlijk recht</subject><abstract lang="nl">Eigenaar geworden van een stuk perceel op grond van verjaring. In reconventie is onrechtmatige hinder door muurankers van een balkon onvoldoende onderbouwd.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: C/05/457188</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Bodemzaak, Eerste aanleg - enkelvoudig</description><contributor lang="nl">Rechter(s): A.J.J.M. Weijnen</contributor><issued>2026-08-18</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RBDHA:2025:28162</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:28162</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RBDHA:2025:28162"><country>NL</country><court>RBDHA</court></isVersionOf><creator lang="nl">Rechtbank Den Haag</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2025-11-21</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Bestuursrecht</subject><abstract lang="nl">Oplegging cursus verantwoord rijgedrag - verweerder heeft de cursus terecht opgelegd aan eiser - verweerder mocht uitgaan van juistheid van de mededeling en het proces-verbaal waaruit blijkt dat eiser 60 kilometer te hard heeft gereden en het vermoeden dat eiser niet langer beschikt over de vereiste rijvaardigheid baseren - beroep ongegrond.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: SGR 25/807</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Eerste aanleg - enkelvoudig</description><contributor lang="nl">Rechter(s): W.A. Timmer</contributor><issued>2026-09-30</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RBNHO:2026:6697</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2026:6697</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RBNHO:2026:6697"><country>NL</country><court>RBNHO</court></isVersionOf><creator lang="nl">Rechtbank Noord-Holland</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-04-08</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Burgerlijk recht</subject><abstract lang="nl">-</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: C/15/368385</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Bodemzaak</description><issued>2026-06-23</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:GHAMS:2026:1825</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2026:1825</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:GHAMS:2026:1825"><country>NL</country><court>GHAMS</court></isVersionOf><creator lang="nl">Gerechtshof Amsterdam</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-07-07</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Burgerlijk recht</subject><abstract lang="nl">Artikel 3:171 BW; rechtsvordering ingesteld door een deelgenoot namens andere deelgenoten in nalatenschap. Uitspraak bindt alle deelgenoten. Deelgenoten die van mening zijn dat ten onrechte een rechtsvordering namens de nalatenschap is ingesteld of dat de deelgenoot die de rechtsvordering heeft ingesteld, daartoe niet bevoegd is, kunnen dit standpunt in de procedure innemen door zich te voegen in de procedure aan de zijde van de gedaagde partij. Processueel ondeelbare rechtsverhouding.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 200.341.834/01</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Hoger beroep</description><issued>2026-07-14</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RBOBR:2026:35</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBOBR:2026:35</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RBOBR:2026:35"><country>NL</country><court>RBOBR</court></isVersionOf><creator lang="nl">Rechtbank Oost-Brabant</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-01-09</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Burgerlijk recht</subject><abstract lang="nl">Erfrecht. Uitleg testament. Verzoekschrift bij kantonrechter. Art. 96 lid 1 Rv. Zogenaamde rampenclausule.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 11846154 \ EJ VERZ 25-473</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Beschikking</description><contributor lang="nl">Rechter(s): J.J.A. Donkersloot</contributor><issued>2026-01-23</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RBGEL:2025:11956</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2025:11956</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RBGEL:2025:11956"><country>NL</country><court>RBGEL</court></isVersionOf><creator lang="nl">Rechtbank Gelderland</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2025-07-30</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Burgerlijk recht</subject><abstract lang="nl">Wie is bestuurder van de vennootschap? Onverschuldigde betaling, onrechtmatige daad</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: C/05/444983 / HZ ZA 24-398</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Bodemzaak</description><contributor lang="nl">Rechter(s): M. Stempher</contributor><issued>2026-04-16</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RBGEL:2025:11957</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2025:11957</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RBGEL:2025:11957"><country>NL</country><court>RBGEL</court></isVersionOf><creator lang="nl">Rechtbank Gelderland</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2025-07-30</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Burgerlijk recht</subject><abstract lang="nl">Vennootschapsrecht, wie is bestuurder?</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: C/05/446021 / HA ZA 25-15</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Bodemzaak</description><contributor lang="nl">Rechter(s): M. Stempher</contributor><issued>2026-04-16</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RBLIM:2025:13247</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2025:13247</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RBLIM:2025:13247"><country>NL</country><court>RBLIM</court></isVersionOf><creator lang="nl">Rechtbank Limburg</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2025-10-14</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Familierecht</subject><abstract lang="nl">Uitleg testament door de kantonrechter (art. 96 Rv jo. 4:46 BW). De kantonrechter houdt rekening met de verklaringen van erflaatster die zij buiten het testament heeft afgelegd. De verhoudingen die erflaatster wenste te regelen zijn niet zorgvuldig, en zelfs onjuist, in het testament neergelegd.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 11729782 \ OV VERZ 25-27</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Eerste aanleg - enkelvoudig</description><contributor lang="nl">Rechter(s): N.H.J. Lafghani</contributor><issued>2026-05-07</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RBNNE:2025:5735</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNNE:2025:5735</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RBNNE:2025:5735"><country>NL</country><court>RBNNE</court></isVersionOf><creator lang="nl">Rechtbank Noord-Nederland</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2025-06-17</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Burgerlijk recht</subject><abstract lang="nl">Overeenkomst tot het verzorgen van een uitvaart. Geen ontbindingsrecht.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 11664722 CV EXPL 25-2309</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Verstek</description><contributor lang="nl">Rechter(s): L.T. de Jonge</contributor><issued>2026-01-15</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:GHAMS:2026:926</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2026:926</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:GHAMS:2026:926"><country>NL</country><court>GHAMS</court></isVersionOf><creator lang="nl">Gerechtshof Amsterdam</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-03-31</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Burgerlijk recht</subject><abstract lang="nl">Klacht tegen een notaris. Klager heeft van de bewindvoerder van zijn moeder haar concepttestament ontvangen. Heeft de notaris zijn geheimhoudingsplicht geschonden door het concepttestament aan de bewindvoerder toe te sturen? Klacht ongegrond.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 200.359.015</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Hoger beroep</description><issued>2026-04-03</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RBDHA:2026:62</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:62</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RBDHA:2026:62"><country>NL</country><court>RBDHA</court></isVersionOf><creator lang="nl">Rechtbank Den Haag</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-01-07</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Burgerlijk recht</subject><abstract lang="nl">Diverse vorderingen in verband met het overlijden van de zus van eiseres en het door de zus opgestelde testament. In het testament zijn gedaagden tot erfgenaam benoemd. Eiseres stelt onder andere dat (i) het testament van haar zus nietig of vernietigbaar is, dat (ii) gedaagden op grond van de redelijkheid en billijkheid geen rechten kunnen ontlenen aan het testament en dat (iii) gedaagden moeten vertellen waar de as van de zus is uitgestrooid. Alleen de vordering tot bekendmaking van de plaats waar de as is uitgestrooid wordt toegewezen. De overige vorderingen worden afgewezen.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: C/09/683598 / HA ZA 25-321</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Eerste aanleg - enkelvoudig</description><contributor lang="nl">Rechter(s): A.C. Bordes</contributor><issued>2026-01-07</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RBLIM:2025:10510</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2025:10510</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RBLIM:2025:10510"><country>NL</country><court>RBLIM</court></isVersionOf><creator lang="nl">Rechtbank Limburg</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2025-10-24</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Burgerlijk recht</subject><abstract lang="nl">Uitleg uiterste wilsbeschikking (artikel 4:46 BW). Kantonrechter bevoegd op grond van artikel 96 Rv. Testament bevat een legaat ten behoeve van huurders. Kantonrechter beantwoordt de vraag of de huurder in deze zaak legataris is, ontkennend.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 11376011/OV/24-53</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Beschikking</description><issued>2026-04-07</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:GHARL:2026:3585</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2026:3585</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:GHARL:2026:3585"><country>NL</country><court>GHARL</court></isVersionOf><creator lang="nl">Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-06-02</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Burgerlijk recht</subject><abstract lang="nl">Erfrecht. Legitieme portie onterfde dochter. Is overgang landbouwbedrijf op de zoons/erfgenamen een gift of een quasilegaat? Bedrijf of hobby/belegging?</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 200.351.449</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Hoger beroep</description><issued>2026-06-03</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RBDHA:2026:14817</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:14817</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RBDHA:2026:14817"><country>NL</country><court>RBDHA</court></isVersionOf><creator lang="nl">Rechtbank Den Haag</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-06-10</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Burgerlijk recht</subject><abstract lang="nl">De Gemeente is in 1946 eigenaar geworden van de collectie in het Brediusmuseum op de Prinsegracht door aanvaarding van het door [erflater] verstrekte legaat met daaraan verbonden een last (hierna: het legaat). Het museum Bredius is sinds 1990 gevestigd aan de lange Vijverberg in Den Haag. Over dit legaat is eerder tussen eiser 1 en de Gemeente geprocedeerd. [eisers] vorderen in deze procedure met name om het legaat vervallen te verklaren en de collectie aan hen als erfgenamen af te geven. Zij menen dat de Gemeente c.s. in ernstige mate de last schenden. De Gemeente c.s. hebben betwist dat zij de aan de last verbonden voorwaarden hebben geschonden dan wel dat zij de gelegateerde werken op enige manier zouden veronachtzamen. De rechtbank wijst de vorderingen van [eisers] af.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: C/09/676671</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Eerste aanleg - meervoudig</description><contributor lang="nl">Rechter(s): M.J. Alt-van Endt, D.E. Alink, I.A.M. Kroft</contributor><issued>2026-06-10</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RBOVE:2026:3767</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBOVE:2026:3767</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RBOVE:2026:3767"><country>NL</country><court>RBOVE</court></isVersionOf><creator lang="nl">Rechtbank Overijssel</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-06-22</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Burgerlijk recht</subject><abstract lang="nl">Testamentair bewind en verzoek ontslag bewindvoerder</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: C/08/346399 / HA RK 26-41</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Eerste aanleg - enkelvoudig</description><contributor lang="nl">Rechter(s): U. van Houten</contributor><issued>2026-07-07</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RBZWB:2026:3454</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:3454</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RBZWB:2026:3454"><country>NL</country><court>RBZWB</court></isVersionOf><creator lang="nl">Rechtbank Zeeland-West-Brabant</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-04-24</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Burgerlijk recht</subject><abstract lang="nl">Erfrecht. Een erfgenaam verblijft zonder recht of titel in de woning die in de nalatenschap valt. De gevorderde ontruiming wordt toegewezen, zodat de vereffenaar de woning te gelde kan maken.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: C/02/445904 / KG ZA 26-122 (E)</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Kort geding, Mondelinge uitspraak, Proces-verbaal</description><issued>2026-05-27</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:GHSHE:2026:1399</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2026:1399</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:GHSHE:2026:1399"><country>NL</country><court>GHSHE</court></isVersionOf><creator lang="nl">Gerechtshof 's-Hertogenbosch</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-06-02</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Burgerlijk recht</subject><subject lang="nl">Familierecht</subject><abstract lang="nl">Erfrecht. Procesbevoegdheid. Gezamenlijke bevoegdheid vereffenaars (art. 4:198 BW). Oproeping ex 118 Rv ontbrekende vereffenaar.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 200.346.880_01</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Hoger beroep</description><contributor lang="nl">Rechter(s): T.J. Mellema-Kranenburg, J.J.M. van Lanen, S.M.J. Korthuis-Becks</contributor><issued>2026-06-02</issued><reference relation="citing" lang="nl">Burgerlijk Wetboek Boek 4 198</reference><reference relation="citing" lang="nl">Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering 118</reference></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:HR:2026:680</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2026:680</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:HR:2026:680"><country>NL</country><court>HR</court></isVersionOf><creator lang="nl">Hoge Raad</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-04-17</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Burgerlijk recht</subject><abstract lang="nl">Caribische zaak. Erfrecht; verdeling van huuropbrengst uit nalatenschapsgoed (art. 3:169 BW Curaçao; art. 3:172 BW Curaçao). Rechtsverwerking.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 25/00704</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Cassatie</description><issued>2026-04-17</issued><reference type="ECLI" relation="precededBy" lang="nl">ECLI:NL:PHR:2025:1128</reference></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RBDHA:2026:14819</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:14819</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RBDHA:2026:14819"><country>NL</country><court>RBDHA</court></isVersionOf><creator lang="nl">Rechtbank Den Haag</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-06-10</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Burgerlijk recht</subject><abstract lang="nl">De Staat is in 1946 eigenaar geworden van 25 schilderijen, door aanvaarding van het door [erflater] verstrekte legaat met daaraan verbonden een last (hierna: het legaat). Deze schilderijen behoren tot de collectie van het Mauritshuis. [eisers] vorderen in deze procedure met name om het legaat vervallen te verklaren en de schilderijen aan hen als erfgenamen af te geven. Zij menen dat de Staat c.s. de last in ernstige mate schenden. De Staat c.s. hebben betwist dat zij de aan de last verbonden voorwaarden hebben geschonden. De rechtbank wijst de vorderingen van [eisers] af.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: C/09/673692</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Eerste aanleg - meervoudig</description><contributor lang="nl">Rechter(s): M.J. Alt-van Endt, D.E. Alink, I.A.M. Kroft</contributor><issued>2026-06-10</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RBGEL:2026:3840</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2026:3840</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RBGEL:2026:3840"><country>NL</country><court>RBGEL</court></isVersionOf><creator lang="nl">Rechtbank Gelderland</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-04-21</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Burgerlijk recht</subject><abstract lang="nl">Kort Geding. Vordering tot afgifte legaat afgewezen omdat in kort geding onvoldoende zeker is of andere schuldeisers niet benadeeld worden door afgifte.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 443993</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Eerste aanleg - enkelvoudig, Kort geding</description><contributor lang="nl">Rechter(s): D. Vergunst</contributor><issued>2026-05-19</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RBLIM:2026:2495</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:2495</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RBLIM:2026:2495"><country>NL</country><court>RBLIM</court></isVersionOf><creator lang="nl">Rechtbank Limburg</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-03-18</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Burgerlijk recht</subject><abstract lang="nl">Uitgestelde opeisbaarheid legitieme portie. De in het testament van toepassing verklaarde wettelijke verdeling is niet mogelijk. Verhouding met verblijvensbeding in samenlevingsovereenkomst.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: C/03/345710 / HA ZA 25-418</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Bodemzaak</description><issued>2026-05-08</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RBROT:2026:2456</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:2456</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RBROT:2026:2456"><country>NL</country><court>RBROT</court></isVersionOf><creator lang="nl">Rechtbank Rotterdam</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-03-09</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Burgerlijk recht</subject><abstract lang="nl">Kort geding. Executiegeschil. Grotendeels toewijzing. Vonnis gewezen tegen executeur in hoedanigheid kan niet ten uitvoer worden gelegd tegen executeur in privé. Gedaagden veroordeeld tot staken verdere executie en terugbetaling al geïnde bedrag. Vordering tot opheffing van beslag afgewezen omdat executie al was voltooid.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: C/10/712680 / KG ZA 25-1297</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Kort geding</description><contributor lang="nl">Rechter(s): R.J.A.M. Cooijmans</contributor><issued>2026-04-01</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RBROT:2026:8065</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:8065</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RBROT:2026:8065"><country>NL</country><court>RBROT</court></isVersionOf><creator lang="nl">Rechtbank Rotterdam</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-04-02</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Familierecht</subject><abstract lang="nl">Geschil tussen erfgenamen over juridische status gedenksteen/dekplaat graf erflaatster. Ondanks de natrekkingsregeling blijft het grafmonument een zelfstandige zaak en blijft de rechthebbende op het grafrecht, een van partijen, daarvan de eigenaar. Art. 5:20 BW en art. 32a Wlb (Wet op de lijkbezorging). Als rechthebbende op het grafrecht was een van gedaagden daarom bevoegd om te bepalen welke tekst op de gedenksteen/gedenkplaat kwam. Ook wanneer wel sprake zou zijn van een gemeenschappelijk goed, dan leidt dit niet tot een ander oordeel. Voldoende is komen vast te staan dat - gelet op de familieverhoudingen - overleg over de tekst niet mogelijk was.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 11706063 CV EXPL 25-2104</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Eerste aanleg - enkelvoudig</description><contributor lang="nl">Rechter(s): Mr. C. van Steenderen-Koornneef</contributor><issued>2026-07-21</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RBZWB:2026:2216</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:2216</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RBZWB:2026:2216"><country>NL</country><court>RBZWB</court></isVersionOf><creator lang="nl">Rechtbank Zeeland-West-Brabant</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-03-18</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Burgerlijk recht</subject><abstract lang="nl">medewerking aan verkoop gezamenlijke woning erfgenamen.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: C/02/443268/ KG ZA 25-689</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Kort geding, Mondelinge uitspraak, Proces-verbaal</description><issued>2026-03-31</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RBNNE:2026:4114</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNNE:2026:4114</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RBNNE:2026:4114"><country>NL</country><court>RBNNE</court></isVersionOf><creator lang="nl">Rechtbank Noord-Nederland</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-09-14</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Strafrecht</subject><abstract lang="nl">De rechtbank in Leeuwarden wijst het verzoek tot verlenging van de termijn van de tbs af.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 18-730022-20</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Eerste aanleg - meervoudig, Op tegenspraak</description><contributor lang="nl">Rechter(s): H. van der Werff, H.C.L. Vreugdenhil, A. van den Oever</contributor><issued>2026-09-30</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RBNNE:2026:3833</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNNE:2026:3833</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RBNNE:2026:3833"><country>NL</country><court>RBNNE</court></isVersionOf><creator lang="nl">Rechtbank Noord-Nederland</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-09-08</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Belastingrecht</subject><abstract lang="nl">De rechtbank oordeelt dat de inspecteur het bezwaar van belanghebbende tegen de informatiebeschikking ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard. artikelen 6:7, 6:9 en 6:10 Awb)</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: LEE 25/1910</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Eerste aanleg - enkelvoudig</description><contributor lang="nl">Rechter(s): E.A.M. Geersheuvels</contributor><issued>2026-09-22</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:GHAMS:2026:2574</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2026:2574</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:GHAMS:2026:2574"><country>NL</country><court>GHAMS</court></isVersionOf><creator lang="nl">Gerechtshof Amsterdam</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-07-21</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Belastingrecht</subject><abstract lang="nl">Navorderingsaanslag erfbelasting met vergrijpboete terecht opgelegd? Is voldaan aan de voortvarendheidseis? Zijn de inspecteur inkomstenbelasting en de inspecteur erfbelasting één bestuursorgaan? Heropening in verband met vragen Hof aan inspecteur. Schending algemene beginselen behoorlijk bestuur?</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 25/726</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Hoger beroep</description><issued>2026-09-23</issued><reference type="ECLI" relation="precededBy" lang="nl">ECLI:NL:RBNHO:2024:13856</reference></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:GHAMS:2026:2571</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2026:2571</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:GHAMS:2026:2571"><country>NL</country><court>GHAMS</court></isVersionOf><creator lang="nl">Gerechtshof Amsterdam</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-07-02</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Belastingrecht</subject><abstract lang="nl">WOZ 2021 woning. Verwijzing. Geen recht op kostenvergoeding voor bezwaarfase. Belanghebbende heeft de overeenkomst van opdracht met Eerlijke WOZ niet (voortijdig) opgezegd.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 26/234</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Hoger beroep, Verwijzing na Hoge Raad</description><issued>2026-09-23</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RBDHA:2026:27699</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:27699</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RBDHA:2026:27699"><country>NL</country><court>RBDHA</court></isVersionOf><creator lang="nl">Rechtbank Den Haag</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-03-31</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Bestuursrecht</subject><abstract lang="nl">Beroep tegen besluit van de korpschef van de politie dat er onvoldoende waarborgen bestaan dat hij betrouwbaar kan worden geacht om werkzaamheden voor de politie te verrichten - het bestreden besluit is zorgvuldig voorbereid - verweerder mocht concluderen dat eiser niet open eerlijk is geweest in het betrouwbaarheidsonderzoek door het OPG-formulier niet volledig en naar waarheid in te vullen - het bestreden besluit is niet in strijd met het evenredigheidsbeginsel - verweerder heeft op goede gronden besloten dat er onvoldoende waarborgen zijn dat eiser betrouwbaar kan worden geacht.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: SGR 25/2199</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Eerste aanleg - enkelvoudig</description><contributor lang="nl">Rechter(s): W.A. Timmer</contributor><issued>2026-09-30</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RBGEL:2026:7054</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2026:7054</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RBGEL:2026:7054"><country>NL</country><court>RBGEL</court></isVersionOf><creator lang="nl">Rechtbank Gelderland</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-07-13</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Familierecht</subject><abstract lang="nl">MK; Vaststelling hoofdverblijfplaats en voorlopige omgangsregeling. Zorgen over minderjarige door ziekte. Wantrouwen tussen ouders door verschil in opvoedstijl en de invloed daarvan op het verloop van de ziekte.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: C/05/450584 / FZ RK 25-930</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Beschikking</description><contributor lang="nl">Rechter(s): K. Van der Lee</contributor><issued>2026-09-30</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RBGEL:2026:7052</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2026:7052</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RBGEL:2026:7052"><country>NL</country><court>RBGEL</court></isVersionOf><creator lang="nl">Rechtbank Gelderland</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-07-13</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Familierecht</subject><abstract lang="nl">MK; afwijzing verzoek machtiging uithuisplaatsing en vervanging van de gecertificeerde instelling. Rechtbank deelt op basis van hetgeen de GI aanvoert niet de zorg dat er sprake is van Munchhausen by Proxy of Kindermishandeling door Falsificatie (PCF). Frisse blik nodig voor de verdere uitvoering van de ondertoezichtstelling.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: C/05/460324 / ZJ RK 25-1020 C/05/460326 / ZJ RK 25-1021</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Eerste aanleg - meervoudig, Beschikking</description><contributor lang="nl">Rechter(s): K. Van der Lee</contributor><issued>2026-09-30</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:GHDHA:2026:2429</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2026:2429</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:GHDHA:2026:2429"><country>NL</country><court>GHDHA</court></isVersionOf><creator lang="nl">Gerechtshof Den Haag</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-07-16</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Belastingrecht</subject><abstract lang="nl">Belanghebbende was in de onderhavige jaren (2011 t/m 2013) samen met haar echtgenoot en hun zoon vennoot van een vof. In de vof werd een schip geëxploiteerd, waarmee plantaardige olie (spijsolie) wordt vervoerd. De ladingtanks van het schip worden regelmatig gereinigd door deze schoon te spoelen met water. Het met spijsolie vervuilde waswater (slops) wordt verzameld in sloptanks. De schipper ontdoet zich van de slops door deze op te laten halen door een vervoerder, die de slops weer doorverkoopt aan een vethandelaar. Als het percentage olie in de slops hoog genoeg is, krijgt belanghebbende ervoor betaald. Volgens de Inspecteur heeft belanghebbende de betalingen voor de slops niet alleen per bank, maar ook contant ontvangen. Omdat de gestelde contante betalingen niet zijn verwerkt in de administratie van de vof en belanghebbende deze niet heeft aangegeven in haar aangiften IB/PVV voor de jaren 2011, 2012 en 2013, heeft de Inspecteur navorderingsaanslagen IB/PVV en Zvw, rentebeschikkingen en vergrijpboetes opgelegd. De Inspecteur baseert zijn stelling dat belanghebbende contante betalingen heeft ontvangen op inkoopfacturen en andere gegevens die zijn verkregen bij een (strafrechtelijk) onderzoek bij de vervoerder. Het Hof acht de ontvangst van de door de Inspecteur gestelde contante betalingen niet aannemelijk, onder meer omdat de vervoerder heeft gesjoemeld met percentages en cijfers waaruit blijkt hoeveel olie in de slops zit, alsmede percentages op facturen heeft bijgesteld om zijn administratie kloppend te maken. Uit de omstandigheid dat de door de Inspecteur gestelde contante betalingen zijn terug te vinden in kalenders, kasboeken en notities van de vervoerder, kan niet meer worden afgeleid dan dat de vervoerder zijn in- en verkoop sluitend op elkaar heeft afgestemd. Voor zover aanleiding zou bestaan voor het aannemen van een bewijsvermoeden dat belanghebbende contante betalingen zou hebben ontvangen, geldt dat dit vermoeden door belanghebbende is ontzenuwd. De navorderingsaanslagen en rentebeschikkingen worden vernietigd; de boetebeschikkingen waren in eerste aanleg al vernietigd. Belanghebbende heeft voorts – bovenop de door de Rechtbank reeds toegekende vergoeding – recht op een aanvullende vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn in eerste aanleg en in hoger beroep. Wat betreft de vernietigde vergrijpboetes wordt compensatie verleend met overeenkomstige toepassing van artikel 8:73 Awb (vgl. onder meer HR 29 september 2023, ECLI:NL:HR:2023:1337, r.o. 5.3.1). De vergoeding van immateriële schade voor overschrijding van de redelijke termijn vindt plaats voor elke vernietigde boete afzonderlijk (zie HR 20 februari 2026, ECLI:NL:HR:2026:279, r.o. 5.2.3).</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: BK-24/109 tot en met BK-24/111</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Hoger beroep</description><issued>2026-08-17</issued><reference type="ECLI" relation="precededBy" lang="nl">ECLI:NL:RBDHA:2023:21401</reference></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RBGEL:2026:6393</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2026:6393</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RBGEL:2026:6393"><country>NL</country><court>RBGEL</court></isVersionOf><creator lang="nl">Rechtbank Gelderland</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-08-12</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Belastingrecht</subject><abstract lang="nl">Vennootschapsbelasting. Geen geruisloze inbreng. Belaste winst bij inbreng te hoog vastgesteld. Beroep gegrond.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: ARN 24/6431</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Eerste aanleg - enkelvoudig</description><contributor lang="nl">Rechter(s): M. Wevers LL.M.</contributor><issued>2026-08-18</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:GHDHA:2026:2432</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2026:2432</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:GHDHA:2026:2432"><country>NL</country><court>GHDHA</court></isVersionOf><creator lang="nl">Gerechtshof Den Haag</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-07-16</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Belastingrecht</subject><abstract lang="nl">Belanghebbende exploiteert in een vof een schip waarmee plantaardige olie (spijsolie) wordt vervoerd. De ladingtanks van het schip worden regelmatig gereinigd door deze schoon te spoelen met water. Het met spijsolie vervuilde waswater (slops) wordt verzameld in sloptanks. Belanghebbende ontdoet zich van de slops door deze op te laten halen door een vethandelaar, die de slops weer doorverkoopt aan een vethandelaar. Als het percentage olie in de slops hoog genoeg is, krijgt belanghebbende ervoor betaald. Volgens de Inspecteur heeft belanghebbende de betalingen voor de slops niet alleen per bank, maar ook contant ontvangen. Omdat de gestelde contante betalingen niet zijn verwerkt in de administratie van de vof en belanghebbende deze niet heeft aangegeven in zijn aangifte IB/PVV, heeft de Inspecteur navorderingsaanslagen IB/PVV en Zvw, een rentebeschikking en een vergrijpboete opgelegd. De Inspecteur heeft in totaal vijf, uit de administratie van de vervoerder afkomstige contantfacturen overgelegd, die tezamen optellen tot het door hem gestelde bedrag aan contante betalingen. Het Hof acht de ontvangst van de door de Inspecteur gestelde contante betalingen aannemelijk omdat de accountant van een viertal contantfacturen heeft erkend dat daarvoor ontvangsten hebben plaatsgevonden, welke niet zijn aangegeven. Ook de contante betaling ter zake van de resterende contantfactuur heeft de Inspecteur aannemelijk gemaakt. De navorderingsaanslagen en rentebeschikking worden gehandhaafd; de boetebeschikking was in eerste aanleg al vernietigd. Belanghebbende heeft – boven op de door de Rechtbank reeds toegekende vergoeding – recht op een aanvullende vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn in eerste aanleg en in hoger beroep. Wat betreft de vernietigde vergrijpboete wordt compensatie verleend met overeenkomstige toepassing van artikel 8:73 Awb (vgl. onder meer HR 29 september 2023, ECLI:NL:HR:2023:1337, r.o. 5.3.1).</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: BK-24/120</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Hoger beroep</description><issued>2026-08-19</issued><reference type="ECLI" relation="precededBy" lang="nl">ECLI:NL:RBDHA:2023:21406</reference></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:HR:2026:1564</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2026:1564</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:HR:2026:1564"><country>NL</country><court>HR</court></isVersionOf><creator lang="nl">Hoge Raad</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-09-25</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Belastingrecht</subject><abstract lang="nl">HR verklaart het beroep in cassatie n-o met toepassing van art. 80a RO.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 26/00529</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Cassatie, Artikel 80a RO-zaken</description><issued>2026-09-25</issued><reference type="ECLI" relation="precededBy" lang="nl">ECLI:NL:GHDHA:2026:182</reference></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:PHR:2026:824</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2026:824</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:PHR:2026:824"><country>NL</country><court>PHR</court></isVersionOf><creator lang="nl">Parket bij de Hoge Raad</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-08-28</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Conclusie</type><subject lang="nl">Belastingrecht</subject><abstract lang="nl">Art. 3.101 en 3.104 Wet IB 2001. Is de bijzondere invaliditeitsverhoging (BIV) belastbaar als periodieke uitkering? Is de BIV een publiekrechtelijke periodieke uitkering? Staat aan belastbaarheid van de BIV in de weg dat zij een immateriëleschadevergoeding betreft, gelet op het concept van bovenbronnelijkheid? Brengt het discriminatieverbod mee dat de BIV buiten de heffing moet blijven gelet op de fiscale behandeling van (i) artikel 2 Fonds-uitkeringen, (ii) Rietkerkuitkeringen, en (iii) vergoedingen van immateriële schade in de vorm van een uitkering ineens?</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 25/02821</description><issued>2026-09-11</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:GHSHE:2026:1644</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2026:1644</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:GHSHE:2026:1644"><country>NL</country><court>GHSHE</court></isVersionOf><creator lang="nl">Gerechtshof 's-Hertogenbosch</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-06-24</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Belastingrecht</subject><abstract lang="nl">Inkomstenbelasting. Belanghebbende is woonachtig in Portugal en ontvangt een WAZ-uitkering van het UWV. Het hof oordeelt dat een WAZ-uitkering niet vergelijkbaar is met een AOW-uitkering. De WAZ-uitkering valt onder artikel 18 lid 2 van het Verdrag Nederland-Portugal. De cumulatieve voorwaarden van dit artikel zijn vervuld: de aanspraak is fiscaal gefaciliteerd in Nederland, de uitkering wordt in Portugal niet tegen het normale tarief belast en de WAZ-uitkering is hoger dan € 10.000. Nederland is heffingsbevoegd over de WAZ-uitkering.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 25/302</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Hoger beroep</description><contributor lang="nl">Rechter(s): L.B.M. Klein Tank, W.W. Monteiro, J Rietveld</contributor><issued>2026-08-04</issued><reference type="ECLI" relation="precededBy" lang="nl">ECLI:NL:RBZWB:2025:442</reference></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:GHARL:2026:5068</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2026:5068</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:GHARL:2026:5068"><country>NL</country><court>GHARL</court></isVersionOf><creator lang="nl">Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-07-28</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Belastingrecht</subject><abstract lang="nl">IB/PVV. Aanmerkelijk belang?</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 25/1012</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Hoger beroep</description><issued>2026-08-31</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:GHDHA:2026:2349</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2026:2349</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:GHDHA:2026:2349"><country>NL</country><court>GHDHA</court></isVersionOf><creator lang="nl">Gerechtshof Den Haag</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-06-18</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Belastingrecht</subject><abstract lang="nl">Art. 7:2, lid 1 Awb; art. 6.32, 6.33, lid 1, onderdelen a en b, 6.35, 6.38 Wet IB 2001. Geen schending hoorplicht en inzagerecht. Uitspraak op bezwaar niet prematuur. Geen aftrek specifieke zorgkosten. Geen giftenaftrek wegens intrekking ANBI-status en kwade trouw. Aanslag IB/PVV 2021 terecht en naar het juiste bedrag opgelegd. Geen toekenning vergoeding van immateriële schade.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: BK-25/795</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Hoger beroep</description><issued>2026-07-27</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:GHARL:2026:5190</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2026:5190</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:GHARL:2026:5190"><country>NL</country><court>GHARL</court></isVersionOf><creator lang="nl">Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-08-04</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Belastingrecht</subject><abstract lang="nl">Erfbelasting. Schuldigerkenning. Fictieve verkrijging in verband met niet tijdig en volledig betalen rente.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 25/829</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Hoger beroep</description><issued>2026-08-31</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:GHSHE:2026:1722</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2026:1722</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:GHSHE:2026:1722"><country>NL</country><court>GHSHE</court></isVersionOf><creator lang="nl">Gerechtshof 's-Hertogenbosch</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-07-01</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Belastingrecht</subject><abstract lang="nl">Overdrachtsbelasting. Verlaagd tarief van 2% voor woningen van toepassing op verkrijging van een woon-winkelpand? Het hof oordeelt dat niet duidelijk is geworden of het pand zoals belanghebbende stelt oorspronkelijk is ontworpen en gebouwd om in zijn geheel als woning te dienen, en dat evenmin duidelijk is geworden of het pand, zoals de inspecteur stelt, oorspronkelijk is ontworpen voor gemengd gebruik (winkelruimte met bovenwoning). Op basis van de publiekrechtelijke voorschriften is de aard van een aanzienlijk deel van het pand geen woning. De inspecteur heeft de verkrijging van de winkelruimte daarom terecht belast tegen het tarief van 6%.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 25/863</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Hoger beroep</description><contributor lang="nl">Rechter(s): C.W.M.M. Verkoijen, E.P.A. Brakeboer, J. Wessels</contributor><issued>2026-08-13</issued><reference type="ECLI" relation="precededBy" lang="nl">ECLI:NL:RBZWB:2025:2031</reference></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:GHAMS:2026:2322</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2026:2322</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:GHAMS:2026:2322"><country>NL</country><court>GHAMS</court></isVersionOf><creator lang="nl">Gerechtshof Amsterdam</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-08-20</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Belastingrecht</subject><abstract lang="nl">art. 10a Vpb; In 2017 heeft een investeringsonderneming een internationale retailketen overgenomen. Vanwege deze overname is belanghebbende opgericht en heeft in de groep een herstructurering plaatsgevonden. Onderdeel van de herstructurering is de interne acquisitie door belanghebbende van de Nederlandse werkmaatschappij van de retailketen. Voor deze acquisitie wordt een lening aangetrokken bij een verbonden lichaam (de aandeelhouderslening). Het Hof beoordeelt de vraag of aftrek van de rente van de aandeelhouderslening beperkt wordt door artikel 10a van de Wet Vpb. Met name de tegenbewijsregeling van het derde lid is daarvoor van belang. Het Hof overweegt dat voor de beoordeling daarvan de concrete overwegingen van belanghebbende (en haar concern) van belang zijn, waarbij de bewijslast op belanghebbende rust. Belanghebbende slaagt niet in het bewijs dat de overwegingen voor de interne acquisitie zakelijk waren. Voor beoordeling van de zakelijkheid van de schuld is van belang of de aandeelhouderslening materieel verschuldigd is aan derden (een bankensyndicaat dat een banklening heeft verstrekt). Het Hof acht relevant of die banklening bedoeld en/of aangewend is voor de aandeelhouderslening. Dat is volgens het Hof niet het geval. Ook voldoende paralellen tussen de banklening en de aandeelhouderslening ontbreken. Mogelijk is wel sprake van een compenserende heffing bij de crediteur van de aandeelhouderslening, maar dit baat belanghebbende niet want de inspecteur slaagt in het bewijs dat de interne acquisitie en de aandeelhouderslening fiscaal gedreven zijn. De tegenbewijsregeling slaagt niet en de rente op de aandeelhouderslening is niet aftrekbaar. De kosten van de banklening kunnen niet ten laste van de winst van belanghebbende worden gebracht. Belanghebbende heeft de vereiste aangifte niet gedaan door de daarin gestelde ‘10a-vraag’ ten onrechte niet met “ja” te beantwoorden. Het Hof past hierom de sanctie van (omkering en) verzwaring van de bewijslast toe.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 25/2006</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Hoger beroep</description><issued>2026-08-21</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:GHAMS:2026:2008</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2026:2008</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:GHAMS:2026:2008"><country>NL</country><court>GHAMS</court></isVersionOf><creator lang="nl">Gerechtshof Amsterdam</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-07-02</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Belastingrecht</subject><abstract lang="nl">overdrachtsbelasting; komt belanghebbende in aanmerking voor de vrijstelling van artikel 15, lid 1, letter p, Wet op belastingen van rechtsverkeer (de startersvrijstelling)?</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 25/2034</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Hoger beroep</description><issued>2026-07-24</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RBOBR:2026:7015</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBOBR:2026:7015</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RBOBR:2026:7015"><country>NL</country><court>RBOBR</court></isVersionOf><creator lang="nl">Rechtbank Oost-Brabant</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-09-30</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Strafrecht</subject><abstract lang="nl">Poging tot doodslag op medewerker van P.I. door die medewerker met een zelfgemaakt snijwapen in de hals te snijden. Voorwaardelijk opzet. Sterk verminderde toerekenbaarheid. Gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden met aftrek van het voorarrest en terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 01-003786-26</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Eerste aanleg - meervoudig</description><contributor lang="nl">Rechter(s): mr. C.A. Mandemakers, mr. C.W.H. Houg</contributor><issued>2026-09-30</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RBNHO:2026:7336</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2026:7336</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RBNHO:2026:7336"><country>NL</country><court>RBNHO</court></isVersionOf><creator lang="nl">Rechtbank Noord-Holland</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-06-12</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Belastingrecht</subject><abstract lang="nl">Kansspelbelasting. Omzet behaald met kansspelautomaten is per 1-1-2008 belast met kansspelbelasting. In de jaren 2007 tot en met 2011 werd de netto omzet van belanghebbende nagenoeg geheel behaald met kansspelen. In 2009 en 2010 is belanghebbende in een verliespositie terechtgekomen. De heffing van kansspelbelasting leidt naar het oordeel van de rechtbank bij belanghebbende echter niet tot een individuele en buitensporige last in de zin van art. 1 EP bij het EVRM. Dat de regimewijziging enkele jaren tot verlies heeft geleid, is op zichzelf onvoldoende om te concluderen dat de heffing van kansspelbelasting zich bij belanghebbende sterker heeft doen voelen dan bij andere exploitanten van kansspelautomaten. Belanghebbende heeft ook anderszins niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van een individuele en buitensporige last. Wel is een vergoeding voor immateriële schade toegekend wegens overschrijding van de redelijke termijn, waarbij de rechtbank uitgaat van samenhang.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: AWB - 23 _ 6921</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Eerste aanleg - meervoudig</description><contributor lang="nl">Rechter(s): G.H. de Soeten, A.A. Fase, M. van Doesburg</contributor><issued>2026-08-26</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:GHSHE:2026:1855</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2026:1855</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:GHSHE:2026:1855"><country>NL</country><court>GHSHE</court></isVersionOf><creator lang="nl">Gerechtshof 's-Hertogenbosch</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-07-15</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Belastingrecht</subject><abstract lang="nl">Naheffingsaanslagen omzetbelasting. Belanghebbende maakt niet aannemelijk dat hij recht heeft op aftrek van omzetbelasting. De facturen bevatten gebreken en belanghebbende kan ook geen ander toereikend bewijs verschaffen dat duidelijkheid geeft over de aan haar verrichte diensten. Verzuimboete 67c AWR. De verzuimboete is terecht opgelegd. Vergrijpboetes 67f AWR. De inspecteur heeft overtuigend bewezen dat sprake is van grove schuld van belanghebbende.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 25/778 en 25/779</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Hoger beroep</description><contributor lang="nl">Rechter(s): C.T.P.M. Zandhuis, M.J.M. van der Weijden, W. de Wit</contributor><issued>2026-08-27</issued><reference relation="citing" lang="nl">Algemene wet inzake rijksbelastingen 67c</reference><reference relation="citing" lang="nl">Algemene wet inzake rijksbelastingen 67f</reference><reference type="ECLI" relation="precededBy" lang="nl">ECLI:NL:RBZWB:2025:2032</reference></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RBGEL:2026:7053</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2026:7053</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RBGEL:2026:7053"><country>NL</country><court>RBGEL</court></isVersionOf><creator lang="nl">Rechtbank Gelderland</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-08-13</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Familierecht</subject><abstract lang="nl">Vernietiging erkenning door juridisch vader, vaststelling vaderschap biologische vader en geslachtsnaamwijziging. Verzoeker ontvankelijk ondanks overschrijding wettelijke termijn. Artikel 8 EVRM vs. de met de termijn beoogde doelen: belang van het kind en rechtszekerheid.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: C/05/459525 / FA RK 25-3873</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Eerste aanleg - enkelvoudig</description><contributor lang="nl">Rechter(s): K. Van der Lee</contributor><issued>2026-09-30</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RBDHA:2026:13696</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:13696</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RBDHA:2026:13696"><country>NL</country><court>RBDHA</court></isVersionOf><creator lang="nl">Rechtbank Den Haag</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-05-26</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Bestuursrecht</subject><abstract lang="nl">Asiel; ontheemdenkamp in de Koerdische Autonome Regio (KAR); Jezidi; de rechtbank is van oordeel dat verweerder onvoldoende heeft uitgelegd waarom hij voor eiser het ontheemdenkamp in de KAR als normale woon- en verblijfplaats heeft aangemerkt en waarom hij niet heeft beoordeeld of eiser zou kunnen terugkeren naar de regio Sinjar; het beroep is gegrond</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: NL25.48733</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Eerste aanleg - enkelvoudig</description><contributor lang="nl">Rechter(s): C.I.H. Kerstens-Fockens</contributor><issued>2026-09-30</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:PHR:2026:845</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2026:845</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:PHR:2026:845"><country>NL</country><court>PHR</court></isVersionOf><creator lang="nl">Parket bij de Hoge Raad</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-06-23</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Conclusie</type><subject lang="nl">Strafrecht</subject><abstract lang="nl">Conclusie AG. Tweede cassatieronde, vervolg op ECLI:NL:HR:2022:1364. Opzettelijk de belasting welke op aangifte moet worden voldaan niet betalen, meermalen gepleegd, art. 69a.1 AWR. 1. Hetzelfde feit i.d.z.v. art. 68 Sr en art. 243 en 255 Sv, ontvankelijkheid van het OM. 2. Beroep op strafuitsluitingsgrond i.v.m. tijdig verzoek tot uitstel van betaling a.b.i. art. 69a.3 AWR? De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 24/01620</description><issued>2026-09-03</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:GHSHE:2026:1846</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2026:1846</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:GHSHE:2026:1846"><country>NL</country><court>GHSHE</court></isVersionOf><creator lang="nl">Gerechtshof 's-Hertogenbosch</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-07-15</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Belastingrecht</subject><abstract lang="nl">De geheimhoudingskamer wijst het verzoek van de inspecteur om beperkte kennisneming van de namen, e-mailadressen en telefoonnummers van de medewerkers van het CLO en de bevoegde autoriteit van Malta toe in verband met de privacy van deze medewerkers.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: : 25/15 9 tot en met 25/164 GHK</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Hoger beroep, Geheimhoudingsbeslissing</description><contributor lang="nl">Rechter(s): M.J.C. Pieterse</contributor><issued>2026-08-27</issued><reference type="ECLI" relation="precededBy" lang="nl">ECLI:NL:RBZWB:2025:348</reference></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:HR:2026:1491</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2026:1491</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:HR:2026:1491"><country>NL</country><court>HR</court></isVersionOf><creator lang="nl">Hoge Raad</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-09-18</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Belastingrecht</subject><abstract lang="nl">Belasting van personenauto's en motorrijwielen; Art. 30h AWR; art. 110 VWEU. In rekening brengen van belastingrente bij naheffing van belasting van personenauto's en motorrijwielen niet in strijd met art. 110 VWEU.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 25/02600</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Cassatie</description><issued>2026-09-18</issued><reference type="ECLI" relation="precededBy" lang="nl">ECLI:NL:GHAMS:2025:1559</reference></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:HR:2026:1566</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2026:1566</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:HR:2026:1566"><country>NL</country><court>HR</court></isVersionOf><creator lang="nl">Hoge Raad</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-09-25</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Belastingrecht</subject><abstract lang="nl">HR verklaart het beroep in cassatie n-o.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 23/04718</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Cassatie</description><issued>2026-09-25</issued><reference type="ECLI" relation="precededBy" lang="nl">ECLI:NL:GHAMS:2023:2448</reference></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:GHSHE:2026:1594</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2026:1594</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:GHSHE:2026:1594"><country>NL</country><court>GHSHE</court></isVersionOf><creator lang="nl">Gerechtshof 's-Hertogenbosch</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-06-17</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Belastingrecht</subject><abstract lang="nl">Belanghebbende maakt bezwaar tegen terugbetaling van toeslagen en betoogt daarmee ook bezwaar tegen de aanslag IB/PVV te hebben gemaakt en recht te hebben op een kostenvergoeding voor de bezwaarfase. Het hof oordeelt dat het bezwaarschrift niet als bezwaar tegen de aanslag IB/PVV kan worden aangemerkt. De inspecteur heeft het inkomen ambtshalve verminderd, waardoor geen rechtsingang openstaat. Er heeft geen bezwaarprocedure plaatsgevonden die recht geeft op kostenvergoeding. Hoger beroep ongegrond. Het verzoek om immateriële schadevergoeding wordt afgewezen omdat de hoofdzaak eerder is geëindigd. Het tijdsverloop rondom het verzoek om vergoeding van proceskosten en immateriële schade blijft buiten beschouwing bij de beoordeling van de redelijke termijn.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 25/25</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Hoger beroep</description><contributor lang="nl">Rechter(s): A.J. Kromhout, H.J. Cosijn, C.W.M.M. Verkoijen</contributor><issued>2026-08-06</issued><reference type="ECLI" relation="precededBy" lang="nl">ECLI:NL:RBZWB:2024:8352</reference></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:HR:2026:1415</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2026:1415</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:HR:2026:1415"><country>NL</country><court>HR</court></isVersionOf><creator lang="nl">Hoge Raad</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-09-18</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Belastingrecht</subject><abstract lang="nl">Belasting van personenauto's en motorrijwielen. Formeel recht. Artt. 47 en 52 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie; art. 6 EVRM. Vergoeding van immateriële schade als gevolg van overschrijding van de redeljke termijn; in aanmerking te nemen termijn en bedrag. Unierechtelijk verdedigingsbeginsel; geen verplichting tot mondeling horen.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 25/02827</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Cassatie</description><issued>2026-09-18</issued><reference type="ECLI" relation="precededBy" lang="nl">ECLI:NL:GHDHA:2025:1554</reference></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RBDHA:2026:19822</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:19822</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RBDHA:2026:19822"><country>NL</country><court>RBDHA</court></isVersionOf><creator lang="nl">Rechtbank Den Haag</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-07-17</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Belastingrecht</subject><abstract lang="nl">Gelet op de correspondentie die de controlemedewerker voorafgaand aan het opleggen van de aanslag Vpb met de adviseur heeft gevoerd en het feit dat de adviseur naar aanleiding van een mail van de controlemedewerker heeft gevraagd om een duplicaat van de aanslag, lag het op de weg van verweerder om de aanslag tevens aan de adviseur te sturen. Het bezwaar is ten onrechte wegens termijnoverschrijding niet-ontvankelijk verklaard. Beroep gegrond.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 25_4672</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Eerste aanleg - enkelvoudig</description><contributor lang="nl">Rechter(s): A.D. van Riel</contributor><issued>2026-08-18</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RBDHA:2026:21671</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:21671</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RBDHA:2026:21671"><country>NL</country><court>RBDHA</court></isVersionOf><creator lang="nl">Rechtbank Den Haag</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-07-02</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Belastingrecht</subject><abstract lang="nl">Eiseres verzoekt de rechtbank op grond van art. 8:88 Awb om verweerder te gelasten tot vergoeding van door haar geleden materiële en immateriële schade. De rechtbank wijst het verzoek om toekenning van een schadevergoeding af. Anders dan eiseres stelt is van onrechtmatig handelen door verweerder geen sprake. Ten overvloede overweegt de rechtbank dat de door eiseres gestelde schade ook niet voor vergoeding op de voet van artikel 8:88 van de Awb in aanmerking komt. De door haar gestelde schade bestaat uit de advieskosten, reis- en parkeerkosten en gederfde inkomsten die zij heeft gemaakt voor de bezwaar- en beroepsprocedures inzake aan haar opgelegde aanslagen vennootschapsbelasting. Deze kosten komen alleen voor vergoeding in aanmerking op grond van artikel 8:75 van de Awb. Voor zover eiseres namens de DGA een verzoek om schadevergoeding heeft willen doen inzake de aan de DGA opgelegde navorderingsaanslag IB/PVV 2015 heeft daarnaast te gelden dat artikel 8:88 van de Awb niet geldt in inkomstenbelastingzaken.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: SGR 24/8316</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Eerste aanleg - meervoudig</description><contributor lang="nl">Rechter(s): D.M. Drok, M.J. Pelinck, K.G. Scholten</contributor><issued>2026-08-04</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:PHR:2026:762</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2026:762</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:PHR:2026:762"><country>NL</country><court>PHR</court></isVersionOf><creator lang="nl">Parket bij de Hoge Raad</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-09-01</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Conclusie</type><subject lang="nl">Strafrecht</subject><abstract lang="nl">Conclusie AG over o.a. daderschap rechtspersoon. Medeplegen valsheid in geschrift, meermalen gepleegd (art. 225 Sr); telkens bedrieglijke bankbreuk, begaan door een rechtspersoon, terwijl verdachte feitelijke leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging. art. 341 (oud) Sr. N.a.v. onder meer recente rechtspraak ABRvS, wijdt AG voorafgaande opmerkingen aan daderschap van de rechtspersoon. AG doet diverse suggesties met het oog op versterking Drijfmest-kader (HR 21 oktober 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF7938). M1: falende bewijsklachten feitelijk leidinggeven bedrieglijke bankbreuk. M2: (a) falende deelklacht over motivering daderschap rechtspersoon en (b) falende deelklacht motivering feitelijke leidinggeven onttrekking i.d.z.v. art. 341 (oud) Sr. M3: klacht m.b.t. inzendtermijn in cassatie. Conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de hoogte van de opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering daarvan aan de hand van de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige. Samenhang met 24/02051.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 24/02050</description><issued>2026-09-01</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:HR:2026:1492</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2026:1492</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:HR:2026:1492"><country>NL</country><court>HR</court></isVersionOf><creator lang="nl">Hoge Raad</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-09-18</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Belastingrecht</subject><abstract lang="nl">Belasting van personenauto's en motorrijwielen . Formeel recht. Artt. artikel 47 en 52 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie; art. 6 EVRM. Vergoeding van immateriële schade als gevolg van overschrijding van de redeljke termijn; in aanmerking te nemen termijn en bedrag.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 25/02601</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Cassatie</description><issued>2026-09-18</issued><reference type="ECLI" relation="precededBy" lang="nl">ECLI:NL:GHAMS:2025:1556</reference></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:HR:2026:1570</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2026:1570</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:HR:2026:1570"><country>NL</country><court>HR</court></isVersionOf><creator lang="nl">Hoge Raad</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-09-25</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Belastingrecht</subject><abstract lang="nl">HR verklaart het beroep in cassatie n-o.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 24/03419</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Cassatie</description><issued>2026-09-25</issued><reference type="ECLI" relation="precededBy" lang="nl">ECLI:NL:GHAMS:2024:2185</reference></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:HR:2026:1414</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2026:1414</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:HR:2026:1414"><country>NL</country><court>HR</court></isVersionOf><creator lang="nl">Hoge Raad</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-09-18</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Belastingrecht</subject><abstract lang="nl">Belasting van personenauto's en motorrijwielen; procesrecht; artt. 6:5, 6:6 en 6:24 Awb; artt. 47 en 52 Handvest van de grondrechten van de Europese Unie; zonder opgaaf van redenen verzoeken om uitstel van de door de rechter geboden termijn om de gronden van het (hoger) beroep in te dienen; het niet-ontvankelijk verklaren van een (hoger) beroep wegens het niet tijdig indienen van de gronden van het hoger beroep is niet in strijd met Unierecht.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 25/02299</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Cassatie</description><issued>2026-09-18</issued><reference type="ECLI" relation="precededBy" lang="nl">ECLI:NL:GHDHA:2025:1094</reference></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:HR:2026:1486</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2026:1486</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:HR:2026:1486"><country>NL</country><court>HR</court></isVersionOf><creator lang="nl">Hoge Raad</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-09-18</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Belastingrecht</subject><abstract lang="nl">Wet waardering onroerende zaken; procesrecht; art. 8:75, lid 1, Awb; wegingsfactor: herberekening proceskostenvergoeding beroepsfase; eindarrest na tussenarrest HR 5 juni 2026, ECLI:NL:HR:2026:827</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 24/03011 bis</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Cassatie</description><issued>2026-09-18</issued><reference type="ECLI" relation="precededBy" lang="nl">ECLI:NL:GHAMS:2024:1946</reference></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:GHSHE:2026:1799</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2026:1799</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:GHSHE:2026:1799"><country>NL</country><court>GHSHE</court></isVersionOf><creator lang="nl">Gerechtshof 's-Hertogenbosch</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-07-08</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Belastingrecht</subject><abstract lang="nl">Artikel 16, lid 1, artikel 27e, lid 1 en artikel 67e, lid 1 AWR Aan belanghebbende is een navorderingsaanslag IB/PVV 2008 opgelegd en een beschikking vergrijpboete gegeven. Het hof oordeelt dat de inspecteur navorderingsbevoegd is, omdat belanghebbende te kwader trouw heeft gehandeld, en dat de navorderingsaanslag, na toepassing van de omkering en verzwaring van de bewijslast, niet te hoog is vastgesteld. De opgelegde vergrijpboete is passend en geboden. Het hoger beroep is ongegrond.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 24/1617</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Hoger beroep</description><contributor lang="nl">Rechter(s): M.E. Smorenburg, W.W. Monteiro, J. Wessels</contributor><issued>2026-08-20</issued><reference relation="citing" lang="nl">Algemene wet inzake rijksbelastingen 16</reference><reference relation="citing" lang="nl">Algemene wet inzake rijksbelastingen 27e</reference><reference relation="citing" lang="nl">Algemene wet inzake rijksbelastingen 67e</reference><reference type="ECLI" relation="precededBy" lang="nl">ECLI:NL:RBZWB:2024:6621</reference></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RBDHA:2026:28916</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:28916</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RBDHA:2026:28916"><country>NL</country><court>RBDHA</court></isVersionOf><creator lang="nl">Rechtbank Den Haag</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-09-30</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Bestuursrecht</subject><abstract lang="nl">volgberoep bewaring, ongegrond.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: NL26.55868</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Eerste aanleg - enkelvoudig</description><contributor lang="nl">Rechter(s): S. Ketelaars-Mast</contributor><issued>2026-09-30</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:OGEAC:2025:381</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:OGEAC:2025:381</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:OGEAC:2025:381"><country>NL</country><court>OGEAC</court></isVersionOf><creator lang="nl">Gerecht in eerste aanleg van Curaçao</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2025-03-28</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Burgerlijk recht</subject><abstract lang="nl">eiseres wil een verbod voor Solid en SFPF om te beschikken over hun bankrekeningen bij Banque Pictet &amp; Cie (hierna: Pictet accounts). Daarnaast dient zij een exibitie-vordering in ter zake van bescheiden waaruit kort gezegd verplichtingen voortvloeien om betalingen te verrichten vanuit de Pictet accounts.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: CUR202500430</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Kort geding</description><contributor lang="nl">Rechter(s): I. Tubben</contributor><issued>2026-09-30</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RBAMS:2026:9272</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:9272</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RBAMS:2026:9272"><country>NL</country><court>RBAMS</court></isVersionOf><creator lang="nl">Rechtbank Amsterdam</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-09-15</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Burgerlijk recht</subject><abstract lang="nl">Er ligt een beschikking van 15 augustus 2025 en daarin is in het onderhavige geschil onherroepelijk beslist. Nadien is eiseres een executiegeschil gestart, waarin op 13 juli 2026 vonnis gewezen, met als uitkomst dat de executie van de beschikking niet wordt geschorst. In deze procedure vraagt eiseres opnieuw om de tenuitvoerlegging van de beschikking te schorsen. Zij stelt dat sprake is van een novum. De voorzieningenrechter gaat hier niet in mee. Hij is van oordeel dat eiseres deze procedure lichtvaardig en zonder grond is gestart. Omdat gedaagde geen specificatie van zijn advocaatkosten in het geding heeft gebracht, wordt de kostenveroordeling beperkt tot het forfaitaire bedrag van de proceskosten.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: C/13/793487 / KG ZA 26-797</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Eerste aanleg - enkelvoudig, Kort geding, Proceskostenveroordeling, Op tegenspraak</description><issued>2026-09-30</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RBAMS:2025:10522</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><status>deleted</status><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2025:10522</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RBAMS:2025:10522"><country>NL</country><court>RBAMS</court></isVersionOf><creator lang="nl">Rechtbank Amsterdam</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2025-12-19</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Bestuursrecht</subject><description lang="nl">Zaaknummer: 25-6616</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Voorlopige voorziening</description></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RBDHA:2026:28918</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:28918</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RBDHA:2026:28918"><country>NL</country><court>RBDHA</court></isVersionOf><creator lang="nl">Rechtbank Den Haag</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-09-30</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Bestuursrecht</subject><abstract lang="nl">volgberoep bewaring, ongegrond.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: NL26.56147</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Eerste aanleg - enkelvoudig</description><contributor lang="nl">Rechter(s): S. Ketelaars-Mast</contributor><issued>2026-09-30</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:GHSHE:2026:1710</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2026:1710</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:GHSHE:2026:1710"><country>NL</country><court>GHSHE</court></isVersionOf><creator lang="nl">Gerechtshof 's-Hertogenbosch</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-07-01</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Belastingrecht</subject><abstract lang="nl">Belastingverdrag Nederland-Thailand 1975. Verdragsinwoner van Thailand ontvangt AOW vanuit Nederland. AOW is geen pensioen in de zin van artikel 18 en 19 van het belastingverdrag. Geen “overige inkomsten” artikel in het belastingverdrag. De heffingsbevoegdheid van Nederland wordt dan ook niet door het belastingverdrag beperkt. Hoger beroep ongegrond.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 25/871</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Hoger beroep</description><contributor lang="nl">Rechter(s): J. Wessels, B.J. Rubbens, P.J. Wattel</contributor><issued>2026-08-13</issued><reference type="ECLI" relation="precededBy" lang="nl">ECLI:NL:RBZWB:2025:3037</reference></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RBROT:2026:12903</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:12903</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RBROT:2026:12903"><country>NL</country><court>RBROT</court></isVersionOf><creator lang="nl">Rechtbank Rotterdam</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-09-23</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Burgerlijk recht</subject><abstract lang="nl">VvE-zaak, toetsingskader voor nietig c.q. vernietigbaar besluit (2:14 lid 1 en 2:15 lid 1 sub b BW) juncto artikel 2:8 lid 1 BW. Dit leidt tot het toetsingskader dat de vergadering bij afweging van alle bij het besluit betrokken belangen in redelijkheid en naar billijkheid tot het besluit heeft kunnen komen. Het woord “zodanig” brengt mee dat in het toetsingskader moet worden betrokken de relatie tussen de vergadering en het betreffende lid, en dat vanwege het feit dat het om een verplicht lidmaatschap van een VvE gaat dat mee kan brengen dat een minderheid van de leden zich geconfronteerd kan zien met een door dat lid ongewenst besluit nu dit inherent is aan het democratische karakter van de VvE wat daarnaast meebrengt dat de minderheid zich in beginsel, ook al is ze het er niet mee eens, heeft te voegen naar het besluit. Beoordeeld dient te worden of VvE tot de besluiten met betrekking tot het te kiezen MJOP-pakket, nadere uitwerking ZEP en de procesbegeleiding door de beheerder bij afweging van alle belangen in redelijkheid en naar billijkheid heeft kunnen komen. Uitgebreide beoordeling over tot stand komen besluit en dat keuze een vertrekpunt is voor de mate van verduurzaming van het gebouw. Dat kan nog niet een dichtgetimmerd document zijn zoals verzoekster wil. Voldoende uitleg gegeven door VvE over gebruik twee verschillende stembriefjes (die via volmacht en die op vergadering). Een MJOP-begroting is geen begroting conform artikelen 6.6 en 6.7 huishoudelijk reglement die bepalen dat voor het begin van het boekjaar de opgestelde begroting voor het nieuwe boekjaar moet worden vastgesteld en dat gelijkertijd de voorschotbijdrage wordt vastgesteld. De begroting bij een MJOP betreft een reservefonds, een fonds dat ziet op andere kosten dan de gewone jaarlijkse kosten zoals artikel 5:126 lid 1 BW bepaalt. Er is hier dus geen sprake van een goedkeuring met terugwerkende kracht van een al vastgestelde ‘normale’ begroting maar van een goedkeuring van een reservefonds. De later genomen besluiten volgen uit het rechtsgeldige besluit tot een keuze van het MJOP, dat ander onderhoud uitgesteld wordt is een gevolg van de genomen verduurzamingsbesluiten door de meerderheid van de andere leden en zoals vaker overwogen dient verzoekster haar belang te schikken naar het belang van de meerderheid. De besluiten 1) verzoekster conform de reglementen en na twee schriftelijke waarschuwingen de hoogst mogelijke boete op te leggen bij herhaling van deze verstorende activiteiten en 2) verzoekster, indien juridisch mogelijk, aansprakelijk te stellen voor iedere aantoonbare directe en indirecte schade die voortvloeit uit de administratieve overlast en verstorende activiteiten zijn vernietigbaar. VvE heeft te voorbarig een instrument in handen willen hebben voor het geval verzoekster doorgaat met het stellen van vragen, klachten en verzoeken – kortom administratieve rompslomp – waardoor het bestuur niet toekomt aan de uitvoering van haar normale bestuurstaken en wat de VvE opzadelt met extra kosten.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 11669446 VZ VERZ 25-92, 11735868 VZ VERZ 25-112 en 12178901 VZ VERZ 26-78</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Beschikking</description><contributor lang="nl">Rechter(s): mr. R.R. Roukema</contributor><issued>2026-09-30</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RBMNE:2026:6694</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:6694</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RBMNE:2026:6694"><country>NL</country><court>RBMNE</court></isVersionOf><creator lang="nl">Rechtbank Midden-Nederland</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-09-29</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Familierecht</subject><abstract lang="nl">Wrakingszaak. Verzoeker is niet ontvankelijk in zijn wrakingsverzoek. De rechter heeft een beschikking gewezen en met die beschikking is de hoofdzaak geëindigd.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 617705 HA RK 26-178</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Wraking</description><contributor lang="nl">Rechter(s): J.G. Nicholson, S.M. Schothorst, D. Wachter</contributor><issued>2026-09-30</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RBDHA:2026:28919</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:28919</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RBDHA:2026:28919"><country>NL</country><court>RBDHA</court></isVersionOf><creator lang="nl">Rechtbank Den Haag</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-09-30</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Bestuursrecht</subject><abstract lang="nl">bewaring, art. 59a Vw, ongegrond.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: NL26.56093</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Eerste aanleg - enkelvoudig</description><contributor lang="nl">Rechter(s): S. Ketelaars-Mast</contributor><issued>2026-09-30</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RBROT:2025:9266</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2025:9266</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RBROT:2025:9266"><country>NL</country><court>RBROT</court></isVersionOf><creator lang="nl">Rechtbank Rotterdam</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2025-07-30</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Bestuursrecht</subject><abstract lang="nl">Boete opgelegd aan vervoerder omdat varken was vervoerd dat niet geschikt was voor transport omdat het niet op eigen kracht pijnloos kon voortbewegen. De rechtbank ziet geen reden voor twijfel aan de gemotiveerde conclusie van de toezichthouder. De boete is terecht opgelegd.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: ROT 24/5144</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Eerste aanleg - enkelvoudig</description><contributor lang="nl">Rechter(s): L.E.M. Wilbers-Taselaar</contributor><issued>2025-08-01</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RBROT:2026:12920</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:12920</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RBROT:2026:12920"><country>NL</country><court>RBROT</court></isVersionOf><creator lang="nl">Rechtbank Rotterdam</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-09-29</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Burgerlijk recht</subject><abstract lang="nl">Kort geding. Erfrechtelijk geschil tussen twee broers. Ontruiming.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: C/10/722536 / KG ZA 26-681</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Kort geding</description><contributor lang="nl">Rechter(s): mr. Th. Veling</contributor><issued>2026-09-30</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RBDHA:2025:28163</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:28163</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RBDHA:2025:28163"><country>NL</country><court>RBDHA</court></isVersionOf><creator lang="nl">Rechtbank Den Haag</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2025-11-21</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Bestuursrecht</subject><abstract lang="nl">Sluiting van een horeca-inrichting voor drie maanden en beroep tegen weigering dwangsom vast te stellen - verweerder heeft de horeca-inrichting in redelijkheid kunnen sluiten - sluiting was noodzakelijk en evenredig - beroep tegen sluiting is ongegrond - beroep tegen niet toekennen bestuurlijke dwangsom is gegrond - de rechtbank stelt de hoogte van de dwangsom vast op 637 euro.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: SGR 25/1701</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Eerste aanleg - enkelvoudig</description><contributor lang="nl">Rechter(s): W.A. Timmer</contributor><issued>2026-09-30</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RBROT:2026:12922</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:12922</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RBROT:2026:12922"><country>NL</country><court>RBROT</court></isVersionOf><creator lang="nl">Rechtbank Rotterdam</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-09-23</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Burgerlijk recht</subject><abstract lang="nl">Kort geding. Verstek. Ontruiming.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: C/10/725876 / KG ZA 26-935</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Kort geding</description><contributor lang="nl">Rechter(s): mr. Th. Veling</contributor><issued>2026-09-30</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:GHDHA:2026:2874</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2026:2874</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:GHDHA:2026:2874"><country>NL</country><court>GHDHA</court></isVersionOf><creator lang="nl">Gerechtshof Den Haag</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-04-30</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Belastingrecht</subject><abstract lang="nl">Art. 16, lid 1, AWR. Navorderingsaanslag. Nieuw feit. De Inspecteur heeft het belastbare inkomen vastgesteld aan de hand van de beschikbare informatie uit de bankafschriften. De stellingen op grond waarvan de navorderingsaanslag zou moeten worden verminderd zijn ook in hoger beroep niet met enig bewijs onderbouwd.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: BK-25/602</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Hoger beroep</description><issued>2026-09-28</issued><reference type="ECLI" relation="precededBy" lang="nl">ECLI:NL:RBDHA:2025:17300</reference></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RBMNE:2026:6455</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:6455</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RBMNE:2026:6455"><country>NL</country><court>RBMNE</court></isVersionOf><creator lang="nl">Rechtbank Midden-Nederland</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-03-04</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Bestuursrecht</subject><abstract lang="nl">Verzoek om een voorlopige voorziening over de vraag of de minister mag overgaan tot openbaarmaking van een inspectierapport dat is opgemaakt door de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd, naar aanleiding van een inspectiebezoek bij een gezinshuis. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: UTR 25/7528</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Eerste aanleg - enkelvoudig, Voorlopige voorziening</description><contributor lang="nl">Rechter(s): G. Schnitzler</contributor><issued>2026-09-30</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RBDHA:2024:4778</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2024:4778</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RBDHA:2024:4778"><country>NL</country><court>RBDHA</court></isVersionOf><creator lang="nl">Rechtbank Den Haag</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2024-04-02</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Strafrecht</subject><abstract lang="nl">Eendaadse samenloop van roekeloosheid in het verkeer, waardoor een ander werd gedood en weer een ander zwaar lichamelijk letsel werd toegebracht, en rijden onder invloed van alcohol. Van roekeloosheid is sprake nu het verkeersgedrag als een overtreding van artikel 5a, eerste lid, WVW kan worden aangemerkt. In gevoegde zaak ook schuldig aan rijden onder invloed. Oplegging gevangenisstraf van 42 maanden en OBM van 4 jaren.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 09/021824-23 en 09/080446-23</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Eerste aanleg - meervoudig</description><contributor lang="nl">Rechter(s): V.J. De Haan, N.F.R. de Rooij, A.M. de Wit</contributor><issued>2024-04-04</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:CRVB:2026:1228</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2026:1228</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:CRVB:2026:1228"><country>NL</country><court>CRVB</court></isVersionOf><creator lang="nl">Centrale Raad van Beroep</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-09-22</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Sociale-zekerheidsrecht</subject><abstract lang="nl">Intrekking en terugvordering van bijstand. Toekenning van bijstand. Geen duurzaam gescheiden levende partners. Geen onevenwichtige belangenafweging. Geen afstemming. Geen zeer bijzondere situatie. De afweging van het college om de bijstand niet door te laten lopen tot er duidelijkheid was over de aanvraag, maakt niet dat de belangenafweging onevenwichtig was. Het dagelijks bestuur heeft betrokkene bijstand toegekend vanaf de datum waarop de bijstand was ingetrokken en heeft lopende het onderzoek aan betrokkene en X voorschotten verstrekt en wijst er terecht op dat betrokkene ook desgevraagd niet heeft onderbouwd wat voor hem de nadelige gevolgen van de intrekking zijn geweest.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 24/1169 PW</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Hoger beroep</description><issued>2026-09-30</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RBDHA:2026:28904</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:28904</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RBDHA:2026:28904"><country>NL</country><court>RBDHA</court></isVersionOf><creator lang="nl">Rechtbank Den Haag</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-09-30</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Bestuursrecht</subject><abstract lang="nl">VA-zaak, Colombia. Afwijzing van de asielaanvraag kan niet in stand blijven. Nieuwe tegenwerping in beroep. Strijd met motiverings- en zorgvuldigheidsbeginsel. De rechtbank doet een tussenuitspraak en stelt verweerder in de gelegenheid om de gebreken te herstellen.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: NL24.21681</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Eerste aanleg - enkelvoudig, Tussenuitspraak</description><issued>2026-09-30</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RBMNE:2026:6682</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:6682</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RBMNE:2026:6682"><country>NL</country><court>RBMNE</court></isVersionOf><creator lang="nl">Rechtbank Midden-Nederland</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-09-30</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Burgerlijk recht</subject><abstract lang="nl">Totstandkoming koopovereenkomst voor agrarisch perceel met bedrijfswoning. Partijen hebben een overeenkomst gesloten. Schriftelijkheidsvereiste niet van toepassing. Partijen hadden overeenstemming.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: C/16/616325 / KL ZA 26-226</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Kort geding</description><contributor lang="nl">Rechter(s): M.R. van der Vos</contributor><issued>2026-09-30</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RBROT:2026:12674</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:12674</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RBROT:2026:12674"><country>NL</country><court>RBROT</court></isVersionOf><creator lang="nl">Rechtbank Rotterdam</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-09-18</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Burgerlijk recht</subject><abstract lang="nl">Regelrechter procedure. Vordering tijdens procedure betaald. Incassokosten afgewezen. Proceskostenveroordeling.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 11785898 RR FORM 25-66</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Eerste aanleg - enkelvoudig</description><contributor lang="nl">Rechter(s): mr. M.C. van der Kolk</contributor><issued>2026-09-30</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RBMNE:2026:6683</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:6683</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RBMNE:2026:6683"><country>NL</country><court>RBMNE</court></isVersionOf><creator lang="nl">Rechtbank Midden-Nederland</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-09-30</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Strafrecht</subject><abstract lang="nl">De verdachte heeft zich gedurende een lange periode schuldig gemaakt aan het meermalen mishandelen van twee van zijn partners. Nadat een van de partners aangifte tegen de verdachte had gedaan, heeft de verdachte met een cobra 6 haar auto vernield en heeft hij een cobra 6 naar het balkon gegooid waar zij op dat moment stond. De rechtbank spreekt de verdachte vrij van het voorhanden hebben van professioneel vuurwerk. De rechtbank legt aan de verdachte een gevangenisstraf van 24 maanden op. De rechtbank legt 6 maanden voorwaardelijk op en koppelt daaraan een aantal bijzondere voorwaarden, waaronder de verplichting dat de verdachte zich klinisch laat te behandelen. De proeftijd is 3 jaar. Ook mag de verdachte gedurende vijf jaar geen contact meer opnemen met een van de aangeefsters en hij mag ook niet meer op bepaalde locaties komen. Doet hij dat toch dan moet hij twee weken vervangende hechtenis uitzitten. De vordering van de benadeelde partij tot vergoeding van schade wordt geheel toegewezen.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 16.174035.25 &amp; 16.238040.24 (vord. tul)</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Eerste aanleg - meervoudig</description><contributor lang="nl">Rechter(s): S.M. van Lieshout , S. Ourahma, C. van Wambeke</contributor><issued>2026-09-30</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:CRVB:2026:1245</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2026:1245</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:CRVB:2026:1245"><country>NL</country><court>CRVB</court></isVersionOf><creator lang="nl">Centrale Raad van Beroep</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-08-18</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Sociale-zekerheidsrecht</subject><abstract lang="nl">Bezwaar tegen uitkeringsspecificatie. Besluitkarakter. Derdenbeslag. De uitkeringsspecificatie over augustus 2023 is voor wat betreft de verlaging (vanwege ontbreken woonlasten) en inhouding (vanwege derdenbeslag) geen besluit in de zin van art. 1:3 Awb. De verlaging vloeit namelijk voort uit een eerder besluit en de inhouding was al zichtbaar in een eerdere uitkeringsspecificatie. In zoverre kon appellant dan ook geen bezwaar maken tegen de uitkeringsspecificatie over augustus 2023 en heeft het college het bezwaar daartegen terecht niet-ontvankelijk verklaard.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 24/2448 PW</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Hoger beroep</description><issued>2026-09-30</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RBOVE:2026:5798</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBOVE:2026:5798</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RBOVE:2026:5798"><country>NL</country><court>RBOVE</court></isVersionOf><creator lang="nl">Rechtbank Overijssel</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-09-03</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Strafrecht</subject><abstract lang="nl">De rechtbank veroordeelt een 39-jarige tot een gevangenisstraf van acht maanden en ontzegt zijn bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen voor drie jaren. De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het veroorzaken van een verkeersongeval. Ten gevolge van het ongeval is een slachtoffer ter plaatse aan haar verwondingen overleden en heeft een ander slachtoffer zwaar lichamelijk letsel opgelopen.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 08-067211-26 (P)</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Eerste aanleg - meervoudig</description><contributor lang="nl">Rechter(s): B.T.C. Jordaans, R.G.J. Gehring, E.C. De Bie</contributor><issued>2026-09-30</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RBOVE:2026:5801</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBOVE:2026:5801</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RBOVE:2026:5801"><country>NL</country><court>RBOVE</court></isVersionOf><creator lang="nl">Rechtbank Overijssel</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-09-30</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Burgerlijk recht</subject><abstract lang="nl">Herstelvonnis kort geding huur ontruiming.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 12354082 \ CV EXPL 26-2799</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Eerste aanleg - enkelvoudig, Kort geding</description><contributor lang="nl">Rechter(s): E. Horsthuis</contributor><issued>2026-09-30</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RBGEL:2026:7236</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2026:7236</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RBGEL:2026:7236"><country>NL</country><court>RBGEL</court></isVersionOf><creator lang="nl">Rechtbank Gelderland</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-09-24</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Bestuursrecht</subject><abstract lang="nl">Handhavingsverzoek is terecht afgewezen, omdat geen sprake is van overtreding van artikel 2a, tweede lid, van de Alcoholwet.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: ARN 25/4572</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Eerste aanleg - enkelvoudig</description><contributor lang="nl">Rechter(s): S.A. van Hoof</contributor><issued>2026-09-30</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:CRVB:2026:1232</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2026:1232</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:CRVB:2026:1232"><country>NL</country><court>CRVB</court></isVersionOf><creator lang="nl">Centrale Raad van Beroep</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-09-15</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Sociale-zekerheidsrecht</subject><abstract lang="nl">Afwijzing aanvraag. Eenmalige energietoeslag 2022. Beleid. Geen noodzaak tot overleggen energiecontract. Zelf voorzien. In de toepasselijke beleidsregels wordt niet de eis gesteld dat studenten een energiecontract over moeten leggen. Het is ook niet nodig om vast te kunnen stellen of appellante onder de doelgroep valt. Niet in geschil is immers dat appellante als alleenstaande een huishouding vormt. Ook een mogelijk verhoogd tarief is op grond van de beleidsregels geen vereiste voor toekenning van de energietoeslag. Omdat appellante voldoet aan de in de beleidsregels geformuleerde voorwaarden, kent de Raad alsnog de energietoeslag voor het jaar 2022 toe.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 24/2176 PW</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Hoger beroep</description><issued>2026-09-30</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RBDHA:2026:28894</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:28894</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RBDHA:2026:28894"><country>NL</country><court>RBDHA</court></isVersionOf><creator lang="nl">Rechtbank Den Haag</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-09-30</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Bestuursrecht</subject><abstract lang="nl">Prejudiciële vragen over de toepassing van artikel 43, derde lid, van de Asiel- en Migratiebeheerverordening (AMBV). Eiser heeft op 18 januari 2026 een asielaanvraag ingediend. De minister heeft de aanvraag niet in behandeling genomen, omdat Kroatië daarvoor verantwoordelijk is op grond van de AMBV. Eiser heeft op 13 juli 2026 beroep ingediend tegen dit besluit. Op 29 juli 2026 heeft eiser een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend, omdat de minister handelingen had verricht om eiser over te dragen aan Kroatië. De voorlopige voorziening is bij uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats op 28 augustus 2026 toegewezen. Het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening zijn niet gelijktijdig ingediend, terwijl artikel 43, derde lid, van de AMBV en artikel 69, zevende lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) dat wel voorschrijven. Naar het oordeel van de rechtbank is met het claimakkoord van 14 maart 2026 de overdrachtstermijn van zes maanden begonnen te lopen. Dat betekent dat de overdrachtstermijn in beginsel op 14 september 2026 zou zijn verlopen. De vraag die beantwoordt dient te worden is of met de toewijzing van het verzoek om een voorlopige voorziening ook de overdrachtstermijn is opgeschort óf dat alleen de uitvoering van het overdrachtsbesluit is opgeschort en de overdrachtstermijn is blijven doorlopen. De rechtbank kan deze vraag niet zelf beantwoorden en ziet zich genoodzaakt om de volgende prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie van de Europese Unie te stellen: Dient artikel 43, derde lid, van de AMBV zo gelezen te worden dat indien een lidstaat gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid om te bepalen dat het verzoek om de uitvoering van het overdrachtsbesluit op te schorten samen met het beroep moet worden ingediend, alléén aan een gelijktijdig ingediende en vervolgens toegewezen verzoek opschortende werking toekomt aan de overdrachtstermijn en dat aan een later ingediend en vervolgens toegewezen verzoek dergelijke opschortende werking niet toekomt?</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: NL26.38960 (T)</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Eerste aanleg - enkelvoudig</description><issued>2026-09-30</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:HR:2026:1416</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2026:1416</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:HR:2026:1416"><country>NL</country><court>HR</court></isVersionOf><creator lang="nl">Hoge Raad</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-09-18</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Belastingrecht</subject><abstract lang="nl">Belasting van personenauto's en motorrijwielen; procesrecht; artt. 6:5 en 6:6 Awb; artt. 47 en 52 Handvest van de grondrechten van de Europese Unie; zonder opgaaf van redenen verzoeken om uitstel van de door de rechter geboden termijn om de gronden van het gedane verzet in te dienen; het niet-ontvankelijk verklaren van het verzet wegens het niet tijdig indienen van de gronden van het verzet is niet in strijd met Unierecht.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 25/02365</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Cassatie</description><issued>2026-09-18</issued><reference type="ECLI" relation="precededBy" lang="nl">ECLI:NL:GHDHA:2025:1096</reference></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:HR:2026:1494</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2026:1494</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:HR:2026:1494"><country>NL</country><court>HR</court></isVersionOf><creator lang="nl">Hoge Raad</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-09-18</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Belastingrecht</subject><abstract lang="nl">Belasting van personenauto's en motorrijwielen. Formeel recht. Artt. 47 en 52 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie; art. 6 EVRM. Vergoeding van immateriële schade als gevolg van overschrijding van de redeljke termijn; in aanmerking te nemen termijn en bedrag. Unierechtelijk verdedigingsbeginsel; geen verplichting tot mondeling horen.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 25/02829</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Cassatie</description><issued>2026-09-18</issued><reference type="ECLI" relation="precededBy" lang="nl">ECLI:NL:GHDHA:2025:1555</reference></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RBDHA:2026:28920</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:28920</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RBDHA:2026:28920"><country>NL</country><court>RBDHA</court></isVersionOf><creator lang="nl">Rechtbank Den Haag</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-08-06</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Bestuursrecht</subject><abstract lang="nl">VK; plakvovo; afgewezen.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: NL24.22669</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Voorlopige voorziening</description><issued>2026-09-30</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RBGEL:2026:7240</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2026:7240</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RBGEL:2026:7240"><country>NL</country><court>RBGEL</court></isVersionOf><creator lang="nl">Rechtbank Gelderland</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-09-23</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Belastingrecht</subject><abstract lang="nl">IB/PVV TOZO toerekenen aan belanghebbende. Beroep ongegrond</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: AWB - 24 _ 7884</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Eerste aanleg - enkelvoudig</description><contributor lang="nl">Rechter(s): M.F. Kossen</contributor><issued>2026-09-30</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RBDHA:2025:28164</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:28164</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RBDHA:2025:28164"><country>NL</country><court>RBDHA</court></isVersionOf><creator lang="nl">Rechtbank Den Haag</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2025-12-15</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Bestuursrecht</subject><abstract lang="nl">Oplegging last onder dwangsom i.v.m. overtreding artikel 2:74 van de APV - eiser is gelast geen drugs te dealen dan wel daarbij behulpzaam te zijn en/of te bemiddelen op een openbare plaats binnen de gemeente Leiden - verweerder heeft op grond van de bevindingen in de bestuurlijke rapportage aannemelijk gemaakt dat eiser artikel 2:74 van de APV heeft overtreden - de formulering van de last valt binnen de reikwijdte van artikel 2:74 van de APV - de last is voldoende duidelijk waarmee is voldaan aan artikel 5:32a, eerste lid van de AWB - de hoogte van de dwangsom is niet onevenredig hoog - beroep ongegrond.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: SGR 25/3575</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Eerste aanleg - enkelvoudig</description><contributor lang="nl">Rechter(s): M. de Kock-Molendijk</contributor><issued>2026-09-30</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RBROT:2026:12660</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:12660</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RBROT:2026:12660"><country>NL</country><court>RBROT</court></isVersionOf><creator lang="nl">Rechtbank Rotterdam</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-09-18</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Burgerlijk recht</subject><abstract lang="nl">Huur woonruimte. Incident over relatieve bevoegdheid. Forumkeuzebeding mist werking. Verwijzing naar relatief bevoegde rechter.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 12242244 CV EXPL 26-13133</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Eerste aanleg - enkelvoudig</description><contributor lang="nl">Rechter(s): mr. M. Fiege</contributor><issued>2026-09-30</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RBOVE:2026:5800</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBOVE:2026:5800</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RBOVE:2026:5800"><country>NL</country><court>RBOVE</court></isVersionOf><creator lang="nl">Rechtbank Overijssel</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-09-30</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Strafrecht</subject><abstract lang="nl">De rechtbank veroordeelt een 34-jarige man tot een gevangenisstraf van 365 dagen, waarvan 255 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren, en een geldboete van € 5.000,-- euro. De man heeft zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van het bezit van cocaïne en ketamine en op een ander moment aan het bezit van cocaïne en MDMA. Toewijzing vordering tenuitvoerlegging van een eerder opgelegde voorwaardelijke taakstraf.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 09-089569-26</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Eerste aanleg - meervoudig</description><contributor lang="nl">Rechter(s): M. Melaard, S.M.M. Bordenga, W.B. Bruins</contributor><issued>2026-09-30</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RBDHA:2026:27705</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:27705</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RBDHA:2026:27705"><country>NL</country><court>RBDHA</court></isVersionOf><creator lang="nl">Rechtbank Den Haag</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-09-22</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Bestuursrecht</subject><abstract lang="nl">Asiel- en Migratiebeheerverordening. Italië. De rechtbank is van oordeel dat de minister onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat nu weer kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Beroep gegrond.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: NL26.41876 en NL26.41877</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Eerste aanleg - enkelvoudig</description><contributor lang="nl">Rechter(s): H.J. Schaberg</contributor><issued>2026-09-25</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:GHAMS:2026:2692</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2026:2692</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:GHAMS:2026:2692"><country>NL</country><court>GHAMS</court></isVersionOf><creator lang="nl">Gerechtshof Amsterdam</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-09-22</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Burgerlijk recht</subject><abstract lang="nl">Uitleg escrowovereenkomst. Anders dan de rechtbank is het hof van oordeel dat aan de voorwaarden van vrijgave is niet voldaan.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 200.355.690/01</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Hoger beroep</description><issued>2026-09-30</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:CRVB:2026:1229</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2026:1229</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:CRVB:2026:1229"><country>NL</country><court>CRVB</court></isVersionOf><creator lang="nl">Centrale Raad van Beroep</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-09-22</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Sociale-zekerheidsrecht</subject><abstract lang="nl">Niet-ontvankelijk beroep. Griffierecht niet tijdig voldaan. Aanbieding poststuk kan redelijkerwijs worden betwijfeld. Intrekking van bijstand. Schending inlichtingenverplichting. Op geld waardeerbare werkzaamheden in restaurant. Houden aan eigen verklaring. Uit de gegevens van PostNL blijkt dat de bezorger heeft geprobeerd om de aangetekende brief door uitreiking te bezorgen op het kantoor van de gemachtigde van appellant, maar dat dit niet gelukt is. Gelet op o.m. het gegeven dat uit de informatie van PostNL niet blijkt dat een afhaalbericht is achtergelaten en het traceeroverzicht een foutmelding meldt bij de bezorging van de zending kan redelijkerwijs worden betwijfeld dat de brief op regelmatige wijze op het adres van de gemachtigde is aangeboden. Aangenomen moet daarom worden dat appellant niet in de gelegenheid is gesteld om het griffierecht te betalen. Het beroep is dan ook ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 24/405 PW</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Hoger beroep</description><issued>2026-09-30</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RBDHA:2025:28166</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:28166</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RBDHA:2025:28166"><country>NL</country><court>RBDHA</court></isVersionOf><creator lang="nl">Rechtbank Den Haag</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2025-12-15</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Bestuursrecht</subject><abstract lang="nl">Afwijzing verzoek om vernietiging van politiegegevens - eiser heeft geen recht op vernietiging van de politiegegevens - de verwerkte gegevens zijn niet onjuist - niet is gebleken dat verwerking van de politiegegevens op andere wijze in strijd is met een wettelijk voorschrift - verweerder heeft terecht geen belangenafweging gemaakt nu hij geen beslissingsruimte heeft - er is wel sprake van een motiveringsgebrek omdat uit het besluit niet volgt dat de gegevens verwijderd waren en werden bewaard op grond van artikel 14 van de WPG - motiveringsgebrek hersteld met verweerschrift en toelichting ter zitting - gebrek gepasseerd met artikel 6:22 van de Awb - verweerder heeft eisers verzoek kunnen opvatten als enkel een verzoek om vernietiging van gegevens en niet mede als verzoek tot rectificatie - beroep ongegrond - eiser krijgt griffierecht terug.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: SGR 25/2299</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Eerste aanleg - enkelvoudig</description><contributor lang="nl">Rechter(s): M. de Kock-Molendijk</contributor><issued>2026-09-30</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:CRVB:2026:1230</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2026:1230</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:CRVB:2026:1230"><country>NL</country><court>CRVB</court></isVersionOf><creator lang="nl">Centrale Raad van Beroep</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-09-15</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Sociale-zekerheidsrecht</subject><abstract lang="nl">Afwijzing aanvraag om algemene bijstand. Bedrijf niet levensvatbaar. Herhaling beroepsgronden. Wat appellante aanvoert, is in de kern een herhaling van wat zij in beroep heeft aangevoerd. De Raad is het eens met het oordeel van de rechtbank en met de overwegingen waarop dat oordeel is gebaseerd en neemt deze overwegingen over. Hij voegt daaraan nog toe dat appellante ook in hoger beroep geen concrete informatie heeft verstrekt waaruit blijkt dat zij in staat is om binnen afzienbare tijd een inkomen te verwerven dat toereikend is voor de voortzetting van het bedrijf en voor de voorziening in het bestaan. De enkele eigen verwachting van appellante is daartoe onvoldoende.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 25/199 BBZ</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Hoger beroep</description><issued>2026-09-30</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RBGEL:2026:7244</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2026:7244</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RBGEL:2026:7244"><country>NL</country><court>RBGEL</court></isVersionOf><creator lang="nl">Rechtbank Gelderland</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-09-25</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Bestuursrecht</subject><abstract lang="nl">Verzoek om op grond van artikel 15 van de AVG inzage te geven in en kopieën te verstrekken van persoonsgegevens die zijn verwerkt in documenten die zijn vermeld op de drie lijsten behorend bij het heroverwegingsbesluit. De rechtbank oordeelt dat het college aan zijn inzageplicht heeft voldaan en dat voor documenten die ten tijde van het bestreden besluit waren overgebracht naar de archiefbewaarplaats het bijzondere inzagerecht van artikel 45 van de UAVG, in samenhang met de Archiefwet, geldt. Het beroep is gegrond omdat eiser document B12 pas in de beroepsprocedure heeft ontvangen; de rechtsgevolgen blijven in stand en de Staat wordt veroordeeld tot vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: ARN 24/5198</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Eerste aanleg - enkelvoudig</description><contributor lang="nl">Rechter(s): G.W.B. Heijmans</contributor><issued>2026-09-30</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:CRVB:2026:1244</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2026:1244</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:CRVB:2026:1244"><country>NL</country><court>CRVB</court></isVersionOf><creator lang="nl">Centrale Raad van Beroep</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-09-08</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Sociale-zekerheidsrecht</subject><abstract lang="nl">Ontheffing arbeidsverplichtingen. Niet volledig en duurzaam arbeidsongeschikt. Herhaling beroepsgrond. Wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, heeft hij ook in beroep aangevoerd. De Raad is het eens met het oordeel van de rechtbank en met de hiervoor weergegeven overwegingen waarop dat oordeel is gebaseerd en neemt deze overwegingen over. Hij voegt daaraan toe dat appellant ook in hoger beroep geen medische gegevens heeft overgelegd die een begin van bewijs opleveren dat hij volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 24/2755 PW-PV</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Hoger beroep, Proces-verbaal</description><issued>2026-09-30</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RBGEL:2026:7159</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2026:7159</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RBGEL:2026:7159"><country>NL</country><court>RBGEL</court></isVersionOf><creator lang="nl">Rechtbank Gelderland</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-09-16</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Belastingrecht</subject><abstract lang="nl">Wet WOZ. NSW-landgoed. Beroep ongegrond.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: ARN 23/5928</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Eerste aanleg - enkelvoudig</description><contributor lang="nl">Rechter(s): L.L. van Benthem</contributor><issued>2026-09-29</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RBGEL:2026:7269</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2026:7269</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RBGEL:2026:7269"><country>NL</country><court>RBGEL</court></isVersionOf><creator lang="nl">Rechtbank Gelderland</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-09-28</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Bestuursrecht</subject><abstract lang="nl">PKV, besluit niet herroepen, pkv toegekend. Verzoekster verzocht om een veroordeling van verweerder in de proceskosten. Verweerder is, ondanks dat het bestreden besluit niet formeel is herroepen, toch geheel of gedeeltelijk tegemoetgekomen aan het beroep van verzoekster. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door verzoekster gemaakte proceskosten.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: ARN 25/1530</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Eerste aanleg - enkelvoudig</description><contributor lang="nl">Rechter(s): J.M.C. Schuurman-Kleijberg</contributor><issued>2026-09-30</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RBMNE:2026:6621</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:6621</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RBMNE:2026:6621"><country>NL</country><court>RBMNE</court></isVersionOf><creator lang="nl">Rechtbank Midden-Nederland</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-09-16</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Burgerlijk recht</subject><abstract lang="nl">vrijwaringsincident</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: C/16/612550 / HA ZA 26-284</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Eerste aanleg - enkelvoudig</description><contributor lang="nl">Rechter(s): C.A.J. van Yperen</contributor><issued>2026-09-30</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RBROT:2026:11975</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:11975</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RBROT:2026:11975"><country>NL</country><court>RBROT</court></isVersionOf><creator lang="nl">Rechtbank Rotterdam</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-09-04</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Burgerlijk recht</subject><abstract lang="nl">Kort geding. Eiseres sub 1 niet-ontvankelijk verklaard. Vorderingen overige eisers afgewezen. Artikelen 197 lid 1 en 196 lid 2 Rv.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: C/10/722992 / KG ZA 26-714</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Kort geding</description><contributor lang="nl">Rechter(s): mr. C. Sikkel</contributor><issued>2026-09-30</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RBGEL:2026:7140</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2026:7140</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RBGEL:2026:7140"><country>NL</country><court>RBGEL</court></isVersionOf><creator lang="nl">Rechtbank Gelderland</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-09-18</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Belastingrecht</subject><abstract lang="nl">Giftenaftrek . Anbi-status. Niet in Nederl;and gevestigd goed doel.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: ARN 24/5464 en 25/1431</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Eerste aanleg - enkelvoudig</description><contributor lang="nl">Rechter(s): J.A.L. Heldens</contributor><issued>2026-09-29</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:GHDHA:2026:2863</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2026:2863</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:GHDHA:2026:2863"><country>NL</country><court>GHDHA</court></isVersionOf><creator lang="nl">Gerechtshof Den Haag</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-02-25</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Belastingrecht</subject><abstract lang="nl">Naheffing bpm. Interne compensatie. Hof verhoogt handelsinkoopwaarde. Hoger beroep ongegrond.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: BK-25/58</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Hoger beroep</description><issued>2026-09-28</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RBNNE:2026:4135</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNNE:2026:4135</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RBNNE:2026:4135"><country>NL</country><court>RBNNE</court></isVersionOf><creator lang="nl">Rechtbank Noord-Nederland</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-09-30</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Strafrecht</subject><abstract lang="nl">De rechtbank spreekt verdachte vrij van de ten laste gelegde verkrachting (242 Sr (oud)) en aanranding (246 Sr (oud)) van zijn ex-partner gedurende hun relatie. De feitelijkheden zoals in de tenlastelegging opgenomen leveren naar het oordeel van de rechtbank geen dwang op, zodat niet kan worden vastgesteld dat verdachte zijn ex-partner heeft gedwongen de seksuele handelingen tegen haar wil te ondergaan. De benadeelde partij wordt om die reden niet-ontvankelijk verklaard in haar vordering.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 18.081734.25</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Eerste aanleg - meervoudig, Op tegenspraak</description><contributor lang="nl">Rechter(s): mr. M.S. van der Kuijl, mr. H.H. Kielman, Mr. H. de Ruijter</contributor><issued>2026-09-30</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RBROT:2026:12961</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:12961</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RBROT:2026:12961"><country>NL</country><court>RBROT</court></isVersionOf><creator lang="nl">Rechtbank Rotterdam</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-09-28</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Burgerlijk recht</subject><abstract lang="nl">Besluiten VvE niet nietig of vernietigbaar. Discussie over met name transparantie en telling.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 11939598 VZ VERZ 25-6635 &amp; 12252490 VZ VERZ 26-2674</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Eerste aanleg - enkelvoudig</description><contributor lang="nl">Rechter(s): mr. M. Fiege</contributor><issued>2026-09-30</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RBDHA:2026:28924</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:28924</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RBDHA:2026:28924"><country>NL</country><court>RBDHA</court></isVersionOf><creator lang="nl">Rechtbank Den Haag</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-08-07</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Bestuursrecht</subject><abstract lang="nl">VK; visum kort verblijf; doel en omstandigheden; twijfel over tijdige terugkeer; gelijkheidsbeginsel; ogg.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: AWB 24/8250</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Eerste aanleg - enkelvoudig</description><issued>2026-09-30</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RBDHA:2025:28165</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:28165</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RBDHA:2025:28165"><country>NL</country><court>RBDHA</court></isVersionOf><creator lang="nl">Rechtbank Den Haag</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2025-12-15</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Bestuursrecht</subject><abstract lang="nl">Oplegging last onder dwangsom i.v.m. overtreding artikel 2:74 van de APV - eiser is gelast geen drugs te dealen dan wel daarbij behulpzaam te zijn en/of te bemiddelen op een openbare plaats binnen de gemeente Leiden - verweerder heeft op grond van de bevindingen in de bestuurlijke rapportage aannemelijk gemaakt dat eiser artikel 2:74 van de APV heeft overtreden - de formulering van de last valt binnen de reikwijdte van artikel 2:74 van de APV - de last is voldoende duidelijk waarmee is voldaan aan artikel 5:32a, eerste lid van de AWB - de hoogte van de dwangsom is niet onevenredig hoog - beroep ongegrond.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: SGR 25/3569</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Eerste aanleg - enkelvoudig</description><contributor lang="nl">Rechter(s): M. de Kock-Molendijk</contributor><issued>2026-09-30</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RBNNE:2026:4136</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNNE:2026:4136</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RBNNE:2026:4136"><country>NL</country><court>RBNNE</court></isVersionOf><creator lang="nl">Rechtbank Noord-Nederland</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-09-30</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Strafrecht</subject><abstract lang="nl">De rechtbank verlengt de PIJ-maatregel met 3 maanden. De rechtbank acht het van belang om binnen een termijn van 3 maanden inzicht te krijgen in de voortgang en duidelijkheid te krijgen over de vraag of sprake is van een realistisch plan voor de aanstaande voorwaardelijke beëindiging van de maatregel.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 18.187152.20</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Eerste aanleg - meervoudig, Op tegenspraak</description><contributor lang="nl">Rechter(s): mr. M.S. van der Kuijl, mr. H.H. Kielman, Mr. H. de Ruijter</contributor><issued>2026-09-30</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RBDHA:2026:28917</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:28917</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RBDHA:2026:28917"><country>NL</country><court>RBDHA</court></isVersionOf><creator lang="nl">Rechtbank Den Haag</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-09-30</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Bestuursrecht</subject><abstract lang="nl">Vervolgberoep vreemdelingenbewaring, artikel 59, voortvarend handelen, onderzoek identiteit en nationaliteit, onderzoek verblijfsrecht Frankrijk, beroep ongegrond.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: NL26.54994</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Eerste aanleg - enkelvoudig</description><issued>2026-09-30</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RBOBR:2026:6600</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBOBR:2026:6600</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RBOBR:2026:6600"><country>NL</country><court>RBOBR</court></isVersionOf><creator lang="nl">Rechtbank Oost-Brabant</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-09-14</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Strafrecht</subject><abstract lang="nl">Onderzoek Illminster. Rechtbank komt tot bewezenverklaring van feitelijk leiding geven aan valsheid in geschrifte ten aanzien van verkoopfacturen en vrachtbrieven en tot bewezenverklaring van feitelijk leidinggeven aan het opzettelijk doen van onjuiste kwartaalaangiften omzetbelasting. Beide feiten zijn begaan door een rechtspersoon. Rechtbank legt uit waarom de tenlastegelegde facturen vals zijn en een papieren werkelijkheid creëren ten behoeve van factoringfraude. Gelet op de forse overschrijding van de redelijke termijn en de oudheid van de gepleegde feiten legt de rechtbank aan verdachte een taakstraf op voor de duur van 180 uren subsidiair 90 dagen hechtenis.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 82-304493-23</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Eerste aanleg - meervoudig</description><issued>2026-09-14</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:CRVB:2026:1252</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2026:1252</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:CRVB:2026:1252"><country>NL</country><court>CRVB</court></isVersionOf><creator lang="nl">Centrale Raad van Beroep</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-09-23</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Sociale-zekerheidsrecht</subject><abstract lang="nl">Beëindiging WIA-uitkering omdat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Zorgvuldig medisch onderzoek en voldoende arbeidskundige onderbouwing De geselecteerde functies zijn passend voor appellant.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 25/2258 WIA</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Hoger beroep</description><issued>2026-09-30</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RBDHA:2026:28935</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:28935</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RBDHA:2026:28935"><country>NL</country><court>RBDHA</court></isVersionOf><creator lang="nl">Rechtbank Den Haag</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-09-30</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Bestuursrecht</subject><abstract lang="nl">Vreemdelingenbewaring – buiten zitting – lichter middel – beroep ongegrond</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: NL26.56225</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Eerste aanleg - enkelvoudig</description><issued>2026-09-30</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:CRVB:2026:1241</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2026:1241</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:CRVB:2026:1241"><country>NL</country><court>CRVB</court></isVersionOf><creator lang="nl">Centrale Raad van Beroep</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-09-17</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Sociale-zekerheidsrecht</subject><abstract lang="nl">Afwijzing aanvraag voor zorg op grond van de Wlz. Zorgvuldig medisch onderzoek. Bij appellante is geen spraken van een blijvende behoefte aan 24 uur per dag zorg in de nabijheid ter voorkoming van ernstig nadeel. Appellante komt daarom niet in aanmerking voor zorg op grond van de Wlz.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 25/205 WMO15</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Hoger beroep</description><issued>2026-09-30</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:GHARL:2025:8893</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2025:8893</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:GHARL:2025:8893"><country>NL</country><court>GHARL</court></isVersionOf><creator lang="nl">Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2025-11-26</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Strafrecht</subject><abstract lang="nl">--</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 21-000718-19</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Hoger beroep</description><issued>2026-09-30</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RBGEL:2025:7273</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2025:7273</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RBGEL:2025:7273"><country>NL</country><court>RBGEL</court></isVersionOf><creator lang="nl">Rechtbank Gelderland</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2025-08-26</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Belastingrecht</subject><abstract lang="nl">Belanghebbende heeft in 2016 en 2017 respectievelijk € 151.920 en € 1.868.988 ontvangen. In geschil is of deze betalingen moeten worden aangemerkt als loon uit tegenwoordige dienstbetrekking. Belanghebbende stelt dat aan hem in 2002 en 2010 aandelen zijn toegekend. Er is daarom sprake van een recht op levering van aandelen, subsidiair optierechten. De toekenning daarvan hangt samen met zijn dienstbetrekking in het Verenigd Koninkrijk. De afwikkeling daarvan levert dus geen heffingsmoment op voor de inkomstenbelasting in 2016 of 2017 in Nederland. De beroepsgrond faalt, omdat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij rechten op levering van aandelen dan wel optierechten heeft verkregen en dat het heffingsmoment daarom in het verleden ligt. Hierbij acht de rechtbank relevant dat de gemaakte afspraken onduidelijk zijn en dat hierover veel discussie is geweest tussen belanghebbende en zijn werkgever. Daarnaast zou het ook gaan op een recht op aandelen (de zogeheten B shares) die niet hebben bestaan. Tevens is terecht geen rekening gehouden met enige aftrek op grond van de 30%-regeling voor extraterritoriale kosten. Gesteld noch gebleken is dat de werkgever van belanghebbende op de betalingen in 2016 en 2017 heeft aangewezen als een gerichte vrijstelling als bedoeld in voornoemd artikel en ook niet als zodanig (op individueel administratief niveau) heeft verwerkt in haar loonadministratie.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: AWB - 23 _ 5752</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Eerste aanleg - meervoudig</description><contributor lang="nl">Rechter(s): J.A.L. Heldens, L.L. van Benthem, J. Wessels</contributor><issued>2025-09-19</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:GHARL:2026:6257</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2026:6257</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:GHARL:2026:6257"><country>NL</country><court>GHARL</court></isVersionOf><creator lang="nl">Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-05-27</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Strafrecht</subject><abstract lang="nl">--</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 21-000719-19</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Hoger beroep</description><issued>2026-09-30</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:CRVB:2026:1242</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2026:1242</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:CRVB:2026:1242"><country>NL</country><court>CRVB</court></isVersionOf><creator lang="nl">Centrale Raad van Beroep</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-08-27</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Sociale-zekerheidsrecht</subject><abstract lang="nl">Afwijzing aanvraag om een ANW-uitkering. De overleden echtgenoot van appellante was op de datum van zijn overlijden niet verplicht of vrijwillig verzekerd voor de ANW. Ook was hij niet verzekerd op grond van de Marokkaanse wetgeving.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 25/1803 ANW-PV</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Hoger beroep, Proces-verbaal</description><issued>2026-09-30</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RBROT:2026:12921</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:12921</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RBROT:2026:12921"><country>NL</country><court>RBROT</court></isVersionOf><creator lang="nl">Rechtbank Rotterdam</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-09-23</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Burgerlijk recht</subject><abstract lang="nl">Kort geding. Executiegeschil.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: C/10/726534 / KG ZA 26-975</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Kort geding</description><contributor lang="nl">Rechter(s): Mr. M. de Geus</contributor><issued>2026-09-30</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RBDHA:2025:28167</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:28167</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RBDHA:2025:28167"><country>NL</country><court>RBDHA</court></isVersionOf><creator lang="nl">Rechtbank Den Haag</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2025-12-08</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Bestuursrecht</subject><abstract lang="nl">Beroep tegen weigering bevestigen optieverklaring - verweerder heeft op goede gronden geweigerd de optieverklaring te bevestigen - verweerder heeft terecht geoordeeld dat verlies van het Unieburgerschap niet onevenredig was omdat eiser op het moment dat hij het Nederlanderschap verloor geen gebruikmaakte van zijn Unierechten of dat voorzienbaar was dat hij daarvan gebruik zou gaan maken - het bestreden besluit is niet in strijd met artikel 8 EVRM - beroep ongegrond.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: SGR 25/4266</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Eerste aanleg - enkelvoudig</description><contributor lang="nl">Rechter(s): W.A. Timmer</contributor><issued>2026-09-30</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RBDHA:2026:27700</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:27700</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RBDHA:2026:27700"><country>NL</country><court>RBDHA</court></isVersionOf><creator lang="nl">Rechtbank Den Haag</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-09-22</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Strafrecht</subject><abstract lang="nl">Veroordeling voor bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en met zware mishandeling (artikel 285 Sr). Vrijspraak voor belaging en opzetverkrachting. Gevangenisstraf voor de duur van 7 dagen, met aftrek van het voorarrest. Benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding. Toewijzen vordering tenuitvoerlegging inzake 09/154048-23 en verlengen proeftijd met 2 jaar inzake 09/074861-24.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 09/077044-26, 09/074861-24 (tul) en 09/154048-23 (tul)</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Eerste aanleg - meervoudig, Op tegenspraak</description><contributor lang="nl">Rechter(s): I.C. Kranenburg, B.J. van de Griend, J.E. van Essen</contributor><issued>2026-09-30</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:PHR:2026:904</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2026:904</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:PHR:2026:904"><country>NL</country><court>PHR</court></isVersionOf><creator lang="nl">Parket bij de Hoge Raad</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-09-29</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Conclusie</type><subject lang="nl">Strafrecht</subject><abstract lang="nl">Conclusie AG. Herziening. Twee veroordelingen in verband met overtreden maximumsnelheid. Is sprake van een 'novum'? AG: Uit een vergelijking van beide strafdossiers blijkt dat eerdere veroordeling betrekking had op hetzelfde feit in de zin van art. 68 Sr. Dit gegeven was het hof niet bekend. De conclusie strekt gegrondverklaring van de aanvraag tot herziening, tot vernietiging van de uitspraak van het hof en de daaraan voorafgaande uitspraak van de kantonrechter en tot niet-ontvankelijkverklaring OM in de vervolging.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 26/01713</description><issued>2026-09-30</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RBDHA:2026:27712</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:27712</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RBDHA:2026:27712"><country>NL</country><court>RBDHA</court></isVersionOf><creator lang="nl">Rechtbank Den Haag</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-09-11</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Insolventierecht</subject><abstract lang="nl">Afwijzing verzoek tot faillietverklaring door ontbreken steunvordering. Ook afwijzing subsidiair verzoek tot benoeming deskundige ex. artikel 371 lid 4 Fw. Benoeming van een deskundige op basis van artikel 371 lid 4 Fw kan slechts worden gedaan in het kader van de WHOA. Benoeming deskundige past niet in het summiere karakter van het onderzoek binnen de faillissementsprocedure.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: FT RK 26/466</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Eerste aanleg - enkelvoudig</description><contributor lang="nl">Rechter(s): D. de Loor</contributor><issued>2026-09-30</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RBDHA:2025:28168</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:28168</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RBDHA:2025:28168"><country>NL</country><court>RBDHA</court></isVersionOf><creator lang="nl">Rechtbank Den Haag</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2025-12-04</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Bestuursrecht</subject><abstract lang="nl">Asiel - geen procesbelang vanwege MOB - beroep niet-ontvankelijk.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: NL25.11579</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Eerste aanleg - enkelvoudig</description><contributor lang="nl">Rechter(s): C.W. Griffioen</contributor><issued>2026-09-30</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RBZWB:2026:7799</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:7799</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RBZWB:2026:7799"><country>NL</country><court>RBZWB</court></isVersionOf><creator lang="nl">Rechtbank Zeeland-West-Brabant</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-07-17</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Burgerlijk recht</subject><abstract lang="nl">Afwijzing verzoek vaststelling omgangsregeling nu mj duidelijk aangeeft geen contact te willen en ook geen hulpverlening. Inforegeling op hoofdlijnen en zonder foto.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: C/02/446611 FA RK 26/1646 (bodemprocedure)</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Rekestprocedure</description><issued>2026-09-30</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RBDHA:2026:28827</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><status>deleted</status><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:28827</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RBDHA:2026:28827"><country>NL</country><court>RBDHA</court></isVersionOf><creator lang="nl">Rechtbank Den Haag</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-09-30</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Bestuursrecht</subject><description lang="nl">Zaaknummer: NL26.32224 en NL26.32226</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Eerste aanleg - enkelvoudig</description><contributor lang="nl">Rechter(s): mr. A. Hello</contributor></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RBROT:2026:12918</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:12918</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RBROT:2026:12918"><country>NL</country><court>RBROT</court></isVersionOf><creator lang="nl">Rechtbank Rotterdam</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-09-14</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Burgerlijk recht</subject><abstract lang="nl">Kort geding. Geldvordering. Voorzieningenrechter rechtbank Rotterdam bevoegd. Ontbreken spoedeisend belang.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: C/10/723623 / KG ZA 26-775</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Kort geding</description><contributor lang="nl">Rechter(s): mr. Th. Veling</contributor><issued>2026-09-30</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RBZWB:2026:7813</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:7813</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RBZWB:2026:7813"><country>NL</country><court>RBZWB</court></isVersionOf><creator lang="nl">Rechtbank Zeeland-West-Brabant</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-07-17</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Burgerlijk recht</subject><abstract lang="nl">Zorgmachtiging Wvggz.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: C/02/449926 / FA RK 26-3413</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Rekestprocedure, Beschikking</description><issued>2026-09-30</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RBZWB:2026:7816</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:7816</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RBZWB:2026:7816"><country>NL</country><court>RBZWB</court></isVersionOf><creator lang="nl">Rechtbank Zeeland-West-Brabant</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-07-17</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Burgerlijk recht</subject><abstract lang="nl">Verzoek zorgmachtiging toegewezen. Geen bijzonderheden.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: C/02/449829 / FA RK 26-3349</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Rekestprocedure, Beschikking</description><issued>2026-09-30</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:CRVB:2026:1246</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2026:1246</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:CRVB:2026:1246"><country>NL</country><court>CRVB</court></isVersionOf><creator lang="nl">Centrale Raad van Beroep</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-08-27</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Sociale-zekerheidsrecht</subject><abstract lang="nl">Afwijzing aanvraag ANW-uitkering. Terecht geoordeeld dat de overleden echtgenoot van appellante op de datum van overlijden niet verplicht of vrijwillig verzekerd was voor de ANW. Ook was hij niet verzekerd op grond van de Marokkaanse wetgeving.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 25/1931 ANW-PV</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Hoger beroep, Proces-verbaal</description><issued>2026-09-30</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RBAMS:2026:9740</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:9740</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RBAMS:2026:9740"><country>NL</country><court>RBAMS</court></isVersionOf><creator lang="nl">Rechtbank Amsterdam</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-09-24</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Strafrecht</subject><abstract lang="nl">Executie-EAB Belgie; artikel 12 OLW: 12 sub b aan de orde; artikel 11 OLW: CPT-rapport van 8 september 2026 geeft geen aanleiding om het algemene gevaar voor Belgie uit te breiden; overlevering toegestaan.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 13-198356-26</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Eerste en enige aanleg</description><contributor lang="nl">Rechter(s): M.C.M. Hamer, A.R.P.J. Davids, E.M. de Bie</contributor><issued>2026-09-30</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RBZWB:2026:7803</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:7803</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RBZWB:2026:7803"><country>NL</country><court>RBZWB</court></isVersionOf><creator lang="nl">Rechtbank Zeeland-West-Brabant</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-07-17</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Burgerlijk recht</subject><abstract lang="nl">Internationale bevoegdheid. Begrip gewone verblijfplaats. Van rechtswege verkrijging van gezag. Artikel 7 Brussel II-ter, artikel 9 Brussel II-ter, artikel 15 en 16 HKBV 1996. Relatieve bevoegdheid artikel 265 Rv.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: C/02/449742 FA RK 26-3308</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Rekestprocedure, Beschikking</description><issued>2026-09-30</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:CRVB:2026:1247</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2026:1247</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:CRVB:2026:1247"><country>NL</country><court>CRVB</court></isVersionOf><creator lang="nl">Centrale Raad van Beroep</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-09-17</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Sociale-zekerheidsrecht</subject><abstract lang="nl">Afwijzing aanvraag om meer uren individuele begeleiding op grond van de Wmo 2015. Een deel van de genoemde taken vallen niet onder begeleiding als bedoeld in de Wmo 2015 vallen. Er is geen sprake van bevordering van de participatie of zelfredzaamheid als bedoeld in artikel 2.3.5, derde lid, van de Wmo 2015.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 25/204 WMO15</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Hoger beroep</description><issued>2026-09-30</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RBZWB:2026:7821</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:7821</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RBZWB:2026:7821"><country>NL</country><court>RBZWB</court></isVersionOf><creator lang="nl">Rechtbank Zeeland-West-Brabant</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-07-17</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Burgerlijk recht</subject><abstract lang="nl">Verzoek rechterlijke machtiging opname en verblijf toegewezen. Geen bijzonderheden.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: C/02/449875 / FA RK 26-3374</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Rekestprocedure, Beschikking</description><issued>2026-09-30</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RBDHA:2026:27710</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:27710</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RBDHA:2026:27710"><country>NL</country><court>RBDHA</court></isVersionOf><creator lang="nl">Rechtbank Den Haag</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-02-09</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Bestuursrecht</subject><abstract lang="nl">Beroep tegen afwijzing verzoek om overbrenging naar Nederland op grond van de Tolkenregeling - eiser heeft als ASG-bewaker voor de Nederlandse militaire missie gewerkt in Afghanistan - verweerder heeft zich op het standpunt mogen stellen dat eiser niet in aanmerking komt voor overbrenging op grond van de Tolkenregeling - verweerder mocht zich op het standpunt stellen dat eiser geen hoog profiel werkzaamheden heeft verricht - verweerder mocht zich op het standpunt stellen dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat er sprake is van een actuele dreiging als gevolg van zijn werkzaamheden voor de Nederlandse militaire missie - eisers beroep op het gelijkheidsbeginsel kan niet slagen - beroep ongegrond.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: SGR 25/2787</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Eerste aanleg - enkelvoudig</description><contributor lang="nl">Rechter(s): D.C. Laagland</contributor><issued>2026-09-30</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RBLIM:2026:9381</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:9381</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RBLIM:2026:9381"><country>NL</country><court>RBLIM</court></isVersionOf><creator lang="nl">Rechtbank Limburg</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-09-02</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Burgerlijk recht</subject><abstract lang="nl">Kort geding. Ontruiming afgewezen. Geluidsoverlast onvoldoende vastgesteld. Ondanks geweldsincident weegt belang huurder om tot aan beslissing bodemprocedure in gehuurde te verblijven zwaarder. Onvoldoende overtuigd dat bodemrechter, met huidige stand van zaken, zal ontbinden.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 12324138 \ CV EXPL 26-3995</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Kort geding</description><issued>2026-09-30</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RBZWB:2026:7817</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:7817</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RBZWB:2026:7817"><country>NL</country><court>RBZWB</court></isVersionOf><creator lang="nl">Rechtbank Zeeland-West-Brabant</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-07-17</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Burgerlijk recht</subject><abstract lang="nl">Wijziging verblijfplaats machtiging tot uithuisplaatsing met spoed.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: C/02/450463 / JE RK 26-1287</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Rekestprocedure, Beschikking</description><issued>2026-09-30</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:CRVB:2026:1249</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2026:1249</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:CRVB:2026:1249"><country>NL</country><court>CRVB</court></isVersionOf><creator lang="nl">Centrale Raad van Beroep</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-09-23</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Sociale-zekerheidsrecht</subject><abstract lang="nl">Weigering WIA-uitkering toe te kennen omdat appellante minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Voldoende medische en arbeidskundige onderbouwing. Uitgaande van de juistheid van de FML van 17 februari 2025 worden de geselecteerde functies, gelet op de daaraan verbonden belasting, in medisch opzicht geschikt geacht voor appellante.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 25/2052 WIA</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Hoger beroep</description><issued>2026-09-30</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RBROT:2026:12769</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:12769</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RBROT:2026:12769"><country>NL</country><court>RBROT</court></isVersionOf><creator lang="nl">Rechtbank Rotterdam</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-08-27</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Familierecht</subject><abstract lang="nl">Verzoek wijziging hoofdverblijfplaats. Art. 1:253a jo 1:377e BW. Schending art. 21 Rv en substantiëringsplicht. Verzoek wordt afgewezen en verzoeker wordt veroordeeld in de proceskosten.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: C/10/719824 / FA RK 26-3923</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Beschikking</description><issued>2026-09-30</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RBZWB:2026:7809</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:7809</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RBZWB:2026:7809"><country>NL</country><court>RBZWB</court></isVersionOf><creator lang="nl">Rechtbank Zeeland-West-Brabant</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-07-17</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Burgerlijk recht</subject><abstract lang="nl">verl. OTS.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: C/02/450061 / JE RK 26-1198</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Rekestprocedure, Beschikking</description><issued>2026-09-30</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RBDHA:2026:27713</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:27713</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RBDHA:2026:27713"><country>NL</country><court>RBDHA</court></isVersionOf><creator lang="nl">Rechtbank Den Haag</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-02-09</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Bestuursrecht</subject><abstract lang="nl">Beroep tegen afwijzing verzoek om overbrenging naar Nederland op grond van de Tolkenregeling - eiser heeft als ASG-bewaker voor de Nederlandse militaire missie gewerkt in Afghanistan - verweerder heeft zich op het standpunt mogen stellen dat eiser niet in aanmerking komt voor overbrenging op grond van de Tolkenregeling - verweerder mocht zich op het standpunt stellen dat eiser geen hoog profiel werkzaamheden heeft verricht - verweerder mocht zich op het standpunt stellen dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat er sprake is van een actuele dreiging als gevolg van zijn werkzaamheden voor de Nederlandse militaire missie - eisers beroep op het gelijkheidsbeginsel kan niet slagen - beroep ongegrond.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: SGR 25/2798</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Eerste aanleg - enkelvoudig</description><contributor lang="nl">Rechter(s): D.C. Laagland</contributor><issued>2026-09-30</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:PHR:2026:922</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2026:922</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:PHR:2026:922"><country>NL</country><court>PHR</court></isVersionOf><creator lang="nl">Parket bij de Hoge Raad</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-09-29</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Conclusie</type><subject lang="nl">Strafrecht</subject><abstract lang="nl">Conclusie AG. Verstekverlening (art. 280 lid 1 Sv) ondanks voorafgaand aan de zitting gedaan en akkoord bevonden aanhoudingsverzoek. Die beslissing heeft de vrz. strafkamer die arrest heeft gewezen evenwel niet bereikt. AG is van oordeel dat verstekverlening achteraf bezien ten onrechte is geschied. De conclusie strekt tot vernietiging van de uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het hof, opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 25/01813</description><issued>2026-09-30</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RBROT:2026:12801</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:12801</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RBROT:2026:12801"><country>NL</country><court>RBROT</court></isVersionOf><creator lang="nl">Rechtbank Rotterdam</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-08-28</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Familierecht</subject><abstract lang="nl">Beschikking van de kinderrechter over een verzoek tot ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: C/10/724036 / JE RK 26-1497</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Beschikking</description><contributor lang="nl">Rechter(s): mr. J. Groot</contributor><issued>2026-09-30</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RBDHA:2026:27714</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:27714</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RBDHA:2026:27714"><country>NL</country><court>RBDHA</court></isVersionOf><creator lang="nl">Rechtbank Den Haag</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-02-09</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Bestuursrecht</subject><abstract lang="nl">Beroep tegen afwijzing verzoek om overbrenging naar Nederland op grond van de Tolkenregeling - eiser heeft als ASG-bewaker voor de Nederlandse militaire missie gewerkt in Afghanistan - verweerder heeft zich op het standpunt mogen stellen dat eiser niet in aanmerking komt voor overbrenging op grond van de Tolkenregeling - verweerder mocht zich op het standpunt stellen dat eiser geen hoog profiel werkzaamheden heeft verricht - verweerder mocht zich op het standpunt stellen dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat er sprake is van een actuele dreiging als gevolg van zijn werkzaamheden voor de Nederlandse militaire missie - eisers beroep op het gelijkheidsbeginsel kan niet slagen - beroep ongegrond.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: SGR 25/2808</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Eerste aanleg - enkelvoudig</description><contributor lang="nl">Rechter(s): D.C. Laagland</contributor><issued>2026-09-30</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:CRVB:2026:1250</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2026:1250</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:CRVB:2026:1250"><country>NL</country><court>CRVB</court></isVersionOf><creator lang="nl">Centrale Raad van Beroep</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-09-23</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Sociale-zekerheidsrecht</subject><abstract lang="nl">Toekenning van een WGA-uitkering aan appellant. Zorgvuldig medisch onderzoek. Voor appellant waren op de datum in geding nog kansen op verbetering van de functionele mogelijkheden. Dit betekent dat het Uwv zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de volledige arbeidsongeschiktheid van appellant op 30 december 2022 niet duurzaam van aard is.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 25/1874 WIA</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Hoger beroep</description><issued>2026-09-30</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:CRVB:2026:1251</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2026:1251</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:CRVB:2026:1251"><country>NL</country><court>CRVB</court></isVersionOf><creator lang="nl">Centrale Raad van Beroep</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-09-23</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Sociale-zekerheidsrecht</subject><abstract lang="nl">Weigering WIA-uitkering toe te kennen omdat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Voldoende medisch en arbeidskundige onderbouwing. Uitgaande van de juistheid van de FML van 22 augustus 2024 zijn de geselecteerde functies geschikt voor appellant.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 25/1834 WIA</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Hoger beroep</description><issued>2026-09-30</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RBROT:2026:12806</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:12806</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RBROT:2026:12806"><country>NL</country><court>RBROT</court></isVersionOf><creator lang="nl">Rechtbank Rotterdam</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-08-28</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Familierecht</subject><abstract lang="nl">Beschikking van de kinderrechter over een ondertoezichtstelling.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: C/10/724223 / JE RK 26-1527</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Beschikking</description><contributor lang="nl">Rechter(s): mr. L.E. Vos</contributor><issued>2026-09-30</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RBDHA:2026:27716</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:27716</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RBDHA:2026:27716"><country>NL</country><court>RBDHA</court></isVersionOf><creator lang="nl">Rechtbank Den Haag</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-02-09</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Bestuursrecht</subject><abstract lang="nl">Beroep tegen afwijzing verzoek om overbrenging naar Nederland op grond van de Tolkenregeling - eiser heeft als ASG-bewaker voor de Nederlandse militaire missie gewerkt in Afghanistan - verweerder heeft zich op het standpunt mogen stellen dat eiser niet in aanmerking komt voor overbrenging op grond van de Tolkenregeling - verweerder mocht zich op het standpunt stellen dat eiser geen hoog profiel werkzaamheden heeft verricht - verweerder mocht zich op het standpunt stellen dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat er sprake is van een actuele dreiging als gevolg van zijn werkzaamheden voor de Nederlandse militaire missie - eisers beroep op het gelijkheidsbeginsel kan niet slagen - beroep ongegrond.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: SGR 25/2810</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Eerste aanleg - enkelvoudig</description><contributor lang="nl">Rechter(s): D.C. Laagland</contributor><issued>2026-09-30</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RBROT:2026:12811</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:12811</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RBROT:2026:12811"><country>NL</country><court>RBROT</court></isVersionOf><creator lang="nl">Rechtbank Rotterdam</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-08-28</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Familierecht</subject><abstract lang="nl">Beschikking van de kinderrechter over een verlenging machtiging tot uithuisplaatsing.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: C/10/724271 / JE RK 26-1536</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Beschikking</description><contributor lang="nl">Rechter(s): mr. D.G.J. Roset</contributor><issued>2026-09-30</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RBZWB:2026:7823</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:7823</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RBZWB:2026:7823"><country>NL</country><court>RBZWB</court></isVersionOf><creator lang="nl">Rechtbank Zeeland-West-Brabant</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-07-17</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Burgerlijk recht</subject><abstract lang="nl">Verzoek voortzetting crisismaatregel afgewezen. Geen vermoeden van een psychische stoornis met daaruit voortvloeiend ernstig nadeel.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: C/02/450321 / FA RK 26-3625</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Rekestprocedure, Beschikking</description><issued>2026-09-30</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RBROT:2026:12741</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:12741</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RBROT:2026:12741"><country>NL</country><court>RBROT</court></isVersionOf><creator lang="nl">Rechtbank Rotterdam</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-08-27</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Familierecht</subject><abstract lang="nl">Onbevoegheid Nederlandse voorzieningenrechter op grond van artikel 20 lid 2 en artikel 15 Brussel II-ter. Procedure in Spanje is ook spoedprocedure, gaat over hetzelfde onderwerp en is eerder aanhangig gemaakt.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: C/10/724955 / KG ZA 26-878</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Kort geding</description><issued>2026-09-30</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RBDHA:2026:28937</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:28937</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RBDHA:2026:28937"><country>NL</country><court>RBDHA</court></isVersionOf><creator lang="nl">Rechtbank Den Haag</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-09-30</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Bestuursrecht</subject><abstract lang="nl">Aanvraag verblijfsvergunning regulier voor medische behandeling. Herhaalde afwijzing. Strafrechtelijke veroordeling. Artikel 64 Vw van toepassing. Artikel 4:84 Awb en artikel 8 EVRM. Gevolg gegeven aan uitspraak Afdeling. Geen deugdelijke motivering. Rapport Forensisch Maatwerk. Rechtbank verklaart beroep gegrond, vernietigt besluit op bezwaar en draagt minister op nieuw besluit op bezwaar te nemen waarbij verblijfsvergunning wordt verleend.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: NL25.43207</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Eerste aanleg - enkelvoudig</description><issued>2026-09-30</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RBAMS:2026:9463</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:9463</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RBAMS:2026:9463"><country>NL</country><court>RBAMS</court></isVersionOf><creator lang="nl">Rechtbank Amsterdam</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-09-24</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Burgerlijk recht</subject><abstract lang="nl">Effectenlease. Het Dexia Aanbod is een vaststellingsovereenkomst. De overeengekomen afstand van aanspraak op schadevergoeding geldt niet voor de effectenleaseovereenkomst die op het aanmeldformulier van het Dexia Aanbod staat vermeld onder “Overeenkomst die niet in aanmerking komt voor het Dexia Aanbod”.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 12109468 CV EXPL 26-2174</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Eerste aanleg - enkelvoudig, Proceskostenveroordeling, Op tegenspraak</description><issued>2026-09-30</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RBZWB:2026:7801</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:7801</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RBZWB:2026:7801"><country>NL</country><court>RBZWB</court></isVersionOf><creator lang="nl">Rechtbank Zeeland-West-Brabant</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-07-17</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Burgerlijk recht</subject><abstract lang="nl">Artikel 1:253g BW - benoeming stiefvader tot voogd - brief aan minderjarige met uitleg over de beslissing is in de beschikking opgenomen.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: C/02/448702 / FA RK 26-2763</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Rekestprocedure, Beschikking</description><issued>2026-09-30</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RBZWB:2026:7812</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:7812</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RBZWB:2026:7812"><country>NL</country><court>RBZWB</court></isVersionOf><creator lang="nl">Rechtbank Zeeland-West-Brabant</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-07-17</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Burgerlijk recht</subject><abstract lang="nl">Verzoek zorgmachtiging toegewezen. Minderjarige betrokkene. Geen sprake van vrijwilligheid, ondanks dat ouders met gezag achter de behandeling staan.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: C/02/449874 / FA RK 26-3373</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Rekestprocedure, Beschikking</description><issued>2026-09-30</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RBZWB:2026:7814</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:7814</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RBZWB:2026:7814"><country>NL</country><court>RBZWB</court></isVersionOf><creator lang="nl">Rechtbank Zeeland-West-Brabant</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-07-17</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Burgerlijk recht</subject><abstract lang="nl">Machtiging voortzetting crisismaatregel verleend. Geen bijzonderheden.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: C/02/450265 / FA RK 26-3590</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Rekestprocedure, Beschikking</description><issued>2026-09-30</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:CRVB:2026:1253</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2026:1253</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:CRVB:2026:1253"><country>NL</country><court>CRVB</court></isVersionOf><creator lang="nl">Centrale Raad van Beroep</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-09-23</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Sociale-zekerheidsrecht</subject><abstract lang="nl">Beëindiging ZW-uitkering omdat appellante meer dan 65% kan verdienen van het loon dat zij verdiende voordat zij ziek werd. Voldoende zorgvuldig medisch onderzoek en juiste medische beoordeling. De geselecteerde functies zijn in medisch opzicht geschikt voor appellante.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 25/2058 ZW</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Hoger beroep</description><issued>2026-09-30</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RBZWB:2026:7807</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:7807</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RBZWB:2026:7807"><country>NL</country><court>RBZWB</court></isVersionOf><creator lang="nl">Rechtbank Zeeland-West-Brabant</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-07-17</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Burgerlijk recht</subject><abstract lang="nl">Op hoofdlijnen inforegeling vastgelegd, zonder locaties, in overeenstemming met wensen dochter van partijen.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: C/02/437347 FA RK 25/3471</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Rekestprocedure, Beschikking</description><issued>2026-09-30</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RBZWB:2026:7811</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:7811</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RBZWB:2026:7811"><country>NL</country><court>RBZWB</court></isVersionOf><creator lang="nl">Rechtbank Zeeland-West-Brabant</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-07-17</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Burgerlijk recht</subject><abstract lang="nl">Zorgmachtiging Wvggz.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: C/02/449868 / FA RK 26-3367</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Rekestprocedure, Beschikking</description><issued>2026-09-30</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RBZWB:2026:7820</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:7820</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RBZWB:2026:7820"><country>NL</country><court>RBZWB</court></isVersionOf><creator lang="nl">Rechtbank Zeeland-West-Brabant</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-07-17</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Burgerlijk recht</subject><abstract lang="nl">Wijziging verblijfplaats machtiging tot uithuisplaatsing met spoed.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: C/02/450461 / JE RK 26-1285</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Rekestprocedure, Beschikking</description><issued>2026-09-30</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RBZWB:2026:7824</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:7824</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RBZWB:2026:7824"><country>NL</country><court>RBZWB</court></isVersionOf><creator lang="nl">Rechtbank Zeeland-West-Brabant</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-07-17</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Burgerlijk recht</subject><abstract lang="nl">MUHP.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: C/02/449256 / JE RK 26-1035</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Rekestprocedure, Beschikking</description><issued>2026-09-30</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RBDHA:2026:27717</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:27717</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RBDHA:2026:27717"><country>NL</country><court>RBDHA</court></isVersionOf><creator lang="nl">Rechtbank Den Haag</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-02-09</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Bestuursrecht</subject><abstract lang="nl">Beroep tegen afwijzing verzoek om overbrenging naar Nederland op grond van de Tolkenregeling - eiser heeft als ASG-bewaker voor de Nederlandse militaire missie gewerkt in Afghanistan - verweerder heeft zich op het standpunt mogen stellen dat eiser niet in aanmerking komt voor overbrenging op grond van de Tolkenregeling - verweerder mocht zich op het standpunt stellen dat eiser geen hoog profiel werkzaamheden heeft verricht - verweerder mocht zich op het standpunt stellen dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat er sprake is van een actuele dreiging als gevolg van zijn werkzaamheden voor de Nederlandse militaire missie – verweerder heeft eiser niet in aanmerking hoeven komen voor overbrenging op grond van de toezegging in de Staat van het Consulaire - beroep ongegrond.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: SGR 25/3677</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Eerste aanleg - enkelvoudig</description><contributor lang="nl">Rechter(s): W.A. Timmer</contributor><issued>2026-09-30</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:GHARL:2026:6101</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><status>deleted</status><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2026:6101</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:GHARL:2026:6101"><country>NL</country><court>GHARL</court></isVersionOf><creator lang="nl">Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-09-22</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Burgerlijk recht</subject><description lang="nl">Zaaknummer: 200.304.907/01</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Hoger beroep</description></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RBDHA:2026:28939</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:28939</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RBDHA:2026:28939"><country>NL</country><court>RBDHA</court></isVersionOf><creator lang="nl">Rechtbank Den Haag</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-09-30</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Bestuursrecht</subject><abstract lang="nl">Asielaanvraag afgewezen. Afghanistan. Het besluit is onbevoegd genomen, maar de rechtbank passeert dat gebrek met artikel 6:22 van de Awb. Verweerder vindt de gestelde problemen van eiser met de Taliban terecht niet geloofwaardig. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij vanwege zijn geestelijke gezondheidssituatie of mogelijke lichte verstandelijke beperking onvoldoende in staat was om te verklaren over zijn redenen om asiel aan te vragen. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij bij terugkeer naar Afghanistan een reëel risico op ernstige schade loopt. De gestelde verwestering hoefde ook geen reden te zijn om eiser een verblijfsvergunning te verlenen. Beroep ongegrond.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: NL24.42079</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Eerste aanleg - enkelvoudig</description><contributor lang="nl">Rechter(s): mr. B. van Velzen</contributor><issued>2026-09-30</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RBNNE:2026:4142</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNNE:2026:4142</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RBNNE:2026:4142"><country>NL</country><court>RBNNE</court></isVersionOf><creator lang="nl">Rechtbank Noord-Nederland</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-09-30</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Strafrecht</subject><abstract lang="nl">Vrijspraak van artikel 6 WVW 1994: rechtbank kan niet vaststellen wat de oorzaak is geweest van het terechtkomen van verdachte op de verkeerde weghelft. Vrijspraak van artikel 163 WVW 1994: verdachte werd achteraf bevolen goedkeuring te verlenen aan gebruik van resultaten van het bloedonderzoek dat i.s.m. de voorschriften is verricht. Veroordeling voor artikel 5 WVW tot een voorwaardelijke geldboete van € 500.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 18/395587-24</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Eerste aanleg - meervoudig, Op tegenspraak</description><contributor lang="nl">Rechter(s): H.H. Kielman, H. de Ruijter, M.S. van der Kuijl</contributor><issued>2026-09-30</issued><reference relation="citing" lang="nl">Wegenverkeerswet 1994 5</reference><reference relation="citing" lang="nl">Wegenverkeerswet 1994 177</reference></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RBZWB:2026:7818</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:7818</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RBZWB:2026:7818"><country>NL</country><court>RBZWB</court></isVersionOf><creator lang="nl">Rechtbank Zeeland-West-Brabant</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-07-17</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Burgerlijk recht</subject><abstract lang="nl">rechterlijke machtiging opname en verblijf Wzd.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: C/02/449914 / FA RK 26-3404</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Rekestprocedure, Beschikking</description><issued>2026-09-30</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RBZWB:2026:7815</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:7815</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RBZWB:2026:7815"><country>NL</country><court>RBZWB</court></isVersionOf><creator lang="nl">Rechtbank Zeeland-West-Brabant</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-07-17</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Burgerlijk recht</subject><abstract lang="nl">verl. OTS.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: C/02/449554 / JE RK 26-1086</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Rekestprocedure, Beschikking</description><issued>2026-09-30</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RBZWB:2026:7829</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:7829</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RBZWB:2026:7829"><country>NL</country><court>RBZWB</court></isVersionOf><creator lang="nl">Rechtbank Zeeland-West-Brabant</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-07-24</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Familierecht</subject><abstract lang="nl">beëindiging gezag moeder.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: C/02/447112 / FA RK 26-1899</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Rekestprocedure, Beschikking</description><issued>2026-09-30</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RBZWB:2026:7881</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:7881</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RBZWB:2026:7881"><country>NL</country><court>RBZWB</court></isVersionOf><creator lang="nl">Rechtbank Zeeland-West-Brabant</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-06-17</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Familierecht</subject><abstract lang="nl">Gezagsbeëindiging met ieders instemming.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: C/02/438145 / FA RK 25-3853</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Rekestprocedure, Beschikking</description><issued>2026-09-30</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RBZWB:2026:7900</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:7900</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RBZWB:2026:7900"><country>NL</country><court>RBZWB</court></isVersionOf><creator lang="nl">Rechtbank Zeeland-West-Brabant</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-07-20</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Burgerlijk recht</subject><abstract lang="nl">vervangende toestemming identiteitskaart, verblijf in het buitenland en dagjes uit.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: C/02/447115 / FA RK 26-1900</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Rekestprocedure, Beschikking</description><issued>2026-09-30</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RBZWB:2026:7903</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:7903</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RBZWB:2026:7903"><country>NL</country><court>RBZWB</court></isVersionOf><creator lang="nl">Rechtbank Zeeland-West-Brabant</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-07-20</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Burgerlijk recht</subject><abstract lang="nl">Beëindiging gezag beide ouders, benoemen GI tot voogd.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 440180</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Rekestprocedure, Beschikking</description><issued>2026-09-30</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:GHSHE:2026:2669</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2026:2669</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:GHSHE:2026:2669"><country>NL</country><court>GHSHE</court></isVersionOf><creator lang="nl">Gerechtshof 's-Hertogenbosch</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-09-30</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Strafrecht</subject><abstract lang="nl">Gekwalificeerde diefstal en gewoontewitwassen. De verdachte heeft gedurende een lange periode (5,5 jaar) en op verschillende momenten VVV cadeaukaarten weggenomen, waardoor hij zijn werkgever voor een zeer groot bedrag van in totaal € 527.610,00 heeft benadeeld. Bevestiging vonnis m.u.v. beslag.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 20-002374-25</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Hoger beroep</description><contributor lang="nl">Rechter(s): A.M.G. Smit, N. van der Laan, G.P.N. Robben</contributor><issued>2026-09-30</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RBGEL:2026:7249</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2026:7249</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RBGEL:2026:7249"><country>NL</country><court>RBGEL</court></isVersionOf><creator lang="nl">Rechtbank Gelderland</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-09-25</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Sociale-zekerheidsrecht</subject><abstract lang="nl">Wajong en TW, herziening en terugvordering, schending van de inlichtingenverplichting, dringende redenen, beroep ongegrond.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: ARN 24/5333</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Eerste aanleg - meervoudig</description><contributor lang="nl">Rechter(s): J.M.C. Schuurman-Kleijberg</contributor><issued>2026-09-30</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RVS:2026:5771</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2026:5771</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RVS:2026:5771"><country>NL</country><court>RVS</court></isVersionOf><creator lang="nl">Raad van State</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-09-30</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Bestuursrecht</subject><abstract lang="nl">In het besluit van 30 januari 2024 heeft de raad van de gemeente Tynaarlo het bestemmingsplan "Parc de Bloemert II" vastgesteld. Het plan voorziet in de bouw van negen recreatiewoningen op een landtong in het recreatiepark Parc de Bloemert (het recreatiepark). [appellant] en anderen zijn eigenaren van naastgelegen recreatiewoningen en vrezen voor aantasting van het karakter de landtong en het verblijfsklimaat in en rond hun recreatiewoningen. [appellant] en anderen betogen dat de eigenaren en bewoners van de recreatiewoningen op het recreatiepark onvoldoende op de hoogte zijn gehouden over de voorbereiding van het bestemmingsplan en daar ook te weinig bij zijn betrokken. Zo zijn zij ten onrechte niet geïnformeerd over wanneer de raadsvergadering, waarin het bestemmingsplan werd behandeld, zou plaatsvinden.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 202401926/1/R3</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Eerste aanleg - enkelvoudig</description><issued>2026-09-30</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RBOBR:2026:6571</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBOBR:2026:6571</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RBOBR:2026:6571"><country>NL</country><court>RBOBR</court></isVersionOf><creator lang="nl">Rechtbank Oost-Brabant</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-09-11</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Bestuursrecht</subject><abstract lang="nl">Deze uitspraak gaat over het beroep niet-tijdig beslissen, maar vooral ook over de afwijzing van het verzoek van eiseres om tot actualisatie van de Hinderwetvergunningen en milieuvergunning van het Eurocircuit over te gaan. De rechtbank geeft hiervoor een termijn van 12 maanden. Artikel 8.99, derde lid, van het Bkl bevat weliswaar geen concrete termijn voor de actualisatie van de vergunningvoorschriften, maar dit ontslaat het bevoegd gezag er niet van om de voorschriften van de omgevingsvergunning zo snel als redelijkerwijs mogelijk is te wijzigen als uit het actualisatieonderzoek blijkt dat dit noodzakelijk is. Dit vloeit namelijk voort uit artikel 5.38, eerste lid, van de Ow, Het college zal gedurende een aanzienlijke periode bezig zijn met vergaren van relevante feiten, omstandigheden en gegevens over de actualisatie vergunningvoorschriften. Daarnaast zal het college hiertoe de nodige onderzoeken moeten (laten) verrichten en adviezen van deskundigen moeten inwinnen. Alles afwegende acht de rechtbank een termijn van 12 maanden hiertoe redelijk.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 25/366 Einduitspraak</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Eerste aanleg - meervoudig</description><contributor lang="nl">Rechter(s): J. Heijerman, C.N. van der Sluis, M. Kleijn Hesselink</contributor><issued>2026-09-22</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:GHDHA:2026:2946</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2026:2946</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:GHDHA:2026:2946"><country>NL</country><court>GHDHA</court></isVersionOf><creator lang="nl">Gerechtshof Den Haag</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-09-24</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Strafrecht</subject><abstract lang="nl">Veroordeling voor (onder meer) het medeplegen van de voorbereiding tot het teweegbrengen van een ontploffing alsook het medeplegen van een poging uitlokking tot moord. Nadere bewijsoverweging, over onder meer het gebruik van een Snapchataccount door de verdachte en het opzet. Bij arrest is de gevangenneming van de verdachte bevolen.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 22-000815-25</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Hoger beroep</description><issued>2026-09-29</issued><reference type="ECLI" relation="precededBy" lang="nl">ECLI:NL:RBROT:2025:8967</reference><reference type="ECLI" relation="precededBy" lang="nl">ECLI:NL:GHDHA:2026:2947</reference></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RBDHA:2026:28944</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:28944</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RBDHA:2026:28944"><country>NL</country><court>RBDHA</court></isVersionOf><creator lang="nl">Rechtbank Den Haag</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-09-30</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Bestuursrecht</subject><abstract lang="nl">Asiel, Somalië. De de minister heeft zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat de door eiser gestelde identiteit en herkomst niet geloofwaardig zijn. Ook is de gestelde minderjarigheid niet aannemelijk.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: NL25.21401</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Eerste aanleg - enkelvoudig</description><contributor lang="nl">Rechter(s): N.M. van Waterschoot</contributor><issued>2026-09-30</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RBDHA:2026:25183</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:25183</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RBDHA:2026:25183"><country>NL</country><court>RBDHA</court></isVersionOf><creator lang="nl">Rechtbank Den Haag</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-08-26</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Bestuursrecht</subject><abstract lang="nl">Asiel. AMB-verordening. Draagwijdte van het rechtsmiddel. Belang van het kind. Asielprocedure in Duitsland. Medische omstandigheden. Beroepen ongegrond.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: NL26.42979 en NL26.42981</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Eerste aanleg - enkelvoudig</description><issued>2026-09-02</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RBDHA:2026:28945</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:28945</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RBDHA:2026:28945"><country>NL</country><court>RBDHA</court></isVersionOf><creator lang="nl">Rechtbank Den Haag</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-09-30</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Bestuursrecht</subject><abstract lang="nl">Plakvovo</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: NL25.21402</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Voorlopige voorziening</description><contributor lang="nl">Rechter(s): N.M. van Waterschoot</contributor><issued>2026-09-30</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RBGEL:2026:7210</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2026:7210</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RBGEL:2026:7210"><country>NL</country><court>RBGEL</court></isVersionOf><creator lang="nl">Rechtbank Gelderland</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-09-25</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Belastingrecht</subject><abstract lang="nl">Doorschuifregeling aanmerkelijk belang. Gemengd gebruik. Keuzevermogen voor de inkomstembelasting. De rechtbank is van oordeel dat belanghebbenden aannemelijk hebben gemaakt dat een tot het vermogen van de vennootschap behorende onroerende zaak in gemengd gebruik is, en – ware sprake van een IB-onderneming – als keuzevermogen zou hebben te gelden. Gelet op de parlementaire geschiedenis bij de bedrijfsopvolgingsregeling voor de Successiewet en het standpunt van de kennisgroepen aanmerkelijk belang en Successiewet mag de onroerende zaak in dat geval ook voor de toepassing van de doorschuifregeling tot het ondernemingsvermogen worden gerekend. Beroep gegrond.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: ARN 25/2053</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Eerste aanleg - meervoudig</description><contributor lang="nl">Rechter(s): A.P. Vaatstra, L.L. van Benthem, W. Loof</contributor><issued>2026-09-30</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RBGEL:2026:7211</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2026:7211</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RBGEL:2026:7211"><country>NL</country><court>RBGEL</court></isVersionOf><creator lang="nl">Rechtbank Gelderland</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-09-25</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Belastingrecht</subject><abstract lang="nl">Doorschuifregeling aanmerkelijk belang. Gemengd gebruik. Keuzevermogen voor de inkomstembelasting. De rechtbank is van oordeel dat belanghebbenden aannemelijk hebben gemaakt dat een tot het vermogen van de vennootschap behorende onroerende zaak in gemengd gebruik is, en – ware sprake van een IB-onderneming – als keuzevermogen zou hebben te gelden. Gelet op de parlementaire geschiedenis bij de bedrijfsopvolgingsregeling voor de Successiewet en het standpunt van de kennisgroepen aanmerkelijk belang en Successiewet mag de onroerende zaak in dat geval ook voor de toepassing van de doorschuifregeling tot het ondernemingsvermogen worden gerekend. Beroep gegrond.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: ARN 25/2055</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Eerste aanleg - meervoudig</description><contributor lang="nl">Rechter(s): A.P. Vaatstra, L.L. van Benthem, W. Loof</contributor><issued>2026-09-30</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RBGEL:2026:7235</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2026:7235</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RBGEL:2026:7235"><country>NL</country><court>RBGEL</court></isVersionOf><creator lang="nl">Rechtbank Gelderland</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-09-23</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Belastingrecht</subject><abstract lang="nl">Inkomstenbelasting Vermogensetikettering. Verhuur van een pand door de dga aan een met hem verbonden vennootschap. Verkoop van de aandelen van deze vennootschap aan een derde leidt er niet toe dat belanghebbende genoemd pand mag heretiketteren naar privévermogen. Afwaardering van het pand naar lagere bedrijfswaarde is niet mogelijk.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: ARN 24/8501 en 24/8532</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Eerste aanleg - enkelvoudig</description><contributor lang="nl">Rechter(s): J.A.L. Heldens</contributor><issued>2026-09-30</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:GHARL:2026:5745</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2026:5745</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:GHARL:2026:5745"><country>NL</country><court>GHARL</court></isVersionOf><creator lang="nl">Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-09-01</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Belastingrecht</subject><abstract lang="nl">IB/PVV. Uitgaven voor specifieke zorgkosten.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 25/1601 en 25/1602</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Hoger beroep</description><issued>2026-09-29</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:GHAMS:2026:2135</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2026:2135</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:GHAMS:2026:2135"><country>NL</country><court>GHAMS</court></isVersionOf><creator lang="nl">Gerechtshof Amsterdam</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-06-30</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Belastingrecht</subject><abstract lang="nl">Art. 16, onderdeel c, art. 17 Wet WOZ.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 25/979</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Hoger beroep</description><issued>2026-09-30</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RBNHO:2026:13104</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2026:13104</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RBNHO:2026:13104"><country>NL</country><court>RBNHO</court></isVersionOf><creator lang="nl">Rechtbank Noord-Holland</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-09-28</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Strafrecht</subject><abstract lang="nl">Onderzoek Palatka. Valsheid in geschrift en witwassen. Procesafspraken. De verdachte heeft zich samen met anderen gedurende meerdere jaren schuldig gemaakt aan valsheid in geschrift en witwassen van grote geldbedragen met behulp van buitenlandse vennootschappen en bankrekeningen voor het faciliteren van geldstromen. Veroordeling tot een geldboete van 2 miljoen euro.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 81/073232-22</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Eerste aanleg - meervoudig</description><issued>2026-09-28</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RBOBR:2026:6848</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBOBR:2026:6848</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RBOBR:2026:6848"><country>NL</country><court>RBOBR</court></isVersionOf><creator lang="nl">Rechtbank Oost-Brabant</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-09-24</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Strafrecht</subject><abstract lang="nl">Verdachte heeft samen met zijn medeverdachte valse inkoopfacturen opgemaakt, op basis waarvan in de jaren 2020 tot en met 2022 onjuiste kwartaalaangiften omzetbelasting zijn gedaan. Daarnaast is door hen een betaalbewijs vervalst, en toegezonden aan de Belastingdienst. De rechtbank legt op een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden waarvan 9 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 82-102990-24</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Eerste aanleg - meervoudig</description><contributor lang="nl">Rechter(s): mr. A.C. Palmboom, mr. M. Langstraat, mr. S.H.C. Merkx</contributor><issued>2026-09-24</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:GHAMS:2026:2134</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2026:2134</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:GHAMS:2026:2134"><country>NL</country><court>GHAMS</court></isVersionOf><creator lang="nl">Gerechtshof Amsterdam</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-06-30</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Belastingrecht</subject><abstract lang="nl">Navorderingsaanslag IB/PVV 2017; stakingswinst garagebedrijf; premie-aftrek lijfrenteverzekering.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 25/727</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Hoger beroep</description><issued>2026-09-30</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RBGEL:2026:7209</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2026:7209</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RBGEL:2026:7209"><country>NL</country><court>RBGEL</court></isVersionOf><creator lang="nl">Rechtbank Gelderland</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-09-25</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Belastingrecht</subject><abstract lang="nl">BPM. Belanghebbende maakt hogere historische nieuwprijs in verband met hogere CO2-uitstoot aannemelijk. De inspecteur maakt hogere handelsinkoopwaarde dan volgt uit het rapport van DRZ niet aannemelijk. Anders dan gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (ECLI:NL:GHARL:2024:1852 en ECLI:NL:GHARL:2024:3914) is de rechtbank van oordeel dat niet gezegd kan worden dat een hogere CO2-uitstoot in zijn algemeenheid een waardeverhogend effect op de handelsinkoopwaarde zal hebben.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: ARN 24/2450</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Eerste aanleg - enkelvoudig</description><contributor lang="nl">Rechter(s): B.J. Zippelius</contributor><issued>2026-09-30</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RBDHA:2026:28943</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:28943</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RBDHA:2026:28943"><country>NL</country><court>RBDHA</court></isVersionOf><creator lang="nl">Rechtbank Den Haag</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-09-30</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Bestuursrecht</subject><abstract lang="nl">Herhaalde aanvraag voor een mvv voor verblijf als familie- of gezinslid afgewezen met toepassing van artikel 4:6, tweede lid, van de Awb. Geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden. Het besluit is ook niet evident onredelijk. Beroep ongegrond. Schadevergoeding vanwege overschrijding van de redelijke termijn.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: NL24.10428</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Eerste aanleg - enkelvoudig</description><contributor lang="nl">Rechter(s): mr. F.A. Groeneveld</contributor><issued>2026-09-30</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:GHSHE:2026:2670</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2026:2670</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:GHSHE:2026:2670"><country>NL</country><court>GHSHE</court></isVersionOf><creator lang="nl">Gerechtshof 's-Hertogenbosch</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-09-30</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Strafrecht</subject><abstract lang="nl">Ontneming wederrechtelijk voordeel. De betrokkene heeft van zijn werkgever gedurende een periode van 5,5 jaar cadeaukaarten weggenomen. Het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat op een bedrag van € 379.588,46.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 20-002373-25</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Hoger beroep</description><contributor lang="nl">Rechter(s): A.M.G. Smit, N. van der Laan, G.P.N. Robben</contributor><issued>2026-09-30</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RBDHA:2026:28946</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:28946</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RBDHA:2026:28946"><country>NL</country><court>RBDHA</court></isVersionOf><creator lang="nl">Rechtbank Den Haag</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-09-30</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Bestuursrecht</subject><abstract lang="nl">vovo, verweerder verzet zich niet</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: NL26.16761</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Voorlopige voorziening</description><contributor lang="nl">Rechter(s): M. Munsterman</contributor><issued>2026-09-30</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:PHR:2026:801</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2026:801</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:PHR:2026:801"><country>NL</country><court>PHR</court></isVersionOf><creator lang="nl">Parket bij de Hoge Raad</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-09-29</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Conclusie</type><subject lang="nl">Strafrecht</subject><abstract lang="nl">Conclusie AG. Gekwalificeerde diefstal (art. 311 Sr). Het middel, dat klaagt over de motivering van de strafoplegging, slaagt voor zover dat betrekking heeft op de overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep, en faalt voor het overige. De conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering daarvan naar de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 25/01644</description><issued>2026-09-30</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:OGEAC:2025:45</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:OGEAC:2025:45</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:OGEAC:2025:45"><country>NL</country><court>OGEAC</court></isVersionOf><creator lang="nl">Gerecht in eerste aanleg van Curaçao</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2025-04-14</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Burgerlijk recht</subject><abstract lang="nl">Honorering medisch specialisten in loondienst. De Landsverordening Normering Topinkomens staat ook in de overgangsperiode in de weg aan indexering en looncomponenten die boven het wettelijke plafond uitgaan.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: CUR202401349</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Eerste aanleg - enkelvoudig</description><contributor lang="nl">Rechter(s): I. Tubben</contributor><issued>2025-04-14</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RBLIM:2026:10384</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:10384</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RBLIM:2026:10384"><country>NL</country><court>RBLIM</court></isVersionOf><creator lang="nl">Rechtbank Limburg</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-09-29</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Strafrecht</subject><abstract lang="nl">Bankhelpdeskfraude. Veroordeling voor medeplegen van oplichting en medeplegen van een poging tot oplichting. Verdachte was chauffeur en tussenpersoon.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 03.082507.26</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Eerste aanleg - meervoudig</description><contributor lang="nl">Rechter(s): mr. M.B. Bax, mr. H.M.J. Quaedvlieg, mr. D.W.H.M. Wolters</contributor><issued>2026-09-30</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RBLIM:2026:10385</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:10385</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RBLIM:2026:10385"><country>NL</country><court>RBLIM</court></isVersionOf><creator lang="nl">Rechtbank Limburg</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-09-30</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Strafrecht</subject><abstract lang="nl">Gevangenisstraf van 3 jaar wegens voorbereidingshandelingen ten behoeve van de productie van synthetische drugs en het opzettelijk aanwezig hebben van 375 kilogram harddrugs. Verwerping alternatief scenario. Forse overschrijding van de redelijke termijn.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 03.330839.21</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Eerste aanleg - meervoudig</description><issued>2026-09-30</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RBDHA:2026:28948</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:28948</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RBDHA:2026:28948"><country>NL</country><court>RBDHA</court></isVersionOf><creator lang="nl">Rechtbank Den Haag</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-09-30</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Bestuursrecht</subject><abstract lang="nl">vovo, verweerder verzet zich niet</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: NL26.16763 en NL26.16767</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Voorlopige voorziening</description><contributor lang="nl">Rechter(s): M. Munsterman</contributor><issued>2026-09-30</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RBZWB:2026:9149</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:9149</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RBZWB:2026:9149"><country>NL</country><court>RBZWB</court></isVersionOf><creator lang="nl">Rechtbank Zeeland-West-Brabant</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-09-22</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Bestuursrecht</subject><abstract lang="nl">NTB om mee te werken aan een aanvraag bij het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ) dan wel om een onafhankelijke commissie die zich buigt over de nu ontstane situatie zodat eiseres verder geholpen kan worden - rechtbank kennelijk onbevoegd, (nalaten van een) feitelijke handeling.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: BRE 26/1828</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Eerste aanleg - enkelvoudig</description><issued>2026-09-30</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RBZWB:2026:9125</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:9125</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RBZWB:2026:9125"><country>NL</country><court>RBZWB</court></isVersionOf><creator lang="nl">Rechtbank Zeeland-West-Brabant</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-09-15</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Sociale-zekerheidsrecht</subject><abstract lang="nl">Wajong. Laattijdige aanvraag. Het UWV kan worden gevolgd in het standpunt dat het ontbreken van arbeidsvermogen van eiseres in de voor haar relevante periode niet duurzaam was en dat zij na behandeling weer mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft. Beroep ongegrond.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 25/4197 WAJONG</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Eerste aanleg - enkelvoudig</description><issued>2026-09-30</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RBZWB:2026:8922</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:8922</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RBZWB:2026:8922"><country>NL</country><court>RBZWB</court></isVersionOf><creator lang="nl">Rechtbank Zeeland-West-Brabant</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-09-14</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Bestuursrecht</subject><abstract lang="nl">Subsidie.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: BRE 25/5606</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Eerste aanleg - meervoudig</description><issued>2026-09-30</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RBZWB:2026:9176</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:9176</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RBZWB:2026:9176"><country>NL</country><court>RBZWB</court></isVersionOf><creator lang="nl">Rechtbank Zeeland-West-Brabant</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-09-24</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Bestuursrecht</subject><abstract lang="nl">De voorzieningenrechter treft een ordemaatregel.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: BRE 26/5075</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Voorlopige voorziening</description><issued>2026-09-30</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RBZWB:2026:9148</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:9148</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RBZWB:2026:9148"><country>NL</country><court>RBZWB</court></isVersionOf><creator lang="nl">Rechtbank Zeeland-West-Brabant</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-09-21</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Bestuursrecht</subject><abstract lang="nl">NTB KOT.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: BRE 26/2236</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Eerste aanleg - enkelvoudig</description><issued>2026-09-30</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:CRVB:2026:1090</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2026:1090</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:CRVB:2026:1090"><country>NL</country><court>CRVB</court></isVersionOf><creator lang="nl">Centrale Raad van Beroep</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-08-20</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Sociale-zekerheidsrecht</subject><abstract lang="nl">De Raad bevestigt dat het college afwijzend mocht beslissen op een herhaalde aanvraag van appellant om jeugdhulp. Appellant heeft geen nieuwe feiten en omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb naar voren gebracht. De weigering om terug te komen van de eerdere besluitvorming is ook niet evident onredelijk. Gedurende een ondertoezichtstelling is het de gecertificeerde instelling (GI), en niet het college, die bepaalt of en, zo ja, welke jeugdhulp is aangewezen bij de uitvoering van de ondertoezichtstelling. Pas nadat de GI bepaald heeft dat en welke jeugdhulp is aangewezen, rijst de vraag of daarin kan worden voorzien door jeugdhulp in natura of in de vorm van een pgb.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 25/2078 JW</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Hoger beroep</description><issued>2026-09-02</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:CRVB:2026:1097</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2026:1097</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:CRVB:2026:1097"><country>NL</country><court>CRVB</court></isVersionOf><creator lang="nl">Centrale Raad van Beroep</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-08-13</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Sociale-zekerheidsrecht</subject><abstract lang="nl">Afwijzing aanvraag zorg op grond van de Wlz. Geen sprake van een noodzaak tot permanent toezicht of 24 uur per dag zorg in de nabijheid ter voorkoming van ernstig nadeel.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 25/656 WLZ</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Hoger beroep</description><issued>2026-08-27</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:CRVB:2026:997</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2026:997</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:CRVB:2026:997"><country>NL</country><court>CRVB</court></isVersionOf><creator lang="nl">Centrale Raad van Beroep</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-07-30</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Sociale-zekerheidsrecht</subject><abstract lang="nl">Toekenning van de ziekengeldvergoeding. De Raad is oordeel dat de brief over de toekenning van de ziekengeldvergoeding een besluit is in de zin van artikel 1:3 van de Awb. De rechtbank heeft niet onderkend dat dit besluit is gebaseerd op buitenwettelijk begunstigend beleid en heeft zich ten onrechte niet beperkt tot een terughoudende toetsing. De Raad acht dit beleid niet onevenredig. Ook is niet gebleken van omstandigheden die leiden tot een onevenredige uitkomst voor betrokkene. De Raad is daarom van oordeel dat het besluit over de toekenning van de ziekengeldvergoeding in stand kan blijven. Betrokkene heeft geen recht op een aanvullende dwangsom.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 24/1927 WMO15</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Hoger beroep</description><issued>2026-08-05</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:CRVB:2026:1003</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2026:1003</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:CRVB:2026:1003"><country>NL</country><court>CRVB</court></isVersionOf><creator lang="nl">Centrale Raad van Beroep</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-07-30</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Sociale-zekerheidsrecht</subject><abstract lang="nl">Hoogte bedrag voor een tegemoetkoming in de meerkosten door chronische ziekte. Geen dwangsom verschuldigd, schadevergoeding afgewezen. Voor een gemeente bestaat er geen verplichting tot het verstrekken van een tegemoetkoming in de meerkosten van mensen met een beperking. Dat in een andere gemeente een hogere vergoeding wordt gegeven maakt niet dat het college dat ook moet doen.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 24/2525 WMO15</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Hoger beroep</description><issued>2026-08-07</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:CRVB:2026:999</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2026:999</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:CRVB:2026:999"><country>NL</country><court>CRVB</court></isVersionOf><creator lang="nl">Centrale Raad van Beroep</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-07-30</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Sociale-zekerheidsrecht</subject><abstract lang="nl">Aanvraag voor een gehandicaptenparkeerkaart voor een passagier toegekend voor de duur van twee jaar. Appellante is gevallen en heeft letsel aan haar knie opgelopen. De geldigheidsduur van de GPK is terecht tot twee jaar beperkt omdat dan een eindsituatie in de belastbaarheid van de rechterknie aanwezig zal zijn.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 26/764 BABW</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Hoger beroep</description><issued>2026-08-05</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RBLIM:2026:9848</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:9848</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RBLIM:2026:9848"><country>NL</country><court>RBLIM</court></isVersionOf><creator lang="nl">Rechtbank Limburg</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-09-17</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Bestuursrecht</subject><abstract lang="nl">Weigering verlenging van de jachtakte van eiser vanwege verdenking van een strafbaar feit. Eiser is het niet eens met de weigering en voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. De rechtbank oordeelt dat de minister redelijkerwijs kon concluderen dat er een vrees voor misbruik bestaat, gelet op de bevindingen uit het strafrechtelijke DNA-onderzoek. Van een alternatieve plausibele verklaring voor het aantreffen van de bloedsporen in de auto van eiser, is de rechtbank niet gebleken. Een geringe twijfel voor misbruik van de jachtakte is daarmee komen vast te staan. De jachtakte is dus terecht niet verlengd en eiser krijgt deze ook niet terug. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling en vergoeding van het griffierecht bestaat geen aanleiding.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: ROE 26/48</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Eerste aanleg - enkelvoudig</description><issued>2026-09-30</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RBLIM:2026:9756</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:9756</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RBLIM:2026:9756"><country>NL</country><court>RBLIM</court></isVersionOf><creator lang="nl">Rechtbank Limburg</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-09-15</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Bestuursrecht</subject><abstract lang="nl">Het college heeft aan vergunninghoudster een omgevingsvergunning verleend voor het verbouwen van een gemeentelijk monument. Eiseres is het daar niet mee eens. Volgens haar is het bestreden besluit onzorgvuldig tot stand gekomen, ondeugdelijke gemotiveerd en is tevens sprake van een gebrek ten aanzien van de vergunde activiteit ‘het handelen in strijd met regels ruimtelijke ordening’. Ook betoogt eiseres dat het college haar een immateriële schadevergoeding van € 500,- verschuldigd is, omdat de procedure in bezwaar bijzonder lang heeft geduurd (bijna één jaar). De rechtbank verwerpt deze beroepsgronden. Daartoe overweegt zij dat het bestreden besluit voldoende blijk geeft van de belangenafweging die heeft geresulteerd in de vergunde herbestemming van de monumentale boerderij. Het college mocht daarbij aan dit besluit ten grondslag leggen de adviezen van de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit en de adviescommissie fysieke leefomgeving. Van een overschrijding van de redelijke termijn van vier jaar is hier bovendien geen sprake. Eiseres krijgt dus geen gelijk. Het beroep is ongegrond en het verzoek tot immateriële schadevergoeding wordt afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding en eiseres krijgt ook haar griffierecht niet vergoed.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: ROE 24/3590</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Eerste aanleg - enkelvoudig</description><issued>2026-09-30</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RBAMS:2026:9466</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:9466</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RBAMS:2026:9466"><country>NL</country><court>RBAMS</court></isVersionOf><creator lang="nl">Rechtbank Amsterdam</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-09-23</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Burgerlijk recht</subject><abstract lang="nl">Ondernemingsrecht - in hoofdzaak willen eisers vastgesteld zien dat herstructurering van onderneming waarbij partij die onder de aan Rusland opgelegde sancties viel, uit de eigendomsstructuur werd verwijderd, rechtmatig was - incidentele vorderingen van gedaagde: 1) om derde partijen op te mogen roepen (tussenkomst) en 2) om inzage in stukken.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: C/13/760575 / HA ZA 24-1324</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Eerste aanleg - enkelvoudig, Proceskostenveroordeling, Tussenuitspraak</description><issued>2026-09-30</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RBAMS:2026:9605</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:9605</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RBAMS:2026:9605"><country>NL</country><court>RBAMS</court></isVersionOf><creator lang="nl">Rechtbank Amsterdam</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-09-28</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Familierecht</subject><abstract lang="nl">Verzoek wijziging van provisionele voorziening. Geen sprake van wijziging van omstandigheden die een wijziging van de eerdere provo rechtvaardigt. Zorgregeling als bepaald in eerdere provo blijft gelden.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: C/13/790447</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Eerste aanleg - enkelvoudig, Beschikking</description><issued>2026-09-30</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:GHAMS:2026:2742</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2026:2742</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:GHAMS:2026:2742"><country>NL</country><court>GHAMS</court></isVersionOf><creator lang="nl">Gerechtshof Amsterdam</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-09-29</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Burgerlijk recht</subject><abstract lang="nl">WWZ. Melding Wet bescherming Klokkenluiders. Geen benadeling in de zin van art. 17e Wbk. Geen promotie onthouden en geen berisping opgelegd. Ook geen sprake van uitsluiting of isolatie. Geen ernstig verwijtbaar handelen werkgever</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 200.362.014/01</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Hoger beroep</description><issued>2026-09-30</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RBAMS:2026:9604</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:9604</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RBAMS:2026:9604"><country>NL</country><court>RBAMS</court></isVersionOf><creator lang="nl">Rechtbank Amsterdam</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-09-28</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Familierecht</subject><abstract lang="nl">Provisionele voorziening. Verzoek voorlopige omgangsregeling en informatieregeling. Biologische vader woont in de VS, moeder en juridische vader (die heeft erkend) wonen in Nederland. Sprake van intended family life.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: C/13/790130</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Eerste aanleg - enkelvoudig, Beschikking</description><issued>2026-09-30</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RVS:2026:4436</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2026:4436</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RVS:2026:4436"><country>NL</country><court>RVS</court></isVersionOf><creator lang="nl">Raad van State</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-07-29</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Bestuursrecht</subject><abstract lang="nl">Bij besluit van 25 januari 2023 hebben provinciale staten van Overijssel het inpassingsplan "Springendal en Dal van de Mosbeek" (het inpassingsplan) gewijzigd vastgesteld. Bij besluit van 4 juli 2013 is het gebied ‘Springendal en Dal van de Mosbeek’ aangewezen als Natura 2000-gebied. Dit gebied heeft een oppervlak van 1.338 ha en ligt voor het grootste deel in de gemeente Tubbergen en voor een klein deel in de gemeente Dinkelland op de stuwwal van Ootmarsum. De noordgrens van het gebied wordt gevormd door de grens met Duitsland. Om de maatregelen te kunnen treffen, is voor een deel van de gronden een bestemmingswijziging nodig. Op die gronden, die vooral buiten het Natura 2000-gebied zijn gelegen, heeft het inpassingsplan betrekking. Het plangebied van het inpassingsplan is kleiner dan dat van het inrichtingsplan. [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B], [appellant sub 2] en anderen, Textielreiniging ‘Het Springendal’ B.V. en anderen, [appellant sub 3] en maatschap [appellant sub 4] hebben gronden die deel uitmaken van het plangebied. Zij hebben beroep ingesteld tegen het inpassingsplan.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 202302562/1/R3</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Tussenuitspraak bestuurlijke lus</description><issued>2026-07-29</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RVS:2026:4394</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2026:4394</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RVS:2026:4394"><country>NL</country><court>RVS</court></isVersionOf><creator lang="nl">Raad van State</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2026-07-29</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Bestuursrecht</subject><abstract lang="nl">Bij tussenuitspraak van 7 mei 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2049, heeft de Afdeling de raad van de gemeente Leidschendam-Voorburg opgedragen om binnen 16 weken na verzending van de tussenuitspraak de daarin omschreven gebreken in het besluit van 17 januari 2023 tot vaststelling van het bestemmingsplan "herstelbesluit Stedelijk" te herstellen. De raad heeft bij besluit van 22 februari 2022 het bestemmingsplan "Stedelijk" vastgesteld. Het plan voorziet in een actueel planologisch-juridische regeling voor het stedelijk gebied van de gemeente Leidschendam-Voorburg. In de tussenuitspraak heeft de Afdeling de beroepen tegen het besluit van 17 januari 2023 behandeld. Naar aanleiding van de beroepen van [appellant sub 1] en [appellant sub 2] en anderen heeft de Afdeling gebreken in dit besluit geconstateerd. [appellant sub 1] betoogt dat met het besluit van 8 juli 2025 niet voldaan is aan de opdracht van de tussenuitspraak. Hij wijst erop dat het perceel Liguster 202 in Leidschendam ten onrechte buiten het plangebied is gehouden. Hiermee is volgens hem nog steeds geen oplossing geboden voor hinder die omwonenden in de huidige situatie al ondervinden van het verkeer afkomstig van het winkelcentrum.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 202202275/3/R3</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Eerste aanleg - meervoudig</description><issued>2026-07-29</issued></metadata></document></url><url><loc>https://e-justice.europa.eu/ecli/ECLI:NL:RVS:2025:2049</loc><document xmlns="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema"><metadata><identifier lang="nl" format="text/html">http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2025:2049</identifier><isVersionOf value="ECLI:NL:RVS:2025:2049"><country>NL</country><court>RVS</court></isVersionOf><creator lang="nl">Raad van State</creator><coverage lang="nl">Nederland</coverage><date>2025-05-07</date><language languageType="authoritative">nl</language><publisher lang="nl">www.rechtspraak.nl</publisher><accessRights>public</accessRights><type lang="nl">Rechterlijke beslissing</type><subject lang="nl">Bestuursrecht</subject><abstract lang="nl">Bij besluit van 22 februari 2022 heeft de raad van de gemeente Leidschendam-Voorburg het bestemmingsplan "Stedelijk" vastgesteld. Het plan voorziet in een actueel planologisch-juridische regeling voor het stedelijk gebied van de gemeente Leidschendam-Voorburg. Het plan vervangt verschillende ter plaatse geldende plannen en is ook vastgesteld in voorbereiding op de inwerkingtreding van de Omgevingswet. In de plantoelichting staat dat het plan conserverend is en geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk maakt. [appellant sub 1] betoogt dat geen onderzoek is gedaan naar de gevolgen van het plan. Hij wijst erop dat omwonenden in de huidige situatie al hinder ondervinden van het verkeer afkomstig van het winkelcentrum, maar dat er desondanks geen actueel verkeersonderzoek aan het plan ten grondslag is gelegd. Evenmin is in het plan een oplossing voor de verkeersafwikkeling vastgelegd.</abstract><description lang="nl">Zaaknummer: 202202275/1/R3</description><description lang="nl">Bijzondere kenmerken: Tussenuitspraak bestuurlijke lus</description><issued>2025-05-07</issued></metadata></document></url></urlset>
